Mep
18 mei 2013
Ik ga liever met de natuur om dan met God. Als je iets goeds gedaan hebt, en je krijgt van de natuur een mep, dan aanvaard je dat. Maar als je iets goeds hebt gedaan en je krijgt van God een mep, dan is het meteen ruzie.
Wonderkind
17 mei 2013
De Duitse manager Hartmut Mehdorn, 71 jaar, is er weliswaar nooit in geslaagd de Deutsche Bahn vlot te laten rijden of Air Berlin met winst te laten vliegen, maar hij heeft in zijn nieuwe functie van opperluchthavenmanager wel iedereen in snelheid genomen door de oude Berlijnse luchthaven van Tegel te heropenen nog voor hij gesloten was, waardoor iedereen vergeten is dat Mehdorn is benoemd om de nieuwe Willy Brandt-luchthaven in Schönefeld zo snel mogelijk geopend te krijgen. Iedereen prijst Mehdorn, maar niemand weet of hij voor iets deugt.
‘No, that’s mine!’
16 mei 2013
Lectuur van a) ‘Gegen de Strom’ (Beck), een uitermate boeiende terugblik in gespreksvorm tussen twee generaties, de (‘groene’) politicus Joschka Fischer (°1948) en de naar Amerika uitgeweken Duitse historicus Fritz Stern (°1926) en b) ‘Der Briefwechsel’ (Steidl) tussen Willy Brandt (°1913-1992) en Günter Grass (°1927). Interessant is de overeenstemming van de waarneming: de triomfale kiesoverwinning van Willy Brandt in 1972 als cesuur, als het ware einde van Hitler, als de tweede stichting van de Bundesrepublik. De stichters van de ware Bondsrepubliek zijn de jonge mannen die men aan het einde van de oorlog nog snel in een uniform heeft gestoken: Egon Bahr, Rudolf Augstein, Helmut Schmidt, Günter Grass…
Coïncidentie: ik lees treffende overlappingen in de jeugdherinneringen van politici en schrijvers die tot dezelfde generatie behoren, bv. Joschka Fischer en F. C. Delius. Joschka Fischer heeft het over de gesneuvelden van de Tweede Wereldoorlog, jongens ‘van wie de foto’s in bijna elke woonkamer op de commode stonden, deze bleke jonge mannen in Wehrmachtsuniform’. De iets oudere schrijver F. C. Delius (°1943) memoreert ze in zijn novelle ‘De zondag waarop ik wereldkampioen werd’ (Van Gennep): ‘Overal stond wel een gesneuvelde zoon, vader of broer in een pijnlijk geworden uniform ingelijst op een gehaakt kleedje verwijtend naar de kruimeltaart op de bordjes van de nabestaanden en hun bezoek te kijken.’
Terug naar ‘Gegen den Strom’. Interessant is de these van Joschka Fischer: het verdrag van Versailles was niet hard genoeg. De reactionaire krachten in Duitsland kregen opnieuw de kans om overeind te krabbelen. Als ik me goed herinner heeft Golo Mann in zijn herinneringen (‘In de schaduw van de tovenaar – Een jeugd in de Duitse storm’, privédomein, 1993) dezelfde stelling verdedigd. De macht van de beslissende Duitse elites werd door Versailles niet gebroken.
Ten slotte een bittere grap van Fritz Stern over Chamberlain, die in München 1938 triomfantelijk met de papieren vrede naar Londen terugkeert. Een paar Duitse diplomaten feliciteren Chamberlain bij de afreis en vragen hem of hij zijn paraplu niet als herinnering in München in bewaring wil geven. Een geschrokken Chamberlain: ‘No, that’s mine!’
Beelitz, ongegrond
14 mei 2013
Ach Beelitz, grond van mijn asperge
vergeef de ongegrondheid van mijn verzen.
Liever dan met opgeheven hoofd
zie ik u gekookt, gebakken of gestoofd.
Slap schept u in mij de krachten
waar de pluksters zo naar smachten.
Stilleven
13 mei 2013
Gisteren mepte ik mijn gekookte asperges nogal slordig op mijn bord. ‘Mikado met flanellen benen’.
Berlinales
12 mei 2013
In elk district van Berlijn tref je een Berliner Strasse, een Potsdamer Strasse, een Knesebeckstrasse, een Goethestrasse en een Handjerystrasse aan. Wie de helft van de Berlijnse straten kent, kent ze allemaal. Wie er slechts een kwart kent ook. Dat is nu een van de wonderen waar Berlijn het patent op heeft, een gevolg ook van de vorming van Groot-Berlijn in oktober 1920, en ook wel een gevolg van het verdwijnen van de Muur. In de tijd van de Muur belandde je vanuit West-Berlijn ofwel in Oost-Berlijn ofwel in Oost-Duitsland. In welke windrichting je je vanuit West-Berlijn ook bewoog, altijd kwam je in het oosten terecht, nog het meest van al als je naar het westen ging, want ten westen van West-Berlijn was er meer Oost-Duitsland dan ten oosten ervan.
In de kramen aan de kant van de weg kan ik ze eindelijk kopen: de verlate asperges uit Beelitz. Ik schil, kook en eet ze dagelijks: mijn jaarlijkse aspergekuur, want op 24 juni, ‘Johannestag’, is het weer uit voor een jaar. Ik ga dus gelijk op met Samuel Pepys, die in 1662 het aspergeseizoen in Guildford viert door asperges te steken en ze ’s avonds op te eten, ‘en ik heb in mijn leven nooit betere gegeten, behalve vorig jaar in hetzelfde eethuis’.
Stadsgenote Nicky schrijft me: ‘Wist je dat ze speciaal voor de tachtigste verjaardag van de boekenverbranding de glazen plaat van de verzonken bibliotheek (op het Berlijnse Bebelplein, P.) eindelijk vervangen hebben, zodanig dat je opnieuw kunt zien wat er niet te zien is?’ Op zulke zinnen ben ik dol.
Dialoog in het Gartenhaus van Zehlendorf
6 mei 2013
Hij: Wat hebt u voor lekkers vandaag?
Zij: Notentaart. Lekker kleverig.
Hij: Doet u maar.
Als ze de bestelling brengt, ligt zijn krant nog op tafel.
Zij: Nu kom ik nog te vroeg, aan uw drukwerk te zien.
Hij: U komt nooit te vroeg… Wat moet ik u?
Zij: Voor de kleverige koek?
Later.
Hij: Mijn bord is leeg.
Zij: Dat is de volle waarheid.
Hij: Tot later dan maar een keer.
Zij: Ja, u komt terug, vorige keer kwam u toch ook terug.
Ook in Duitsland zet ‘De zus van Freud’ (Anthos, 2012), een roman van de Macedoniër Goce Smilevski, zijn zegetocht voort. ‘Freuds Schwester’ verscheen recent bij de gereputeerde uitgeverij Matthes und Seitz. Felix Stephan van de Süddeutsche Zeitung was opgetogen. Waarom eigenlijk?
Op 4 juni 1938 emigreerde Sigmund Freud uit Wenen naar Londen. Zijn vier bejaarde zusters Adolphine, Marie, Rosa en Pauline bleven achter in de hoofdstad van Oostenrijk, dat sedert de Anschluss van 12/13 maart 1938 tot Hitlers rijk behoorde.
Was Sigmund Freud een sadist die zijn zusters opzettelijk aan de moordlust van de nazi’s overleverde? Die indruk, nee, die zekerheid ontstaat bij de lectuur van ‘De zus van Freud’, een alom gelauwerde en in tal van talen vertaalde roman van de 38-jarige Macedonische schrijver Goce Smilevski. In deze roman zegt een harteloze Freud tegen zijn doodsbange zussen: ‘Ik mocht een lijst opstellen van mensen die mij zeer dierbaar zijn en die samen met mij uit Oostenrijk weg kunnen.’ De vraag van zijn zussen of hij er geen moment aan gedacht heeft hen ook op de emigratielijst te plaatsen, beantwoordt Sigmund Freud met ‘Nee, geen moment’. Voor zijn zussen is geen plaats, voor Joffie, zijn hondje, wel.
Historisch klopt het dat Sigmund Freud zijn vier zussen in Wenen achterliet. Smilevski laat Freud argumenteren dat zijn vertrek tijdelijk is en dat zijn zussen het nazi-gevaar overschatten.
De Weense confrontatie tussen Sigmund Freud en zijn zussen Pauline en Adolphine speelt zich in Smilevski’s roman af in april of mei 1938, de korte tijdspanne tussen de Anschluss en Freuds vertrek naar Londen. Goce Smilevski zelf is erg nadrukkelijk in de afbakening van die periode. Daarbij maakt hij echter een fatale fout die de geloofwaardigheid van de roman vanaf de eerste bladzijden ondermijnt. In haar gesprek met haar beroemde broer spreekt Adolphine, die het vertelperspectief beheerst, over haar angst dat ‘hier ook vernietigingskampen worden ingericht’. Welnu, het is onmogelijk dat Adolphine die angst in het Oostenrijk van 1938 gehad kan hebben, om de simpele reden dat Duitse vernietigingskampen destijds niet bestonden. Ze werden pas later ingericht en vanaf de lente van 1942 werkelijk als moordfabrieken in gebruik genomen, tenminste, als men abstractie maakt van Chełmno (Kulmhof), waar de joden vanaf december 1941 in daar gestationeerde gaswagens massaal werden vermoord. Die flater, die op de rekening van Smilevski gaat, is niet alleen onvergeeflijk, hij heeft helaas ook systeem. Een week na de dood van Sigmund Freud (23 september 1939) vraagt Adolphine zich immers af ‘of hij [Freud] berouw had bij de gedachte dat ook zij [de zussen] naar een vernietigingskamp werden gestuurd’.
Als auteur van een semidocumentaire roman kun je niet à la carte met historische gegevens omspringen, iets waaraan Smilevski zich helaas voortdurend bezondigt. Als lezer vraag je je af waarom de schrijver niet nauwkeuriger te werk is gegaan. Is hij onbekwaam, slordig of te kwader trouw?
In dezelfde confrontatie waarvan eerder sprake leest Sigmund Freud zijn zussen een passage voor uit ‘Bruder Hitler’, een essay waarin Thomas Mann afrekent met Hitler, de mislukte kunstenaar. Maar het is uitgesloten dat Freud het opstel ‘Bruder Hitler’ in de lente van 1938 gekend kan hebben, aangezien Thomas Mann zijn essay (dat overigens eerst ‘Der Bruder’ heette) pas op 4 september 1938 – precies drie maand na Freuds vertrek uit Wenen – heeft voltooid.
De prangende vraag luidt altijd opnieuw: wat heeft Smilevski bezield om de historische gegevens te manipuleren? Smilevski laat Adolphine in het gas creperen, wat ook al niet klopt. Van Harry Freud, de zoon van Sigmunds broer Alexander, weten we dat Adolphine niet is vergast, maar dat ze in het doorgangskamp Theresienstadt waarschijnlijk aan ondervoeding is gestorven. Ook Smilevski’s versie dat de vier zussen van Freud op 29 juni 1942 allemaal samen uit Wenen naar een doorgangskamp zijn gedeporteerd, raakt kant noch wal.
‘De zus van Freud’ is in alle opzichten een ellendig boek. Het neemt niet alleen een loopje met bekende historische feiten, het is ook uitzonderlijk slecht geschreven. De lezer wordt geconfronteerd met een vloed aan kitscherige beelden die behalve van stilistische onbeholpenheid ook van een slechte smaak getuigen. Adolphines klacht over haar geestelijke tekort brengt Smilevski bijvoorbeeld zo onder woorden: ‘Mijn hele leven had ik het gevoel dat ik iets miste, zoals de Venus van Milo haar beide armen mist; het was niet in mijn uiterlijk dat ik iets miste, maar vanbinnen, alsof de armen van mijn ziel ontbraken…’
Smilevski’s theoretische uiteenzettingen over de psychoanalyse lijken zo van het internet geplukt. Je vraagt je af waarom Smilevski een hele galerij beroemdheden (Ottla Kafka, Vincent van Gogh, Friedrich Hölderlin, John Clare) laat opdraven in zijn roman, die verder irriteert door litanieën van functieloze repetities. Slechts één voorbeeld. Drie keer na elkaar wordt de grootse gedachte geformuleerd: ‘In de loop van het leven wordt het Ik van de mens door ervaringen gevormd zoals een steen in de loop van vele eeuwen gevormd wordt door de zee.’
Het is een raadsel waarom deze roman, die alleen in de beschrijving van de moeilijke relatie tussen Adolphine en haar moeder Amalia enig niveau haalt, ook in de literaire kritiek zulke hoge ogen gooit. ‘De zus van Freud’ is immers over de hele lijn een miskleun van een schrijver die zijn vak niet beheerst. Historisch is het boek nonsens, stilistisch bestaat het uit kromtaal en structureel hangt het aaneen als los zand. Maar vooral is ‘De zus van Freud’, onder het mom van fictie, een onfaire afrekening met Freud. Natuurlijk heeft Smilevski het recht om Sigmund Freud aan te vallen en hem zelfs een antisemiet te noemen, natuurlijk mag een schrijver Freud ervan beschuldigen dat hij een slecht karakter had en dat hij meer om zijn wetenschap dan om het lot van zijn zusters begaan was. Maar dat Sigmund Freud hier op basis van gemanipuleerde feiten wordt gepresenteerd als de man die zijn zusters moedwillig de dood in stuurde is werkelijk te gek voor woorden.
Gewetensvraag
4 mei 2013
Mogen ambtenaren tijdens de kantooruren guimauvekes eten?
Het vierkante hoofd van Etienne Vermeersch
3 mei 2013
Aangezien ik allergisch ben voor verboden, ben ik geneigd te zeggen dat Etienne Vermeersch en co over het hoofd zien dat het hoofd rond is opdat het denken van richting zou kunnen veranderen.
(Bedenking bij Vermeersch’ voorstel voor een totaal verbod op het dragen van religieuze en ideologische symbolen voor ambtenaren).