Afkomstig van een verse taart
Droeg ze plots een slagroombaard,
Geworpen door ‘Straten uit suiker’:
Een bloem uit eigen ruiker.

 

De taart kwam als een godsgerecht
In haar gezicht terecht.
Zo zou een mens nog stikken
In gebak, te groot om af te likken.

 

Vier uur later verscheen ze schoon gewassen
In ’t blauw dat beter dan ’t rood wilde passen.

Onthaald werd ze op een applaus
Waarin ze dreef als kip in eigen saus.

 

Ach, wat baat het als Die Linke
Nog meer dan de AfD gaat stinken?

Geen wonder dat ik wurg
Van de filisters in Maagdenburg.

 

Advertenties

Afgeslankt

26 mei 2016

‘Een magere oogst in je blog,’ zegt I.

‘Dat komt door de eindredactie,’ zeg ik, ‘de voetnoten zijn me boven het hoofd gegroeid.’

 

Pinksteren

18 mei 2016

De vurige tongen waren wel erg nat dit jaar.

 

‘Het rare is,’ zeg ik tegen I., ‘dat, als ik me de tijd ruimtelijk probeer voor te stellen, het verleden links, de toekomst rechts ligt, maar mijn dood toch weer links.’

 

Faecalatio

10 mei 2016

Hoor hem piepen
als een gecastreerde trompet,
de ploert
tegen Armeen en Koerd,
Zaman en Cumhuryet.

Ja, hij is het
wiens naam men niet mag noemen
tenzij om hem te roemen.

Geef hem nog een veeg
uit de pan,
een koek van eigen deeg,
de slaptiran.

Want iedereen betaalt ’t gelag
voor ’t gelach
om de gesneden muis
die piept
aan de Bosporuis.

Zelfs Allah houdt zich gedeisd
als de Anatoliër weer eens krijst
en schreeuwt over de vlakte
om kond te doen dat hij er
al van kindsbeen kakte,
vet en rond
op de nu heilig verklaarde grond.

(En als kers op de taart
wellicht ook op zijn eigen staart).

Ach Ankakara!

Van goede smaak getuigt dit versje niet,
als kunstwerk verdient het zeker geen krediet;
maar welke democraat zal me verwijten
dat ik op zijn kop wil schijten?

 

Metamorfose

2 mei 2016

Als I. me vraagt in welk dier ik in een ander leven wil metamorfoseren, antwoord ik: ‘Alsof je niet weet dat ik al als stekelvarken ben teruggekeerd.’

 

De stopnaald

1 mei 2016

‘Toen ik gisteren je zin over die gestopte sok las, moest ik onwillekeurig denken aan de openingszin van Hans Christian Andersens verhaal over de stopnaald,’ zegt I., die hem citeert: ‘Er was eens een stopnaald die zichzelf zo fijn vond dat ze zich inbeeldde een naainaald te zijn.’