Coïncidentie

31 juli 2014

Niets beschut ons tegen de projectielen die door de samenloop van de omstandigheden worden afgevuurd.

Advertenties

Muziek

30 juli 2014

Ik ken ook vrouwen die, daarin aangemoedigd door hun geslachtsorganen, holle vaten zijn. Je kunt er maar beter een snaar voor spannen.

Op de pot

29 juli 2014

De zangers en muzikanten in de Berlijnse S-Bahn. Het tijdperk is hun tegenspeler: een waardige tegenstander, maar hinderlijk voor wie het op het snelle geld heeft gemunt. Zelfs als ze goed zijn, hebben ze geen amusementswaarde meer sedert de reizigers een headset dragen van waaruit de ‘wereldmuziek’ in en helaas ook uit hun en zo weer in onze oren druipt. Ze weten dat ze lastposten zijn. Als die zangers in de S-Bahn door de reizigers gehonoreerd worden met een paar cent, dan is het niet uit bewondering voor hun prestatie, maar uit medeleven voor hun inspanning, als kinderen op de pot. Sommige zangers zingen heel korte liederen om de geïrriteerde reizigers gunstiger te stemmen. Ze verzilveren hun constipatie.

Depressie

28 juli 2014

Berlijnse kennissen op zoek naar een depressie adviseer ik altijd een kort verblijf in Vlaanderen. Allemaal zijn ze enthousiast teruggekeerd.

Melancholie

27 juli 2014

In inktzwarte vonten doop ik mijn pen.

Gelukscent

26 juli 2014

Ik ben een voorstander van het eurokleingeld. Het afschaffen ervan leidt tot taalarmoede en verschraling van de levensvreugde. Ik wil de woorden niet missen van het mooie meisje aan de kassa van Reichelt dat me dat onnozele muntstukje altijd overhandigt met de woorden: ‘En hier is dan je gelukscent, meneer.’

Kafka veinst zijn praktische inertie om zijn literair genie te laten bloeien. Daarom schrijft hij in zijn dagboek dat zijn oude en overbodige papieren in het vak van zijn schrijftafel moeten blijven liggen. Hoe zou hij anders kunnen vertellen dat hij ze al lang weggegooid zou hebben als hij maar een papiermand had gehad? Zonder de papieren geen verhaal over de onmogelijkheid om ze weg te gooien. Maar het bijzondere is dat de papiermand moet ontbreken voor het verhaal. Met papiermand geen verhaal. Wat echter als die papiermand er was geweest, maar geen papieren? Maar een schrijver als Kafka met alleen maar een papiermand, zonder papieren, kunnen we ons dat voorstellen? Onmogelijk. Maar wat een verhaal!

Het bekronen van altijd dezelfde beroemde schrijvers is een uiting van extreem conformisme. Op de keper beschouwd bekronen de prijsverleners zichzelf. De kroon op het hoofd van de bekroonde belichaamt immers de hunkering van het jurylid naar eigen roem en erkenning. Het jurylid wil voor het prijzen geprezen worden.

Voor wie onverwacht wordt bekroond is de schok des te groter. In 1983 kreeg Imre Kertész een eerste literaire prijs in Hongarije. Kertész: ‘Voor mij was dat een schokkende aangelegenheid, ik was niet gewend om mijn werkstukken, die ik tot dan toe als onaantastbaar beschouwd had, door literatuurprijzen in twijfel getrokken te zien worden. Ik was bijna beledigd’ (Proces-verbaal). Op ongeveer dezelfde manier reageerde Bruce Chatwin toen zijn Aboriginal-boek De gezongen aarde bij het verschijnen in 1987 een groot succes kende: ‘Toen het nummer één werd op de bestsellerlijst, kreeg mijn zelfvertrouwen een deuk. Was ik dan uiteindelijk toch beland tussen de pulpschrijvers?’ (Kevin Volans’ in Wat doe ik hier).

Franz Kafka, die tijdens zijn leven zeker geen onbekend schrijver was, kreeg nooit een literaire prijs. In 1915 werd de schrijver Carl Sternheim, een miljonair, met de Fontaneprijs onderscheiden op voorwaarde dat hij het prijsgeld van 800 mark aan Kafka zou overmaken. Kafka was beledigd omdat de uitgever die hem het nieuws meedeelde uitsluitend met de financiële voordelen uitpakte, zonder enige waardering voor zijn werk op te brengen. Wegens het geld dat hem werd toegestopt, werd Kafka door de bekroners de ‘reine Hans in Glück’ genoemd. Dat stemde de schrijver zo bitter dat hij door zijn vrienden overgehaald moest worden om het prijsgeld, dat hij goed kon gebruiken, te aanvaarden.

Prik

24 juli 2014

Ik prik me graag met de naald door wiens oog ik gekropen ben.

Kafka’s doodsstrijd

23 juli 2014

‘Doodsstrijd’. Kun je die ook winnen? Maar wat heb je als Eeuwige Jood of Vliegende Hollander gewonnen? Hun ‘leven’ is een rad van ongewilde herhalingen, en dus een hel. Wat heb je gewonnen als Kafka’s jager Gracchus, die als een ondode rusteloos in een schip over de wateren zwerft en die in de interpretatie van W.G. Sebald ‘met zijn voortdurend heen en weer varen boete doet voor een verlangen naar liefde’? (‘Duizelingen’). In een brief aan Max Brod (12 juli 1922) schrijft Kafka: ‘Dat hele schrijven is niets dan de vlag van Robinson op het hoogste punt van het eiland.’ Zijn schrijversbestaan had Kafka in zijn ‘Tagebuch’ (6 augustus 1914) al eens samengevat als een onophoudelijke vlucht naar de piek van een berg waarop hij zich nauwelijks een moment staande kan houden. Hij wankelt daarboven, ‘het is helaas geen dood, maar de eeuwige kwellingen van het sterven’. Nog eens: doodsstrijd, kun je die ook winnen? Wat is dan de winst? Of is de winst in werkelijkheid, als die er nog is (en is ze er nog als er te veel van is?), verlies? Pyrrus in de gedaante van een spook wiens enige vreugde erin bestaat om middernachtelijk stipt af te klokken?