Zingende slipjes

31 maart 2015

Rebellen in maatpak? Waarom zouden ze niet bestaan? In de DDR kwam Maxim Leo, schrijver van het boek ‘Rode liefde’ (Cossee), als 17-jarige – dat was in 1987 – tegen zijn non-conformistische ouders in opstand door zich normaal te kleden en Hoogduits te spreken. Door zijn ‘verzet’ werd hij een ‘brave’, goedgeklede revolutionair. Hij rebelleerde tegen de communistische traditie van zijn ouders door zich burgerlijk te gedragen, met alle uiterlijke kernmerken die daartoe behoren.

 

Kort nadat ik Leo’s boek gelezen had verslond ik ademloos het vierhonderd pagina’s tellende ‘Vijand van de Russische staat’ (Atlas Contact) van de Amerikaanse zakenman en hedgefundmanager Bill Browder, die eveneens uit een communistisch nest komt (zijn grootvader was in de jaren dertig leider van de Amerikaanse Communistische Partij). Ook Browder rebelleerde tegen zijn links milieu door zich aan de Amerikaanse uiterlijke normaliteit te conformeren. Nog geen twintig jaar oud, begin jaren tachtig, kwam hij op een ‘perfect idee’: ‘Ik zou een pak met stropdas aantrekken en een kapitalist worden. Als er iets was dat mijn familie de stuipen op het lijf zou jagen, dan was het dat wel.’

 

Er is geen beter relaas over de criminele energie die in Poetins Rusland woedt dan Browders boek. Maar hoe ontnuchterend ook, tegelijk is het een troostrijk boek: een gewiekste Amerikaanse zakenman die in Rusland een berg goud wil verdienen, evolueert door zijn ervaringen met een bandietenstaat tot een individu dat zich het lot aantrekt van onschuldige Russische mensen die – omdat ze zich niet laten intimideren – door een misdadige ‘elite’ vernietigd worden.

 

Mensen kunnen veranderen, zelfs ten goede.  De Rus Michail Chodorkovski, ooit de topman van het Russische concern Yukos, is daarvan een illustratie. Ik weet het wel, ook hij behoorde tot het clubje oligarchen rond Poetin. Maar hij kwam tot het inzicht dat het wegzinken van Rusland in een corrupt moeras de toekomst van het land bedreigde en wilde het daarom op het spoor zetten van een civiele maatschappij. Chodorkovski betaalde een zware prijs – tien jaar gevangenis en kamp, daarna verbanning – door daarvoor openlijk in het hol van de leeuw (het Kremlin) uit te komen. Ik vraag me af of diegenen in het Westen die Chodorkovski voor zijn verleden blijven bekritiseren, de moed hadden gehad om hetzelfde te doen, en of ze bereid waren geweest om zelf zo’n lot te ondergaan.

 

Ik wil maar zeggen: de zogenaamde realisten onder de politici en de politieke analisten zijn niet altijd de snuggersten, ook al zijn ze van hun superioriteit overtuigd, omdat ze de imponerende uiterlijke schijn aan hun kant hebben. Want wat is op het eerste gezicht overtuigender dan de schijnbaar honkvaste status quo? Die ‘realisten’ vinden iedereen die daar anders over denkt natuurlijk naïef. Ik ben er zeker van dat heel wat ‘realistische’ toppolitici de val van de Berlijnse Muur nog altijd diep betreuren, omdat die gebeurtenis een weerlegging was van hun diepe overtuiging dat ze onmogelijk was. Wie is de realist? Wie is de naïeveling? Het is mijn ervaring dat die zogenaamde realisten, die bij de onveranderlijkheid van de wereld zweren, helemaal niet behoren tot het kamp van de conservatieven (die me sympathiek zijn), maar tot dat van de gevaarlijke reactionairen.

 

Van de gelegenheid maak ik gebruik om niet alleen het boek van Bill Browder aan te prijzen, maar ook ‘Niets is waar en alles is mogelijk – Het surrealistische hart van het nieuwe Rusland’ (Hollands Diep) van de Britse tv-producent Peter Pomerantsev. Het boek is een goede aanvulling bij het verslag van Browder, al vind ik die laatste sympathieker. Als televisiemaker in Moskou was Pomerantsev (TNT) veel meer gelieerd met het systeem dat hij achteraf beschrijft. Toch klopt het dat je in Rusland alles binnenstebuiten moet keren om een correct zicht op het functioneren van de samenleving te krijgen: ‘In de jaren negentig waren de woorden “Rus” en “gangster” bijna synoniem, maar toen de president [Poetin] in het Kremlin belandde kwam er een eind aan het tijdperk van de gangster. De geheime diensten namen zelf de georganiseerde  misdaad over; daar konden bendeleden niet tegenop,’ aldus Pomerantsev. (Een goeie is ook de uitspraak van de voorzitter van het parlement: ‘De Doema is geen plaats voor het debat.’)

 

Als ex-filoloog die via de dagboeken van Victor Klemperer het maatschappelijk belang van het vocabulaire niet onderschat, heb ik Pomerantsevs aandacht voor bepaalde aspecten van het Russisch grootstedelijk jargon leren waarderen. Neem nu de Russische meisjes die van het platteland naar Moskou trekken om daar een rijke Rus of zelfs een westerling aan de haak te slaan. Die rijke mannen, die de meisjes – voor de tijd dat het duurt – onderhouden, zijn weliswaar overal ter wereld ‘suikerpapa’s’ (sugar daddy’s), maar door de Moskouse meisjes worden ze eufemistisch ‘sponsoren’, ook wel ‘Forbeses’ (naar de Forbes-lijst van de rijke mensen) genoemd. De meisjes zelf moeten het met de minder flatterende titel van ‘tjolki’ (vee) stellen. Sommige Russische meisjes proberen in de Moskouse bars indruk op toekomstige ‘sponsoren’ te maken door een ‘shanson’ te brengen. Ze worden ‘zingende slipjes’ genoemd.

 

Nog eens Kleist

30 maart 2015

Het oeuvre van Heinrich von Kleist is een hoekige ballerina die op de spitz van een ongeschoeide komma staat.

 

Gloed

29 maart 2015

Op de vraag van E., waarom ik, wat alcohol betreft, ten slotte, ook de druif opgeef, antwoord ik, dat ik, door onthouding, de gloed der rijpheid wil bewaren, en, zonder korzeligheid, ook de pit.

 

Andreas Lubitz, de brokkenpiloot, een hedendaagse Michael Kohlhaas, de held uit Kleists gelijknamige verhaal? Lubitz als een moderne versie van Kleists held: een engel der wrake en des doods, uit de wolken neergedaald om alles met en rond hem te vernietigen? Duitser kan het haast niet.

De Duitse essayist Sebastian Haffner heeft ooit eens gezegd dat we de naziperiode van Duitsland veel beter kunnen begrijpen door Kleist te lezen. De Duitsers zijn immers niet alleen het volk van klassieke geesten als Goethe en Schiller, maar ook van afgrondelijke en duistere genieën als Richard Wagner en nog veel meer Heinrich von Kleist.

Het motief, dat het hele werk van Kleist doordrenkt, is de zelfvernietigende wraak. Met Kleist bereiken het extreme, het radicale, het irrationele en het hysterische hun hoogtepunt in de Duitse literatuur. Het gebrek, waaraan Kleists helden lijden, is eigenlijk een teveel: ze kennen geen maat. Vanaf de eerste regels van het verhaal ‘Michael Kohlhaas’ worden we gewaarschuwd dat deze beminnelijke man, die tot zijn dertigste een voorbeeldig staatsburger was, gedoemd is om over de schreef te gaan: ‘Zijn rechtvaardigheidsgevoel echter maakte hem tot rover en moordenaar.’ Kohlhaas, de exterminator.

Kleists helden nemen het recht in eigen handen. Het onrecht dat hen wordt aangedaan, maakt hen wreed en redeloos. Altijd worden ze zelf de dupe van hun eigen wanhoopsdaden.

Toen Kleist in november 1811 besloot zelfmoord te plegen, leek hij over de hele lijn mislukt. Zijn literaire potentie was compleet miskend door de Pruisische goegemeente, die hem als een zonderling beschouwde. In de ogen van zijn familie had hij gefaald: een nietsnut zonder meer.

 

‘Ze lokt het gevogelte, ze is wispelturig, onberekenbaar, verraderlijk, kent geen erbarmen, lost niets in van wat ze belooft, trekt je voorgoed de diepte  in.’

‘Over wie heb je het?’ vraagt E. onder de Berliner Tor.

‘Over de Oder, natuurlijk.’ ‘Über die Oder, natürlich,’ zeg ik tegen haar, terwijl ik er troebel en verstrooid naar wijs.

 

De groep

26 maart 2015

Zondagnamiddag. De jonge Beethoven. Sonate voor violoncello en klavier, in een heldere kamer in een gastvrije villa met lichtende plankenvloeren in het noorden van Berlijn, Tegel, vlak bij het Humboldt Schloss en het meer. Maar ik ben niet mondain genoeg voor de taferelen achteraf, ben figurant (het Duitse woord Statist drukt nog beter uit wat ik bedoel), heb geen aanleg voor small talk met al die vriendelijke, niet meer zo jonge, door het leven getekende luisteraars, die zich na het concert, bij kaas en wijn, tot sprekers ontpoppen. Ik kan er ook niet aan doen, voel me saai en dom worden, hou mijn mond (flanellen benen, flauwte), een leeg gevoel dat me wel vaker overvalt in een groep die praat uit verlegenheid, om de stilte klein te krijgen. Ik probeer me te herinneren wat Canetti eens heeft gezegd over het terneerdrukkend en vernederend gevoel waarmee de groep er van nature toe neigt om degenen die er deel van uitmaken tot middelmaat te vereffenen (verheffen ware misplaatst), de individualiteit uit te vlakken, zelfs gezichten uit te gommen, iets in de trant van: ‘Ik weet zeker dat die mensen individueel niet zo dom zijn als ze in groep lijken.’ Achteraf de bevestiging daarvan door Casanova, die zo vriendelijk was me mee te nemen. Op weg naar huis zegt hij over de inhoudelijkheid van tafelgesprekken: ‘Met zijn vijven is al één te veel.’  Thuis opluchting, weg de wrevel dat ik, verlegen om een houding, ijdel en arrogant overkom in de groep, terwijl ik in mijn eentje, waar niemand het merkt, de belichaming van de bescheidenheid ben.

 

Raddatz

25 maart 2015

Casanova (S-Café Friedenau) vertelt me dat hij zich kostelijk amuseert met de lectuur van de ‘Dagboeken’ van schrijver en criticus Fritz Raddatz (1931-2015). Ze spelen zich af in de verwaande kringen van schrijvers, kunstenaars, publicisten, in Raddatz’ eigen verwaten wereld zeg maar. Maar Casanova vindt Raddatz, ondanks het geboden entertainment, kleinburgerlijk: een egomaan die nooit vergeet te vermelden hoe duur de bloemen zijn die hij straks aanbiedt aan de gastvrouw naar wie hij weer eens op weg is om zich de volgende dag over het behoeftige avondmaal te beklagen. Ik ben het echter niet helemaal met Casanova eens.

 

Raddatz stapte onlangs vrijwillig uit het leven, 84 jaar. Hij deed dat een paar dagen voor zijn nieuwe boek verscheen, dat uiteraard ook zijn laatste was. Hij wachtte niet tot het er was, hij hield het niet in zijn handen. Dat hij zijn boek net voor de geboorte tot wees maakte vind ik een vorm van onthechting die ik niet petit bourgeois zou durven te noemen. Raddatz heeft altijd gezegd dat hij zichzelf van het leven zou beroven als zijn geld op was. Hij was uiteindelijk oud genoeg om er niet meer van te kunnen genieten als hij het nog had gehad, en in dat geval te trots en wie weet nog te vitaal – in elk geval te zeer bij zijn volle verstand – om het uit te geven aan dokters of rusthuizen, zoals men de premature graftomben noemt van mensen die zich niet meer kunnen herinneren dat ze ooit moe zijn geweest.

 

Maar sporen van levensmoeheid vind je al vroeg in Raddatz’ dagboeken, die echter geen symptomen van werkmoeheid vertonen. Dat is een paradox die me niet verbaast, omdat hij me vertrouwd is. In leven blijven om te werken, niet omgekeerd. Op 6 februari 1987 – hij is 56 en veel jonger dan ik nu ben – noteert Raddatz in Fuerteventura: ‘Eigenlijk ben ik al dood, leegbemind? Zonder vreugde, mijn blik gaat alleen nog naar binnen. (…) Ben gespannen, verkrampt en vraag me op die eenzame avonden wel degelijk af waartoe ik nog leef.’ Is dat nu een projectie van de avonden die me weldra gedurende een paar maand op mijn eigen eiland, Korfoe, te wachten staan? Op het panoramische flatscreen van de Ionische Zee.

 

Maar Casanova en ik vinden elkaar uiteindelijk dan weer in de waardering die we beiden koesteren voor Raddatz’ nooit tanende verachting voor ex-Bondskanselier en windbuil Helmut Schmidt. Raddatz: ‘Als deze man zich nu eens niet aanmatigde gewoon alles te weten’ (7 november 1983).

 

Vrij

24 maart 2015

De vrijheid van het kunstwerk resulteert uit de dwang waarin het is ontstaan.

 

Korfoe, vooruitzicht II

23 maart 2015

Korfoe in het vooruitzicht. Hunkerend naar het zalvende zuiden. Extreme kou is de antipode van het paradijs: de ijsvlakte als belichaming van de hel, die in de verbeelding – ook in ‘Doktor Faustus’ van Thomas Mann – een ijsholte is. Vandaar wellicht dat Joachim Fest zich in zijn Italiaanse dagboek ‘Tegenlicht’ laat ontvallen dat hij Thomas Mann niet gelooft als die Tonio Kröger laat zeggen dat hij, in plaats van naar Italië, liever ‘een beetje naar Denemarken’ reist. Op de oude iconen in Karelië, schrijft Malaparte in ‘Kaputt’, wordt de hel niet weergegeven door hoog oplaaiend vuur, maar door ijsblokken waarin de verdoemden vastzitten. Dus net als in Dantes hel. A. Roland Holst gebruikte hetzelfde beeld om Simon Vestdijk op zijn sterfbed in een gedicht te beschrijven: ‘Hij zat wat voorovergebogen/ Toen hij mij voor het laatst aankeek/ Ik wist niet dat twee open ogen/ Zo leeg zijn konden. Ik ontweek/ Zijn blik niet, kon die niet ontwijken./ Het was kort voor zijn laatste reis./ Doodstil zat hij naar mij te kijken/ Uit een hel van ijs.’

 

Mimesis

22 maart 2015

Fictie. De roman ‘Het paspoort’ (1937) van Bruno Frank. In het Praag van de jaren dertig werkt de kunsthistoricus  Johannes Rotteck, balling, uit Duitsland verdreven door de nazi’s,  met de moed der wanhoop aan het manuscript van zijn ‘Geschiedenis van het portret in Europa’, deel vijf. Hij moet het beredderen met een minimum aan documentatie, want hij is afgesneden van de Duitse bibliotheken met hun overvloed. Maar hij ervaart dat niet als een gebrek: ‘Als je je bevrijdt van de leiband van zeshonderd voorgangers, dan merk je pas wat je zelf bezit. Je zou zo’n geschiedenis van het portret moeten kunnen schrijven van Van Eyck tot Van Gogh zonder één boek op te slaan. Dat zou het summum zijn.’

 

Realiteit. In 1936 werd de joodse literatuurwetenschapper Erich Auerbach uit Duitsland weggepest en emigreerde naar Turkije. In Istanbul (‘in welke stad geen welvoorziene bibliotheek voor Europese studies aanwezig is’) schreef Auerbach zijn meesterwerk ‘Mimesis – De weergave van de werkelijkheid in de westerse literatuur’ (1946). Wat de Mimesis-essays zo uitzonderlijk en sympathiek maakt: de aard van de studie is ook door de dwang van de omstandigheden gedicteerd. Auerbach: ‘Het is overigens heel wel mogelijk dat mijn boek zijn totstandkoming juist te danken heeft aan het ontbreken van een grote vakbibliotheek. Had ik mij kunnen informeren over alles wat over zovele onderwerpen is geproduceerd, dan zou ik wellicht niet aan schrijven zijn toegekomen.’ ‘Mimesis’ is een boek zonder voetnoten.

 

Hier komt mijn eigen ‘Mimesis’ in het spel, een imitatie als navolging (geen na-aperij, wel voorbeeldigheid), die zich in mijn verbeelding afspeelt op het grensgebied van werkelijkheid en fictie. Over precies drie weken reis ik bij leven en welzijn voor onbepaalde tijd af naar Korfoe om er zonder ook maar één boek in mijn bagage aan mijn Berlijnmanuscript  te werken, misschien het te voltooien, in de hoop dat de documentaire abstinentie op Korfoe me, verlost van alle leibanden, dwingt tot het formuleren van de essentie vanuit het materiaal dat ik verzameld heb en dat genoeg moet zijn.