Toeval in Berlijn

30 november 2010

In de bundel ‘Campo Santo’ van W.G. Sebald staat een essay over de reisdagboeken van Kafka. Sebald heeft het in dat opstel over een Nederlandse kennis die met de trein van Praag naar Nürnberg reist. Ze vertelt hem dat ze onderweg in de dagboeken van Kafka had zitten lezen in de restauratiewagen. Van al het gelezene herinnert ze zich alleen nog een passage waarin Kafka vertelt dat een van zijn medereizigers zijn tanden schoonmaakt met de hoek van een visitekaartje. Ze herinnert zich dat niet omdat Kafka’s beschrijving zo opmerkelijk was, maar omdat een dikke man in dezelfde restauratiewagen op dat moment net hetzelfde zat te doen: de ruimte tussen zijn tanden met een visitekaartje schoonmaken.

Maar het verhaal klopt niet, of toch niet helemaal. De dame moet Kafka wel heel vluchtig gelezen hebben. Het toeval wilde immers dat ik de bewuste passage in Kafka’s dagboeken gisteren onder ogen kreeg, ongeveer op het zelfde moment dat ik ook Sebalds essay las. Op 5 oktober 1911 noteert Kafka dat hij woedend is op zijn zuster die in zijn kamer is binnengekomen en met een boek aan tafel is gaan zitten. Ze werkt op zijn zenuwen. Maar Kafka kalmeert als ze een visitekaartje uit de houder neemt en daarmee de spleten tussen haar tanden begint schoon te maken. Kafka voelt zijn woede wegebben en begint te schrijven. Dat is geen reispassageverhaal in een trein, maar een heel statisch gebeuren dat zich thuis afspeelt, in een kamer tussen vier muren.

Nadat ik die passage in Kafka’s dagboeken gelezen had, wilde ik me klaarmaken om in het Literaturhaus in de Fasanenstrasse naar een voordracht van de acteur Hanns Zischler te gaan luisteren, iets over Freud. Zischler komt ook voor in een ander essay van Sebald, die hem prijst omdat Zischler als eerste de dagboeken van Kafka op de filmtitels heeft nagevlooid en zo achterhaalde welke films Kafka in de bioscoop heeft gezien. Daarover publiceerde Zischler in 1997 een boek (‘Kafka geht ins Kino’) dat Sebald baanbrekend noemt omdat het de grote invloed van de film op het werk van Kafka onder de aandacht bracht, wat niet eerder was gebeurd.

Toen ik me wilde aankleden om naar Zischlers voordracht te gaan – ik blijf vaak tot laat op de dag in badmantel of pyjama gehuld – constateerde ik tot mijn ontstemming dat ik geen enkel paar sokken meer had, zelfs geen vuile. Ik had net al mijn sokken gewassen. Alle sokken waren nat, en een paar extra droge sokken had ik niet in voorraad. Ik had natuurlijk ook blootsvoets naar de voordracht in de Fasanenstrasse kunnen gaan, maar dat deed ik niet. Ik bleef thuis.

Ter vertroosting pakte ik de krant van zaterdag en wel de literatuurbijlage van de FAZ. Het eerste stuk waarmee ik geconfronteerd werd was van Hanns Zischler, de man wiens voordracht ik aan het missen was. Zijn paginagrote stuk ging over de Parker-romans van Richard Stark, alias Donald Westlake, die door Zischler met veel kennis van zaken werden aangeprezen. Ik stelde me schadeloos voor de gemiste voordracht en las het stuk helemaal door, een goed en spannend essay. Het sprak me aan dat Stark/Westlake, die onder een twintigtal pseudoniemen werkte, onder de schuilnaam J. Morgan Cunningham de misdaadroman ‘Comfort station’ had gepubliceerd en deze roman had uitgerust met een blurb waarop hij als Donald Westlake had geschreven: ‘Ik wilde dat ik dit boek zelf geschreven had.’ Dat had hij dus gedaan.

Zo ontstaan mijn clusters. Ik mag er niet aan denken hoe mijn leven verlopen zou zijn als ik Zischlers voordracht over Freud niet had gemist. Dit stukje zou ik zeker niet geschreven hebben. Maar is dat winst? Wat voor een winst zou dat kunnen zijn als ik gisterenavond de kans van mijn leven heb gemist, en niet alleen gisteren, maar de hele tijd door? Moet ik doen wat ik laat, en laten wat ik doe, en hoe begin ik daaraan of hoe stop ik daarmee?

‘Campo Santo’ van W.G. Sebald verscheen zopas bij De Bezige Bij.

Advertenties

Deelneming

29 november 2010

Hoe zou het nog met de mensen in de Noord-Kaukasische republiek Kabardino-Balkarië zijn?

Vandaag in de Volksbühne. Optreden van Klaus Wagenbach, 80 jaar, links uitgever (de Berlijnse uitgeverij Wagenbach uiteraard) en eminent Kafka-kenner.  Een zo groot Kafka-kenner dat hij in de omgang ironisch Kafka’s langst levende weduwe wordt genoemd. Legde eind jaren vijftig de grondslag van het serieuze Kafka-onderzoek in Duitsland met ‘Franz Kafka – Biographie seiner Jugend’. Zat ooit in Tel Aviv bij Max Brod de originele brieven van Kafka over te schrijven. Trok in de jaren zestig naar Praag om daar met succes de archieven van Kafka’s werkgever, de ‘Arbeiter-Unfall-Versicherungs-Anstalt’, te depouilleren. Ik wilde hem al lang contacteren, nu is het gelukt. Zijn pas verschenen ‘Die Freiheit des Verlegers’ is een goudmijn.

Zwierf daarna lang rond in Kreuzberg en belandde weer in café Jenseits aan de Heinrichplatz/Oranienstrasse. Ontbijt om 16 uur. Lectuur van de ‘Berliner Zeitung’, die op het verleden focust en niet mals is voor Brandenburger Theodor Fontane omdat die nogal opportunistisch de verdediging van jodenhater Treitschke (historicus en politicus) op zich nam. Treitschke in zijn pamflet ‘Unsere Aussichten’ (1879): ‘Die Juden sind unser Unglück.’

In de weekeindeditie van ‘Der Tagesspiegel’ lees ik dat journalist Rolf Brockschmidt, die ik in West-Berlijnse tijden, in een vorig leven, nog gekend moet hebben toen ik Nederlands doceerde aan de Freie Universität, het jeugdboek ‘Nichts’ van de Deense Janne Teller tot zijn lievelingsboek verklaart. Dat doet me plezier, want ik besprak ‘Niets’, de Nederlandse vertaling van dit beklijvende meesterwerkje, zeer gunstig in ‘Knack’. Ik zie Brockschmidt over een week of twee terug, na meer dan dertig jaar.

Afgelopen week ook een gesprek met Marie NDiaye, auteur van ‘Drie sterke vrouwen’, een literaire rots in de branding. Uit afkeer voor Sarkozy is NDiaye, Goncourt-laureate 2009, in 2007 van Frankrijk naar Berlijn verhuisd. Ik had een déjà vu. Binnenkort zie ik haar weer om over Berlijn te praten.

Ferdinand Von Schirach is  ingenomen met het gesprek in ‘Knack’ over ‘Misdaad’. Vorige zondag kreeg hij de prestigieuze von Heinrich von Kleist-prijs. Zijn speech verscheen in ‘Der Tagesspiegel’. Kleist was al even recht voor de raap als strafpleiter von Schirach dat is. Beiden gaan altijd recht op hun doel af.

Vorige week veel leesvoer tot mij genomen, o.a. Sebalds ‘Campo Santo’, maar ook de ‘Onruststoker’ van Fritz Raddatz, herinneringen van nog een tachtigjarige die op mijn programma staat. Zijn DDR-verleden smaakt me, het is niet belegen. Kafka, de DDR en Duitsland, dat zijn mijn ‘plats de résistance’.

En alle dagen kranten, bergen kranten, die ik koop, die ik leen, die ik lees in boekhandels en bibliotheken, in warme cafés en op verwarmde terrassen, het liefst in de buurt van de Victoria-Luise Platz waar ik me volzuig met de geest van Nabokov, Bely, Ehrenburg, Majakovski, Sjklovski, Zvetajeva en al die andere Russen en Russinnen die hier na de Russische revolutie zijn aangespoeld. Ware het niet dat ik mijn boterham moest verdienen, ik zou me van ’s morgens tot ’s avonds verdiepen tot in de uiterste plooien van al die schitterende kranten hier.

Thema

27 november 2010

Zijn aambeien waren een goudmijn voor de schrijver, die ze met plezier heeft uitgespit.

Heilige schijn

26 november 2010

Een homoseksuele theoloog over homofobie in Tridentijnse liturgie Een groot deel van de katholieke clerici in Europa en Amerika is homoseksueel.

Dat zegt de Duitse theoloog David Berger (°1968), die deze week zijn opzienbarende boek ‘Der heilige Schein’ (De heilige schijn) publiceerde. In vertaling luidt de ondertitel: ‘Als homoseksuele theoloog in de katholieke kerk’.

De dubbele moraal van de kerk leidt tot uitwassen, aldus de theoloog, die twee soorten homoseksuele priesters onderscheidt. De ene groep heeft vluchtige seksuele contacten, de andere groep heeft een vaste partner. De moraalopvattingen van de kerk leiden ertoe dat priesters met impulsieve seksuele contacten door hun oversten minder fixeerbaar en strafbaar zijn dan priesters met een vaste partner. De eersten genieten immers een status die doorgaans anoniem is. De tweede groep is veel beter situeerbaar. Dat leidt ertoe dat de kerk duurzame homorelaties onder priesters afstraft en vluchtige seksuele contacten ongewild bevordert.

Vanaf het begin was de jonge Berger gefascineerd door de Latijnse, Tridentijnse liturgie. Hij werd lid van de Poolse ridderorde van de moeder Gods van Jasna Góra en was vanaf 2003 uitgever en hoofdredacteur van het katholieke maandblad ‘Theologisches’. Rond dat blad verzamelen zich geestelijken die vaak met extreemrechtse groeperingen samenwerken. In zo’n radicaal rechts milieu promoveerde Berger tot theoloog.

Berger ervoer al snel dat de traditionalisten religie à la carte bedrijven en uit het katholieke aanbod selecteren wat in hun kraam past. De theoloog spreekt in dit verband over een traditionalistische revolte tegen vrijheid van godsdienst, tegen verzoening met de Joden en tegen het opbrengen van respect voor homo’s, hoewel de katholieke wereldcatechismus van 1994 dat vereist.

Het interessantst is echter Bergers these van een paradox: onder de aanhangers van de Tridentijnse liturgie heerst de grootste homofobie. Tegelijk trekt de esthetica van deze cultus homo’s aan. Berger: ‘Het gaat om een esthetica die als geen andere in het domein van de religie een magische aantrekkingskracht op mannen met een homoseksuele aanleg uitoefent.’ De Tridentijnse cultuur als een homoseksuele subcultuur? Om zijn these te onderbouwen wijst Berger erop dat de handel in liturgische kleding vooral een homoseksuele nijverheidstak is: ‘Alles wat de achttiende en de negentiende eeuw aan kerkelijke kleding van violet tot roze, en steeds met veel gouddraad ornamenteel gedecoreerd, geproduceerd heeft, kun je nu weer bij homoseksuele handelaars in het internet kopen.’

Berger concludeert: ‘Homoseksuele sublimering verschijnt niet alleen als wortel en duurzame voedingsstof van de traditionele katholieke cultus, maar ook als een afweermechanisme dat de homofobie, die onder de vrienden van de klassieke ritus en de tegenstanders van de liturgische hervorming gemeengoed is, uitstekend zou kunnen verklaren.’

Bergers boek verschijnt net op een tijdstip waarin paus Benedictus in het interviewboek ‘Licht der Welt’ verklaart dat homoseksuele prostitués in bepaalde omstandigheden het condoom mogen gebruiken. In datzelfde boek zegt Benedictus dat hij de excommunicatie van de Britse bisschop Richard Williamson niet opgeheven zou hebben indien hij geweten had dat dit lid van de Pius-broederschap een Holocaust-loochenaar was.

In een interview met ‘Der Spiegel’ zegt Berger, die nu openlijk met een partner samenleeft, dat zijn maandblad altijd van hogerhand werd gecensureerd. Als in zijn artikels het thema homoseksualiteit ter sprake kwam, mocht hij het woord ‘levenspartner’ niet gebruiken. Hij moest het vervangen door ‘ontuchtpartner’. Het woord ‘homoseksualiteit’ ervoeren zijn censors als te neutraal. In de plaats daarvan moest hij het begrip ‘tegennatuurlijke ontucht’ hanteren.

Berger verwijt de kerk dat ze zich in een bunkermentaliteit heeft opgesloten. Haar angst voor de wereld en voor een verdorven goddeloze burgerlijke maatschappij leidt volgens de auteur tot collaboratie met evangelicals, Bijbelfundamentalisten en extreem reactionaire krachten.

David Berger, Der heilige Schein. Als schwuler Theologe in der katholischen Kirche, Ullstein Verlag, 304 blz.,18 euro, ISBN 10 3550088558.

IJs

25 november 2010

De ijskraam op de hoek Sundgauer Strasse-Berliner Strasse heeft helaas zijn deuren gesloten. Ik mocht de verkoopster om haar humor. Toen ik er afgelopen zomer voor het eerst langskwam, begroette ze me zo: ‘U komt zeker een ijs halen? Heb ik het goed geraden?’

Meneer Baziel Van de Zande

24 november 2010

Omdat u me in uw mails met uw vragen blijft bestoken, open en besluit ik deze correspondentie met een paar inlichtingen, gewoon uit angst dat u anders uw razzia – er is geen andere naam voor uw recensie van ‘De adamiet’ – op andere plaatsen voortzet.

Goed dan, de echte naam van de adamiet is Lefeu, gemodelleerd naar het hoofdpersonage  uit  de gelijknamige essayroman van Jean Améry (Hans Mayer). Nee, dat kan niemand achterhalen en het heeft ook geen enkel belang, maar u blijft me maar lastigvallen met uw vragen, die u even zeer typeren als uw obsolete en morbide belangstelling voor bijkomstigheden. U vergist zich voortdurend: in de slotregels kotst de adamiet helemaal niet tussen mensen die honger hebben. Bent u dom of te kwader trouw? Ik hoop voor u het laatste.

Ja, het klopt dat de adamiet door de brandwonden die hij ooit opgelopen heeft niet meer in de zon mag zitten, maar daar komt elke aandachtige lezer toch achter? Of hij een hazenlip heeft? Dat zou kunnen, maar daar ben ik niet zeker van. Het zou wel mooi uitkomen, want een beetje gespleten is hij zeker. En de aangeboren hazenlip is natuurlijk het enig overgebleven spoor van een tweeling die nooit geboren is.

Ik had liever gehad dat u in uw ondermaatse recensie van ‘De adamiet’, waarin u me een schoft noemt, wat meer de nadruk had gelegd op de betekenis van al die spiegelende verdubbelingen van vaders, zonen en vooral van broers: de hinderlijke halfbroer van vader Goethe, de getikte schertsbroer van Goethe zelf, de lelijke zuster van Goethe, die in zijn incestueuze ogen een mislukte tweelingbroer is, enz. Of op de betekenis van het gezin, waarin het geboren-worden niets anders is dan een eerste bescheiden kennismaking met de wonderlijke wereld van de psychiatrie.

Ik geef u deze informatie in de hoop dat u me in de toekomst met rust laat en dat u overschakelt op besprekingen van boeken die aan uw niveau beantwoorden. Omdat daaraan geen gebrek is, hoeft u zich over de toekomst van uw broodwinning geen zorgen te maken.

Met definitieve groet

De schrijver

Niets

24 november 2010

De onmogelijkheid om je erin te nestelen is het echte niets.

Evelyne tegen mij in de Chausseestrasse: ‘Vandaag ben je iets te vroeg te laat.’

Over de vorm van ‘De adamiet’ kunnen we kort zijn. De auteur, die het weer eens slim wil spelen, haalt zijn potjes mosterd bij Kafka en Borges, en in het geniep bij Danilo Kis. Ja, ‘De adamiet’ is ook een familiecircus.

De schrijver rammelt er de hele tijd mee, zodat we in dit jaargetijde maar beter een flanellen onderbroek kunnen aantrekken dan naar zijn romannetje te grijpen, dat helemaal uit citaten bestaat, ook waar hij niet citeert, ja, daar nog het meest van al! Het is zonneklaar: de auteur spuit met andermans zaad alsof het het zijne is.

Waar rook is, is vuur. Daaraan is geen gebrek in ‘De adamiet’. Al op de eerste bladzijde is de verteller een reus die de geur van verschroeid mensenvlees opsnuift. Die barbecue gaat maar door tot de laatste bladzijde, die gelukkig nooit veraf is. Blussen helpt niet, want er is ook branding aan het strand, zowaar ik Van de Zande heet. De reus is ook een dwerg, de dwerg een reus, en al die grote en kleine worstjes worden aan het spit geregen en dan… grillen en gillen maar, ha ha!

De schrijver is niet goed snik. Hij heeft te veel Foucault gelezen. Hij schrijft bijvoorbeeld dat de blinde Borges zijn essay ‘Blindheid’ voorleest. En de adamiet kan in stilte roepen! ‘Ssst!’ Ha ha!

De adamiet bespioneert zijn ouders als die hem verwekken, als je niet oppast begin je je nog te amuseren. Het romannetje excelleert in de onbegrensde onmogelijkheden. Zijn vader is nog aan het sterven als de adamiet het ziekenhuis verlaat en zichzelf in de glazen deur weerspiegeld ziet, lelijk als de nacht waarin zijn vader gestorven is. Terwijl het nog niet eens donker is! Leg dat maar eens uit aan iemand die niet gestoord is! En lelijk is hij ook, ha ha, een autobiografie.

De schrijver verbergt nog meer achter dan tussen de regels, de schoft, elke zin is een kast waar een lijk uit valt. Kijk eens, nadat Thomas Mann zijn kanjer ‘Doctor Faustus’ had gepubliceerd, maakte hij een documentair floddertje waarin hij de bronnen van zijn roman toelichtte. Maar hier is het omgekeerd. ‘De adamiet’ is een floddertje, maar om er iets van te snappen heb je een documentaire nodig die qua omvang ‘Doctor Faustus’ overtreft.

De adamiet heeft te veel gelezen, hij is verhit, zijn voeten knellen de hele tijd in de neuzen van zijn schoenen, ik vermoed dat hij twaalf tenen heeft, tien om zijn snelheid op te drijven en twee om ze af te remmen.

Hij is een Don Quichot, die ook alles uit de boeken pikt en ernaar leeft. Café New York in Boedapest lijkt verdacht veel op de groezelige herberg die de ridder van de droevige figuur, uit een koeienstal komend, met een gouden kasteel verwart.

Neuken doet hij alleen langs de artiesteningang. En op het einde kotst hij zijn lijf uit tussen de daklozen op het Moskouplein, je moet maar durven, overgeven tussen mensen die honger hebben.

Baziel Van de Zande