Paranoia in de Volksbühne

6 december 2017

Misschien liet Frank Castorf destijds de stoelen uit de Volksbühne verwijderen omdat hij in DDR-tijden zelf de toneelfanaat was die – luidens de grap die toen circuleerde – naar de psychiater trok met de klacht: ‘Telkens als ik in de Volksbühne zit, heb ik het gevoel dat er iemand achter me zit.’

 

Advertenties

Gisteren bij een goede vriendin thuis. Een vertoning van Lubitsch’ ‘To be or not to be’ uit 1942, hetzelfde productiejaar als ‘Casablanca’. Naar aanleiding van de film hadden we een discussie over het regietheater. Mijn mening dat heel wat regisseurs alleen maar op goedkoop effectbejag uit zijn. Zij: ‘Niet veralgemenen!’ Ik vind een bondgenoot in Jean Cocteau, die in zijn dagboek, in tempore non suspecto (november/december 1942) de volgende notitie maakt over de ongeletterdheid van de ‘artistieke’ kringen waarin hij verkeert. Cocteau schrijft dat ze geen tijd hebben om te lezen: ‘Dat verklaart trouwens waarom cameralieden en regisseurs nooit een toneelstuk zien en nooit een boek lezen.’ Lubitsch bewijst dat er inderdaad toch uitzonderingen op die treurige regel waren/zijn, dat veeleisendheid (het vergt enige inspanning om de intrige van ‘To be or not to be’ te volgen) niet tegenstrijdig met geestig en spannend hoeft te zijn. ‘To be or not to be’ is hoogstaand entertainment, iets wat je in het regietheater vergeefs zoekt. We praatten ook over de Volksbühne. Ik: ‘Een stuk wordt er niet beter op omdat je met je kont op de grond moet gaan zitten in een tijdperk waarin de stoelen al een tijdje uitgevonden zijn.’

 

Deutsche Post

29 november 2017

Gisteren ging ik met een brief naar het postkantoor die ik vanmorgen in mijn brievenbus terugvond. Dat kon niet de bedoeling zijn. De brief zag er helemaal uit zoals ik hem had afgeleverd, alleen zat er nu een keurig stempel op de postzegel. Maar de brief was weer bij mij terechtgekomen en duidelijk niet bij de persoon voor wie hij bestemd was.

Ik onderwierp mijn boemerangbrief nog eens aan een strenge keuring, maar zag niet in wat ik verkeerd had gedaan. Er stond ook geen foutmelding op, en evenmin een onbekend of onbestaand adres.

Ik stapte vandaag naar hetzelfde postkantoor en kwam terecht bij dezelfde vrouw die me gisteren had bediend. Ze trok haar wenkbrauwen op toen ik haar uitlegde wat er gebeurd was. Toen ik haar vroeg hoe ze de vergissing verklaarde, zei ze zonder schroom dat de post nu ook met een bedrijf in onderaanneming werkte. Ze leek zelfs een beetje trots toen ze eraan toevoegde dat de post nu ook postbodes in dienst had die niet konden lezen. Werkelijk, dat zei ze. Daar was ik toch even stil van.

Maar ik raapte mijn moed samen en zei dat dit toch niet de verklaring kon zijn, want dat de besteller die de brief had bezorgd wel degelijk kon lezen, anders had hij mijn brief met mijn naam en adres op de afzenderkant nooit in mijn brievenbus kunnen gooien.

Aan de andere kant van de balie trok de bediende haar schouders op. Ze zei dat de bestellers in onderaanneming niet zo goed waren opgeleid als de postbodes in reguliere dienst. Daaruit moest ik wel afleiden dat de Duitse post in onderaanneming werkt met bestellers die de voorkant van een brief niet kunnen onderscheiden van de achterkant, en die niet weten dat de kant met de postzegel erop die van de geadresseerde is, en de dichtgelijmde kant die van de afzender.

Maar de bediende zei dat het geen alleenstaand incident was, en dat ze de laatste tijd wel meer van dat soort klachten kreeg. Nu ben ik heel sociaal en humanitair aangelegd, en heb de neiging werknemers zelfs voor hun grove fouten in bescherming te nemen, maar nu kon ik het toch niet nalaten de bediende, die al wat nerveus begon te worden (er stond een rij achter me), erop te wijzen dat zelfs brievenbestellers zonder ervaring zouden moeten weten dat je geen brieven mag bezorgen aan de persoon die ze verzonden heeft, tenzij het adres op de voorkant om geheimzinnige redenen hetzelfde als dat op achterkant zou zijn.

Ze trok weer haar schouders op. Ik zei haar dat mijn brief morgen op zijn bestemming moest zijn. Aangetekend en met spoed zou me dat elf euro kosten, glimlachte ze. Maar welke waarborg gaf me dat dat mijn brief daardoor niet sneller weer bij mij zou zijn?

Ik weet niet wat er is gebeurd. Mijn reguliere postbode, een vrouw, zou dat niet overkomen. Ze is heel secuur. Ze bezorgt mijn pakjes altijd keurig aan de huisdeur, hoewel ze daarvoor drie trappen op moet klimmen. Ze krijgt dan ook altijd een behoorlijke nieuwjaarsfooi van me, niet alleen omdat ze strategisch zo belangrijk is, maar ook omdat ik haar mag. Als er al eens een pakje voor mij beneden op de brievenbus staat waar iedereen in en uitgaat, weet ik dat haar vervanger zijn ronde doet.

Ik zou graag de postbode eens zien die de brieven die ik verstuur weer aan mij bezorgt. Die besteller die volgens de bediende van mijn postkantoor in de Berliner Strasse niet kan lezen. Ik zou hem toch eens willen zeggen dat ik minder aan mijn brieven gehecht ben dan hij denkt.

 

Mladic

22 november 2017

Mladic-proces. Gisteren Mladic’ zoon op de televisie. Over zijn vader en diens aandeel in de moslimmassamoord van Srebrenica: ‘Als er een andere, minder competente commandant dan mijn vader aan het hoofd had gestaan, zou het allemaal nog veel erger zijn geweest.’ En verder: ‘De moslims hebben de ogen van Serviërs uitgestoken. Is het leven van een Serviër dan minder waard?’ Altijd hetzelfde liedje: de schuld van de ene met die van de ander verrekenen, dus vergoelijken. Wat hebben de doden eraan?

 

Jamaica

20 november 2017

Alsof Jamaica ooit niet in het water lag.

 

Index

16 november 2017

De katholieke kerk heeft een fijn gevoel voor zinnelijkheid, voor de potentie van de sensualiteit. De katholieke kerk plaatste de boeken van Alberto Moravia op de index, maar niet de films die naar zijn boeken waren gemaakt, waarschijnlijk, aldus de schrijver, omdat de films een afzwakking van zijn boeken waren. Met haar fijne neus voor de erotische prikkel beseft de katholieke kerk dat boeken zinnelijker zijn dan prenten, omdat er geen rem staat op de fantasie van de individuele lezer. Een boek lees je alleen en de tijden dat je er je lippen bij bewoog zijn definitief voorbij. Het is ondenkbaar dat Michelangelo in woorden had mogen vatten wat hij op het plafond geschilderd heeft, om maar te zwijgen over wat hij daarbij heeft gedacht.

 

Dialoog

15 november 2017

Een jongen en een meisje tegenover elkaar in de S-Bahn.

De jongen: ‘Mag ik je kussen?’

Het meisje: ‘Ja, beter nu dan later.’

 

Totalitaire sculpturen

14 november 2017

Sacha Guitry heeft de totalitaire sculptuur doeltreffend en definitief gecastreerd toen hij zich op een beeldenexpositie van Arno Breker in Parijs liet ontvallen: ‘Als deze beelden een erectie krijgen kunnen we geen kant meer op.’ (Vrijdag 15 mei 1942, Orangerie).

 

Valse vrienden

12 november 2017

Het kan niet anders of de vijandschap tussen Polen en Russen wortelt ook in hun talen, die de kiem bevatten van alle misverstanden die de relaties tussen mensen en volkeren kunnen vertroebelen. In geen enkele andere taal zijn de valse vrienden valser dan in het Russisch en het Pools. In het Russisch betekent urod ‘monster’, in het Pools is uroda ‘schoonheid’. Of neem het werkwoord zapomnieć: ‘herinneren’ in het Russisch, ‘vergeten’ in het Pools. Toen de uit Polen afkomstige Andrew Nagorski aan het Monterey Institute of International Studies in Californië Russisch studeerde, kon hij maar niet begrijpen waarom zijn Russische leraren er bleven op hameren dat hij alles moest vergeten wat die hem leerden (Reluctant Farewell. An American Candid Look Inside the Soviet Union, Holt, Rinehart and Winston, New York, 1985).

 

Naarmate mijn behoeften afnemen, voel ik me een rijker mens. Ik ben rustig als ik lees en schrijf. Waarschijnlijk bedoelde Misia Sert ongeveer hetzelfde toen ze zei: ‘Ik heb het hoognodige niet nodig, maar ik zou moeilijk buiten het overbodige kunnen.’ Het zal ook wel te maken hebben met de slotsom van Jean Cocteau over de late start van zijn dagboekschrijverschap: ‘Het bevalt me beter dat ik nu pas dingen opschrijf, nu mijn leven tot bedaren is gekomen en ik weinig meer het huis uitkom.’ Hij was 53 toen hij dat in maart 1942 noteerde.