Hond en stok

30 april 2015

‘Je moet je wapenen met een stok,’ had Spiro, de iconenschilder van Agios Nikolaos, me op het hart gedrukt. Hij had me verteld dat hij elke morgens een paar kilometers liep. Ik had hem gevraagd of hij onderweg geen last van agressieve honden had. Ja, dat kwam voor, die joeg hij weg met de stok waarmee hij van zijn rechterarm een wapen maakte: je hoefde er doorgaans niet eens mee te slaan, de afschrikking ging van de dreiging uit.

Renate, een Duitse schrijfster die zich voorgoed op Korfoe gevestigd heeft en met wie ik eergisteren aan de ouzo raakte, gaat ook de deur niet uit zonder stok. Het is dus niet zo dat je uit de dracht van een stok zomaar conclusies kunt trekken over de leeftijd van de mens die hem hanteert, net zoals de omvang van de hond geen informatie geeft over zijn prikkelbaarheid of bijtgedrag. Je moet wel slaan voor hij bijt natuurlijk. Dat moment valt niet altijd makkelijk in te schatten. Je kunt als wandelaar maar beter een pantalon dragen en hopen dat zo’n naarling eerst daar zijn tanden inzet. Op dat moment moet je slaan, anders vloeit er bloed uit je pijpen.

Je kunt als je het veld in trekt ook maar beter kousen en dichte schoenen aantrekken, zegt Renate, want er zitten adders en slangen in het gras verscholen, waarvan er eentje een dodelijke beet heeft, namelijk die met twee spitse hoorntjes.

Onwillekeurig begon ik de dreigingen van Korfoe te rubriceren, want bij die twee waarschuwingen was het niet gebleven.

Je kunt maar beter een dikke pullover aantrekken ‘s morgens en ’s avonds, en daarover nog een pull, zegt Spiros, de baas van de dorpstaveerne in Agios Nkolaos: onderschat het vermogen van de kil- en vochtigheid van Korfoe niet. Drink geen wijn als je er niet bij eet, zeker geen retsina, voegt hij eraan toe, terwijl hij een paar olijven en wat feta op een schaaltje in mijn richting schuift. In die combinatie is retsina heerlijk, zonder die toespijs smaakt hij na de derde slok naar terpentijn.

Denk maar niet dat hier niet ingebroken wordt, zegt Renate, eraan toevoegend dat nog niet zo lang geleden een junkie met vijfduizend euro uit de supermarkt van de dorpsoverste aan de haal was gegaan.

Het is een wonder dat ik nog leef. Na al die nare berichten van de ingezetenen weet ik niet of ik me de afgelopen drie weken als een held of een idioot – de grenzen zijn zeker vloeiend – heb gedragen, tenslotte heb ik hier al die tijd zonder stok en vrijwel blootsvoets rondgezworven, heb ik de deur van mijn hotelkamer niet afgesloten en heb ik ’s avonds op het terras van pension Elena licht gekleed, met een glas wijn zonder brood naar het geblaf van de honden geluisterd en gekeken naar de gloeiwormen in het struikgewas die bijna even veel licht geven als de verre vissersboten die in de buurt van Epirus hun netten uitwerpen.

Maar er is ook goed nieuws: het vlooienseizoen is nog niet aangebroken, die komen pas in de zomer, als het toeristencircus begint.

Ja, ik heb een stok gevonden die past bij mijn persoon. Ik gebruik hem ook om me af te duwen als ik klim en erop te steunen als ik daal. Met leeftijd heeft dat niets te maken.

Toen ik gisteravond ging wandelen, werd ik gevolgd door het vier maanden oude weeshondje Ira, dat altijd aan mijn voeten ligt en me aankijkt alsof het graag een tik zou krijgen. Ik wilde Ira naar huis sturen, maar hij luisterde niet. Ik begon heel voorzichtig met stenen in zijn richting te gooien, maar daar trok hij zich niets van aan. Hij was met geen stok naar huis te krijgen. Maar onderweg slaagde Ira er met zijn dwerggestalte toch in om alle vervaarlijke viervoeters te neutraliseren, kat en hond, misschien met zijn blik, misschien met zijn geur, misschien met zijn staart waarmee hij zozeer helikoptert dat zijn kont er wat zweverig van wordt.

Zo beschermd door hond en stok kreeg ik dan weer het gevoel dat ik mijn pantalon weer uit kon trekken, maar niet mijn sokken en mijn schoenen. Geef toe, dat is werkelijk geen gezicht, ik zou me zelfs schamen om in afwezigheid van getuigen een selfie te maken. Met leeftijd heeft dat niets te maken.

 

Gisteren ging er een schokgolf door het dorp Agios Nikolaos, en die schokgolf was ik. Wat was er gebeurd? Mijn dagelijkse wandeling langs de kust en Petriti beëindig ik meestal in de dorpskern van Agios Nikolaos, in de taveerne die ook een minisupermarkt is, bijna op de top van de heuvel. Ik sleep me elke dag naar boven via een steil openbaar weggetje, een verticale kuitenbijter. Voor heel wat oude vrouwtjes die ingeduffeld met hun kin op de stok voor hun lage huisjes zitten te suffen, is mijn passage wellicht het hoogtepunt van de dag. Ze stellen me allerhand vragen waarop ik tot hun grote pret het antwoord schuldig blijf. Ik lach wat schaapachtig mee, zoals het hoort op de buiten, want van platteland – zie hoger – kan hier geen sprake zijn. Boven aangekomen neem ik op het pleintje plaats aan een tafeltje tussen de oude mannen die allemaal in Alemania hebben gewerkt en die allemaal Spiros en per uitzondering ook wel eens Spiro heten. Daar drink ik mijn wijn, en laat mijn feta en olijven een tijdje onaangeroerd omdat het een plezier is om ernaar te kijken. Een van die Spirossen op het pleintje had me eergisteren verteld dat ik het dorp ook via een gedeeltelijk door boterbloemen en hoog gras overwoekerde landweg kon bereiken. Die weg is niet gemakkelijker. Integendeel, hij is oneffener, steiler en langer, omdat hij boven de dorpskern eindigt, zodat ik, anders dan gewoonlijk, moet dalen voor ik op het pleintje ben. En kijk, al die Spirossen – behalve die ene natuurlijk – keken ontsteld op toen ze me gisteren uit de andere richting zagen komen en me naar hun taveerne zagen afdalen in plaats van opklimmen. En toen ik na het nuttigen van mijn wijn, die wat bitter smaakte, op weg naar huis was had ik het gevoel dat de oude vrouwtjes, die me immers klimmend en niet dalend en zeker niet vanuit die richting en al helemaal niet zo laat vanuit de dorpskern komend hadden verwacht, plots allemaal goed wakker waren en dat ze me allerlei verwensingen naar het hoofd slingerden omdat ik van het vertrouwde pad was afgeweken. In elk geval priemden hun blikken in mijn rug. Ik had dalend werkelijk het gevoel dat ik de openbare orde in Agios Nikolaos hopeloos had verstoord, een eerste keer door er twee weken geleden te verschijnen, en sinds gisteren nog een keer door er niet te verschijnen zoals het hoort. Het verbaasde me dat ik onderweg afdalend naar mijn pension niet werd gearresteerd. Zelfs de honden blaften harder. En nu weet ik niet meer hoe ik vanavond naar Agios Nikolaos moet gaan zonder het dorp op stelten te zetten. Elke weg, de derde niet uitgezonderd, is nu de verkeerde weg.

 

Ela elia

28 april 2015

Ik zou een gedichtje willen schrijven dat met het vers ‘Ela elia’ begint. ‘Kom olijfboom.’ Maar ik ken geen Grieks, (elia, elia, hoor je de olie kloppen in dat woord?) en naar een olijfboom moet je zelf toegaan. ‘Elia’ kan echter ook ‘olijfje’ betekenen, en waarom zou zo’n glad olijfje niet naar me toe kunnen rollen? Verder is  ‘elia’ niet alleen de naam van de vrucht, maar ook van een schoonheidsvlekje in een ranke Korfiotische vrouwenhals, zwart en pittig als een olijfje. Als ik hier tegen de plaatselijke schone ‘ela elia’ roep, valt de hele vrouw die aan dat olijfje misschien zelfs met een steeltje vastzit als een rijpe vrucht in mijn schoot.

 

What ever will be, will be. Vorige week zondag vond er op de veranda van mijn pension een groots doopfeest plaats, een evenement met tachtig genodigden en een kind. Er was een orkestje uit de hoofdstad Korfoe overgewaaid om de namiddag op te vrolijken. Een paar vrouwen hadden er de dag ervoor al mee gedreigd dat ze me ten dans zouden vragen. Ik besloot boven op mijn balkon te blijven, niet omdat ik niet graag dans, maar omdat ik dat het liefst alleen doe, naakt onder een malse regenbui. Dat het die zondag regende was niet voldoende om me te vermurwen.

Bovendien was ik niet naar Korfoe gekomen om te dansen, maar om te werken. Ook omdat ik hoopte te genezen van een extreme pijn onder mijn ribbenkast, die volgens mij een somatische uitloper was van een kanjer van een depressie waartegen ik in Berlijn tevergeefs had gevochten. En werkelijk, het werk schiet hier aardig op, de pijn schaamt zich om over de drempel te komen. Maar om wild te dansen vind ik het hoe dan ook te vroeg.

Ik wilde me niet aanstellen door me al na een week te gaan gedragen als Zorba de Griek, daar had ik overigens misschien wel de baard, maar niet de benen voor. Daarenboven lijk ik niet op Anthony Quinn en onder de vrouwen was er niemand die op Irene Papas leek, want dan had ik mijn principes ongetwijfeld overboord gegooid. Trouwens, ook Zorba danst het liefst alleen, ik heb het hier nog eens nagelezen in ‘Alexis Sorbas’ (1946), de roman van Kazantzakis, die ik nu misschien nog provocerender vind dan in de tijd dat ik hem in het geniep, want met het vermoeden dat hij mijn seksuele nieuwsgierigheid zou bevredigen, op een lang verleden zomerdag uit het boekenrek van mijn vader had ontvreemd om hem met kloppend hart te lezen onder de dakpannen  die er ook al heet van werden.

Het toeval wilde dat mijn Korfiotische lectuur van de roman samenvalt met die over de verkrachtingen waaronder zoveel Berlijnse vrouwen in 1945 bij het binnenrukken van het Rode Leger te lijden hadden. Nu ontdek ik dat ook Alexis Sorbas een Russische dimensie heeft. Kort na de Russische revolutie werkte de helse Griekse danser in de kopermijnen van Novosibirsk. Daar maakte hij kennis met een bolsjewistisch drankorgel dat er prat op ging dat hij de vrouwen van de rijkaards, die hij eerst had neergeknald, in hun huizen had verkracht: ‘Eerst huilden ze, die duivelse vrouwen, krabden zich en krabden de indringers. Maar langzamerhand werden ze tam, sloten hun ogen en krijsten van genot. Ja, zo zijn de vrouwen…’  Het is niet helemaal duidelijk wie je die laatste zin in de mond moet leggen: de bolsjewiek, Sorbas of misschien zelfs Kazantzakis.

Overigens, de orkestleden bleven slapen. Eentje had ik ’s nachts straalbezopen onder de douche horen zingen en dansen. Ik vraag me af of hij dezelfde was die ik de volgende dag met instrument en al van de trappen zag donderen. Que sera, sera.

 

Water

26 april 2015

Verse sardines, opgebaard in hun laatste olie. Gisteren bracht Michali ze mee uit de vissershaven van Petriti. Hij heeft ze gekookt, ze liggen verscholen in een lauw bed van groente, hun buiken glanzen nog in het harnas van hun schubben, ook al heeft de dood hun zilver afgemat.

De zee is vol vis. Er is zoveel vis, schrijft Lawrence Durrell in ‘Prospero’s Cell’, dat de priesters niet eens overwegen om de zee te zegenen, wat ze wel doen voor de bronnen en de zoetwaterputten, waarvan er nooit genoeg zijn en die nooit genoeg water kunnen geven. Maar dat was tachtig jaar geleden.

Maar water, ‘nero’, heeft op Korfoe nog altijd een kostbare klank. Zou het toeval zijn dat Michali, die mijn pensionnetje runt, loodgieter is, het beroep dat hij in de slappe maanden uitoefent? Het ongewone, borrelende geluid dat ik een paar dagen geleden in de leidingen van mijn badkamer hoorde, kwam – zo vernam ik later – van het aanslaan van de pomp. De reguliere watertoevoer was onderbroken, Agios Nikolaos zat droog, maar hier, in het laag gelegen Notos, kwam via de put nog altijd water uit de kraan.

Het is niet anders te verwachten: veel druk zit er nooit op de leiding. Misschien is dat geen technisch gebrek, maar een bewuste vorm van ontraden. De oude dorpelingen hebben geen badkamer, en wie hier doucht doet dat niet zonder schuldgevoel. In hun ogen is het meer dan een luxe: een vergrijp.

Het besef van de waarde van het water zit hier in de genen. Nog niet zo heel lang geleden stond het bezit van een ligbad hier gelijk met het verspillen van je toekomst, van je leven. Ik herinner me Durrells verhaal van een boer die zijn diensten aanbiedt bij een Brit die zich op Korfoe gevestigd heeft. Als de boer in het landhuis van zijn heer voor het eerst in zijn leven een badkamer ziet, is hij helemaal van de kaart. Hij komt niet eens op het idee dat het ligbad zou kunnen dienen om je te reinigen. Bij de aanblik van het bad slaat de boer een kruis, terwijl hij tegen de huisheer zegt: ‘Mijn heer, bid tot God dat u dit nooit nodig heeft.’

Ook de spoeling in de toiletten is hier dunnetjes. In mijn badkamer met douchecel hangt  boven de wc een Grieks-Engelse tekst met het verzoek  om het toiletpapier niet in de pot, maar in de vuilnisbak ernaast te gooien.  Ik ben een gedisciplineerde gast, maar op die bede ben ik nog niet ingegaan. Met de dood in het hart sas ik een keer of drie, vier, in de overtuiging dat het hier nooit zo’n vaart zal lopen als op Sicilië, waar een Korfiotische reiziger in een vissersdorp terechtkwam dat hem onderdak bood. De Korfioot werd ondergebracht in een hut waarin de wc een gat in de grond was. In het pleegat krioelde het van de vliegen. Hoewel de gast niet snel uit zijn lood was te slaan, deed hij bij het aanschouwen van dat leger vliegen toch zijn beklag bij de visser die zijn gastheer was. ‘Vliegen?’, zei de visser, ‘natuurlijk zijn hier vliegen. Maar als u doet zoals wij allemaal en tot de middag wacht, garandeer ik u dat u hier geen vlieg meer ziet, want dan zijn ze allemaal in de keuken.’

 

Arena

25 april 2015

De zon komt op uit een machtige baai die oostwaarts een scherpe tong uitsteekt. Vanochtend was daarvan niet veel te merken: niets van het roze gloren dat Homerus beschrijft als bloed dat zijn vinger opsteekt, niet om te vermanen, maar om in het gedicht te zijn. Het hemeldek was dichtgeschroefd met wolken waarvan ik me afvroeg waarom ze niet onder hun cementen last bezweken. Maar plots viel er een gat in het dek en kaatste de zon haar licht op het water: aanvankelijk een gouden discus die ook straalde van de blinde kracht waarmee hij was geworpen. Vanaf mijn balkon werd die lichtkring, die de grootte van een arena had, niet milder, maar kreeg de kleur van verhit zand waaruit glas geblazen wordt. Toen werd het licht zijiger, de arena met bladgoud overtrokken, flinterdun. Een moment vreesde ik dat de dolfijnen – nerveuze, door eigen schaduw bereden stippen op dat flonkerende palet – door de bodem naar de bodem zouden zakken, maar gelukkig kwamen ze niet.

 

Een krijtstreep

24 april 2015

Vanmorgen, toen ik recht uit bed op het balkon stapte: in de verte een dikke krijtstreep op het blauw palet. Een krijtstreep? Was daar een Brit met maatpak, een grote, in zee gegooid? Maar toen ik mijn bril had opgezet, had de streep plaatsgemaakt voor een rij dichte meeuwen die daar waren neergestreken. Bijzienden zien altijd meer, of beter, goedzienden zien de wereld maar één keer.

 

Nu

23 april 2015

Windstilte. Waarom het rimpelt weet het water niet.

 

Vandaag maakte ik kennis, zeer kort, met George Lithgow, de kleinzoon van graaf John Lithgow, een excentrieke Schot die zich in de jaren dertig in de vallei van Di Ropa, niet ver van Ermones, aan de westkust van Korfoe, aan de voet van een rotspunt die Peleka heet, uit de wereld teruggetrokken had. Vanuit zijn kluis had John Lithgow met meer dan matig succes willen bewijzen dat Shakespeare op Korfoe was geweest om er een stuk te schrijven dat ‘The Tempest’ zou heten. Ik was in de buurt van de Evraica, de voormalige joodse wijk van de hoofdstad, met hem in gesprek geraakt in een taverne waarin ik was binnengestapt omdat haar naam me intrigeerde: de tsin-tsin-beera-bar. George, die er met de gel in zijn pikzwarte haar eerder maffioos dan Schots uitzag, zat er scheef tussen zijn koffers, want hij stond op het punt naar Glasgow terug te keren. Omdat de tijd krap was, raakten we snel in gesprek. In een bevlieging van wederzijdse hoffelijkheid hadden we voor elkaar een zo diepe buiging gemaakt dat onze schedels tegen elkaar waren geknald, een explosie waarop we, vonden we, nog haastig moesten klinken. George bestelde twee keer bier, opmerkend dat het Korfiotische erfdeel van de twaalfjarige Britse bezetting – 49 jaar, corrigeerde ik – uit twee dingen bestond: cricket en ginger beer. Meteen was de naam van de taverne verklaard, want tsin-tsin-beera is de Griekse verbastering van dat bier. George zelf, een gedrongen gestalte met schoensmeerhaar, leek met zijn kleine handen en voeten sprekend op Lord Byron, en daardoor ook op het portret dat hij me van zijn grootvader toonde. Hij vertelde me dat hij in Ermones had gelogeerd in een pension dat Elena heette, wat onze korte verbroedering bezegelde, omdat mijn pension aan de andere kant van het eiland niet anders heette. George, die voor de eerste keer hier was, was tijdens zijn weekverblijf in Ermones op zoek gegaan naar het afgelegen, Venetiaans uitziende landhuis waarin zijn grootvader had gewoond, gewerkt en nagedacht, maar in plaats van een rustieke villa die door oeroude cipressen werd verduisterd, had hij tot zijn teleurstelling alleen maar een ruïne aangetroffen, en in de overwoekerde tuin een fragment van een marmeren blad dat waarschijnlijk ooit tot een tafel had behoord en ook nog drie frêle vingers van een beeld waarvan niet alleen de hand zoek was geraakt. George was net als zijn grootvader een literatuurliefhebber. Ik had helaas niet meer de gelegenheid om hem te vragen of hij de opvattingen van zijn grootvader over Shakespeares exploratietocht op Korfoe deelde en hoe zijn voorouder daarop gekomen was. Net voor George in de taxi stapte die hem naar de luchthaven zou brengen, werd zijn blik melancholiek en bekende hij dat hij, net als zijn grootvader, in de literatuur vertroosting zocht voor al de ongelukkige liefdes die van zijn leven weliswaar geen puinhoop, maar toch een hoop puin hadden gemaakt. Ook in dat opzicht leek hij dus op zijn grootvader John, die voor een kluizenaarsleven in de diepe vallei van Di Ropa had gekozen. Niet dat George een vrouwenhater was geworden. Hij duldde de dames, zei hij, terwijl hij zijn neus optrok en in zijn lege bierglas een blik gooide die nog zwarter was dan zijn haar. ‘Vrouwen vermoeien me,’ zei hij, ‘ik nodig ze niet meer uit. Ze praten als engelen over mijn poëzie, tot ze een spiegel in de kamerhoek zien staan.’ En met die bittere boodschap verdween hij op Korfoe uit mijn leven en uit de tsin-tsin-beera-bar.

 

Kont

21 april 2015

Twee boerinnen wroeten in de grond. Voorovergebogen lijken ze alleen maar uit kont te bestaan. Een verliest achterwaarts het evenwicht, kijkt na haar landing verdwaasd in het rond. Maar het was een pijnloze val, want alles is zacht en rond: de aarde, het achterwerk en de buiken waarmee we schuddend lachen.