Oudejaarsavond

31 december 2012

Verslikkelijk.

Advertenties

De gouwleider heeft geen formaat voor krokodillentranen.

In Gent

30 december 2012

In Gent, in ’t park
een beeld
een man zit op een paard
in beugels van metaal

daar staat hij
in de bui die hem
gegoten zit
met groen in ‘t brons

het hoofd heel donker,
uitgewoond
ware het niet
door gevogelte bekroond

is het winterlicht
of is het schijtsel op
een oor
dat met parelmoeren vleugels fladdert?

hoor toch hoe het
koert in ’t park
zie toch
hoe hij kijkt met ogen
die de mijne zijn
en hoe hij kijkt
waarnaar hij staart

later is alles dicht
tot aan de
gordijnen
toe
die wonderlijk
verschijnen in
afwezigheid van licht.

Frustrerend

29 december 2012

Op het perron aan de grond genageld staan.

Het ziet ernaar uit dat de laatste zucht van De Moor (althans in 2012) voor Salman Rushdie’s Joseph Anton zal zijn.

Scratching

22 december 2012

Ik heb medelijden met het glas in Berlijn. Niets wekt blijkbaar zoveel agressie op als glas, dat merk je aan het verbrijzelde glas van de telefooncellen, de met messen en sleutels bewerkte vensters van bussen en treinen, de toegetakelde vitrines van de zaken die niet met rolluiken beveiligd zijn. Maar aangezien glas weerspiegelt, vermoed ik dat achter die agressie tegen een materie die zich niet kan verweren ook een vorm van zelfverminking schuilt. Gesublimeerde automutilatie.

Het ouderschap is op verschillende manieren uniek. Als het kind ouder wordt zijn z’n jaren niet echt van tel in de ogen van de ouders. De oorzaak van dat fenomeen is niet dat de ouders het kind klein willen houden, maar dat het in hun ogen en hun fantasie op om het even welk ogenblik en in één ogenblik alle leeftijden kan hebben die het ooit heeft gehad. Ouders zien hun kind haast nooit alleen in de tegenwoordige tijd, maar tegelijk ook min of meer bewust in de wisselende verleden tijden waaraan het deel heeft gehad. Hoe ouder het kind wordt, hoe beter het deze metamorfose belichaamt. Kinderen zijn in de ogen van hun ouders niet alleen wat ze zijn, maar ook altijd wat ze waren. Het is alsof je een net uitwerpt en bij het ophalen dode en levende dingen uit verschillende tijdperken in één oogopslag waarneemt. Dat verschijnsel, waarin verschillende perspectieven simultaan geopend worden, is een bron van vreugde en melancholie.

De Treitschkestraat

21 december 2012

De inwoners van Berlijn-Steglitz hebben in een referendum de wijziging van een straatnaam verworpen. Een zijstraat van de Schlossstrasse blijft de Treitschkestrasse heten. Heinrich von Treitschke (1834-1896) was een erudite antisemiet. Als doyen van het nationalistisch gezinde professoraat van de Berlijnse universiteit ging hij in de Preussische Jahrbücher tegen de vermeende hegemonie van de joden en hun ontwrichtende (‘zersetzende’) invloed op de Duitse waarden tekeer. Van Heinrich von Treitschke stamt de beruchte zin ‘Die Juden sind unser Unglück’, een uitspraak uit 1879 die onder Hitler het motto werd van het NS-strijdblad Der Stürmer. Treitschke schreef zijn vermaledijde zin een paar jaar na de Berlijnse beurskrach van 1873, toen 61 banken, 116 industriële ondernemingen, vier spoorwegmaatschappijen en ontelbare bouwondernemingen op de fles gingen.

Zijn de Steglitzers nu antisemieten? Dat geloof ik niet. Ook Rilke, Fontane en vele andere Duitse kunstenaars en intellectuelen, zelfs Duitsers (Marie von Ebner-Eschenbach) die verenigingen tegen het antisemitisme stichtten, hebben antisemitische uitspraken gedaan. De Duitse liberale schrijver Theodor Fontane verklaarde dat de crash zijn filosemitisme zwaar op de proef had gesteld. In Fontanes roman L’adultera komt een ambtenaar voor die Bismarck verwijt dat hij de joden na-aapt: ‘Hij heeft iets plagiatorisch… hij heeft zich de gedachten van anderen toegeëigend, goede en slechte, en ze met behulp van royaal beschikbare middelen in daden omgezet.’ Moeten nu alle Fontane- en Rilkestraten worden omgedoopt?

Misschien is het maar beter om straatnamen ongemoeid te laten. Of om ze in de toekomst niet meer naar prominenten te noemen. Of, als men ze er toch naar noemt, dat niet direct als eerbetoon te doen. Maar het blijft een heikel onderwerp. Wie zou in een Goebbels- of Goering-, laat staan in een Hitler-straat willen wonen? Maar heel wat mensen wonen wel in een Rommelstrasse, waarvan er vier in Duitsland zijn. (Maar gaat het om Hitlers veldmaarschalk Erwin Rommel, of om diens zoon Manfred, die burgemeester van Stuttgart was?)

Om op de Berlijnse financiële crash van 1873 terug te komen: voor het eerst fungeerden toen de joden in de nieuwe Duitse nationale staat als zondebok. Is het denkbaar dat er nu, bijna 150 jaar later, Europese antisemieten bestaan die het betreuren dat er geen (of onvoldoende) joden meer zijn om als zondebokken voor de zogenaamde eurocrisis te fungeren? Fantoomantisemitisme?

Nu we toch met die crash bezig zijn: na de collaps trommelde Bismarck zijn ‘privéjood’ en financiële adviseur Gerson von Bleichröder op en adviseerde hem om de adellijke investeerders uit de penarie te helpen. Voor de kleine beleggers deed Bismarck niets, integendeel, tot de Franse ambassadeur liet de ijzeren kanselier zich van zijn roestige kant zien en verklaarde dat die gerust konden verzuipen, absaufen in het Duits.

Grimm

20 december 2012

Het was een blauw boek dat mijn ouders me schonken. Ik kon nog niet eens lezen wat er stond. Maar mijn vader las me eruit voor. Aan de hand van de suggestieve prenten – ze waren niet van Anton Pieck – reconstrueerde ik de verhalen voor mezelf als mijn vader er niet was of als hij geen tijd voor me had. Op die manier hoefde ik ze niet te missen: de sprookjes van Grimm, die later, toen ik wel kon lezen, mijn kinderlijke oase werden, want in die verhalen was aan bronnen en bossen geen gebrek. Het blauwe boek is verdwenen. Maar nog altijd probeer ik de magische sfeer van toen weer op te roepen door me in een Grimmse vertelling, die haast altijd een grimmige vertelling was, te verdiepen. Verdiepen is het juiste woord, want om de een of andere reden is het lezen van een sprookje altijd een duik, misschien heeft het te maken met het opduiken van de bot uit De visser en zijn vrouw.

Het is hun goede vriend Achim von Arnim die de gebroeders Grimm waarschuwt dat ze niet langer moeten dralen met het publiceren van hun sprookjes. Als ze blijven streven naar volledigheid zal er nooit iets van in huis komen, aldus Arnim, die voor een goed contact met de Berlijnse uitgever Georg Andreas Reimer heeft gezorgd. Op 20 december 1812, precies 200 jaar geleden, verschijnen in Berlijn de Kinder- und Hausmärchen, 475 bladzijden, in een oplage van 900 exemplaren.

De uitgave is ook het resultaat van een hoog oplopende discussie tussen de twee broers Wilhelm en Jacob Grimm. Jacob zou de sprookjes het liefst onbewerkt presenteren, een principe dat hij als strenge filoloog voor alle oude teksten huldigt. Maar Wilhelm zet zich door. Hij bewerkt de verhalen. Ook in die lichtjes opgepoetste vorm blijft de toon van de sprookjes echter droog.

Het is een misverstand te geloven dat de sprookjes van de gebroeders Grimm direct uit oude bronnen zijn geplukt. De broers zijn niet op stap gegaan om ze in verafgelegen Duitse streken te verzamelen. De namen van de oorspronkelijke vertellers zijn bekend. Het zijn bijna allemaal intellectuele vrouwen die tot de kennissenkring van de Grimms behoren: Marie en Dortchen Hassenpflug (de latere vrouw van Wilhelm) uit Kassel en Friederike Mannel, een domineesdochter uit Allendorf. Deze vrouwen hebben met elkaar gemeen dat ze de Franse taal machtig zijn en dat ze een hugenotenachtergrond hebben. Daarom is het niet verwonderlijk dat hun vertellingen grote overeenkomsten vertonen met het sprookjesrepertoire uit het Frankrijk van de 18de eeuw.

Verder behoren de families von Haxthausen en Droste-Hülshoff uit Westfalen tot de bronnen van de Grimms. Dorothea Viehmann, de zogenaamde ‘Märchenfrau’ uit Kassel, benadert nog het best het beeld van de getaande grootmoeder die aan het haardvuur oude volkssprookjes in de orale traditie vertelt, maar het is dan ook typisch dat deze wantrouwige volksvrouw eerst weigert haar sprookjesschat aan de geleerde broeders Grimms door te geven. Voor de mannelijke inbreng van de verhalen zorgt Johann Friedrich Krause, een gepensioneerde militair die van de Grimms afgedragen kleren in ruil voor zijn verhalen krijgt.

Als de sprookjes rond kerstmis 1812 verschijnen, vindt de kritiek dat de filologische referenties achteraan overbodig zijn, dat de verteltoon onvoldoende op kinderen is gericht en dat die toon te schraal is. Geen wonder dat de Kinder- und Hausmärchen slecht verkopen. Een deel van de oplage gaat zelfs in de ramsj. Een tweede editie uit 1819, dit keer met getekende illustraties van Emil Ludwig Grimm, een jongere broer, is evenmin een succes.

Weer is het Wilhelm die zich de kritiek ter harte neemt. De volwassenen moeten zin krijgen om de sprookjes aan hun kinderen voor te lezen, meent hij. Jacob is het daarmee niet eens en trekt zich uit het project terug. Wilhelm begint de sprookjes opnieuw te bewerken en kleedt ze in volgens de smaak en de morele normen van zijn tijd. Hij grijpt stilistisch doortastend in, wat tot gevolg heeft dat de sprookjes worden gespekt. Hij siert hun rudimentaire karakter op met atmosferische beelden waardoor de verhalen die typisch Grimmse toon krijgen: altijd is de koningsdochter ‘mooi’, het bos ‘donker’, de linde ‘oud’, de bron ‘koel’ en vooral zijn de tijden ‘oud’. Al die adjectieven ontbreken in de oudste versie van het sprookje De kikkerkoning of de IJzeren Hendrik.

Maar een echte doorbraak in Duitsland en daarna in de hele wereld komt er pas als de ‘kleine uitgave’ van 1825 met een selectie van vijftig sprookjes verschijnt die naderhand tot de beroemdste zouden gaan behoren. Als voorbeeld dient een succesrijke Engelse selectie die een van de eerste vertalingen van de Grimmse sprookjes was. De Duitse ‘kleine uitgave’ verschijnt in een oplage van 1500 exemplaren en wordt tijdens Wilhelm Grimms leven nog negen keer gedrukt. Dat succes zorgt ervoor dat de aandacht van de Duitse lezers nu ook begint uit te gaan naar de oude ‘grote uitgave’ die zich vanaf de derde editie in 1837 eveneens begint door te zetten.

De gebroeders Grimm hebben een schat van oude teksten uitgegeven, maar geen enkele zou de beroemdheid van de verzamelde Kinder- und Hausmärchen evenaren. Mondiaal zijn de sprookjes het meest verspreide boek in de Duitse taal. Een prachtige uitgave verscheen vorig jaar in de door Hans-Magnus Enzensberger gestichte ‘Andere Bibliothek’ in Frankfurt: Es war einmal, gepubliceerd en becommentarieerd door Grimm-kenner Heinz Rölleke en weergaloos geïllustreerd door Albert Schindehütte. Een uitgebreide Nederlandse editie verscheen in 2006 bij Lemniscaat in een vertaling van Ria van Hengel en met illustraties van Charlotte Dematons.

Gelooft u in engelen?

19 december 2012

– Nare droom. Ik lig op een coach. Er wordt me een briefje onder de neus geduwd met het bericht ik dood ben en dat de plechtigheid overmorgen plaatsvindt. Beklemmend is vooral het gevoel dat er geen ontkomen aan is. Verontwaardiging ook: wie heeft me dat gelapt? Ik weet niet eens: word ik begraven of gecremeerd? Ik vind het smakeloos om me met het nieuws van mijn overlijden te confronteren op een moment dat ik al dood ben, alsof ik het nog eens moet overdoen.

– Misschien kunnen Vladimir Poetin en de leiders van de orthodoxe kerk die twee jonge vrouwelijke leden van de band Pussy Riot in een strafkamp hebben gestopt misschien iets leren van het volgende stichtende middeleeuwse verhaal. Een goochelaar wordt erop betrapt in een kapel voor een madonnabeeld met zijn kleurrijke ballen te jongleren. De vorst, zijn soldaten en de monniken willen hem grijpen, maar de moeder Gods slaat hen de wapens uit de hand, glimlacht naar de goochelaar en werpt haar gouden schoen in zijn muts.

– Als de Amerikaanse joodse schrijver Tuvia Tenenbom (Allein unter Deutschen, Suhrkamp) in München het Duitse spoorwegmuseum bezoekt, constateert hij dat in het Hebreeuwse woord ‘welkom’ drie spelfouten staan, in het Arabische geen enkele.

– Ik wil ook de socratische methode van Tenenbom even toelichten, een procedé waarmee hij al zijn gesprekspartners in de gordijnen jaagt, maar waardoor hij mijn sympathie wint. Hij is nooit op zijn mond gevallen. In de joodse gemeente van München maakt hij kennis met Steven Langnas, de opperrabbijn die de gewoonte heeft de engelen te begroeten als hij zijn woning betreedt:

-T: Gelooft u in engelen?
-Ja, natuurlijk.
-T: Wat doen de engelen?
-Ze begeleiden de mensen en beschermen hen tegen ongelukken.
-T: Waarom gebeuren er dan auto-ongelukken?
-Omdat God de engelen soms negeert.
-T: Als dat zo is, kan God de mensen dan niet ook zonder engelen beschermen?
-Natuurlijk kan hij dat.
-T: Waarom hebben we dan engelen nodig?
-Wilt u een borrel?
En ja, bij die borrel moest ik denken aan Socrates die de gifbeker drinkt.

– Wat de politieke trends van het voorbije jaar betreft is het opvallend dat de functie van minister van Buitenlandse Zaken in de Europese landen niets meer te betekenen heeft. Niemand kent hun namen nog. De regeringsleiders en staatshoofden hebben de job feitelijk overgenomen. De buitenlandministers lopen er voor spek en bonen bij.

– In zijn nieuwe bundel essays Über Juden (Suhrkamp Verlag) meent de Hongaarse schrijver György Konrád dat het voor een jood beter is om zich als jood kenbaar te maken en zich zo van de anderen te onderscheiden: ‘Want als we ons op voorhand als gelijken verklaren, zal voortdurend dat wat ons onderscheidt aan de oppervlakte willen komen. Maar als we ons op voorhand als anders presenteren, zal voortdurend het gemeenschappelijke aan het licht treden.’

– EU-commissievoorzitter José Manuel Barroso heeft er bij de Roemeense president Basescu op aangedrongen om de oplichter Victor Ponta, die zelfs zijn dissertatie bijna helemaal heeft afgeschreven (en niet wil dat hij daarop aangesproken wordt, zie het Spiegel-interview van 23/7/12: ‘Fragen zu seiner Dissertation, die unter Plagiatsverdacht steht, wollte er allerdings nicht beantworten’) tot premier te benoemen. Barroso voegde eraan toe dat hij zich op een goede samenwerking met Ponta verheugt. Waarom doet Barroso dat? En waarom doet hij dat op een moment dat in Venetië de commissie van de Raad van Europa in een rapport Ponta veroordeelt wegens zijn talrijke inbreuken op de constitutie tijdens zijn vorige regering? Goed, Ponta heeft de verkiezingen gewonnen. Maar tot de democratie behoort meer dan dat. Rechtsstaat en scheiding der machten zijn belangrijker, en ook het respect voor de geest ervan. Precies dat is het terrein dat Ponta helemaal wil slopen. Maar Barroso doet alsof zijn neus bloedt. Hij had Ponta moeten waarschuwen dat hij zijn gang niet kan gaan, maar dat heeft Barroso niet gedaan.

– ‘Hau Dir selber ’n paar in die Fresse, ick hab’ keene Zeit,’ zegt de haastige Berlijner. ‘Ik heb geen tijd’ is de hoogmoedigste uitspraak die een mens kan doen. Alsof er ooit iemand tijd heeft gehad.

– Vrijdag wordt de zanger Reinhard Mey zeventig jaar. In Annabelle, ach Annabelle (1972) zingt de bard over de wending die zijn leven sinds zijn kennismaking met de woeste Annabelle heeft genomen. Sinds hij met haar optrekt raakt haar vereerder van de regen in de drop: ‘Seit diesem Tag gehör ich nicht mehr zur Norm/ denn ich trag jetzt die Nonkonformisten-Uniform.’