Ten slotte het slot

29 juni 2013

In Dahlem, het zuidwesten van Berlijn, bevindt zich het etnologisch museum. Niemand weet wat er met het gigantisch complex moet gebeuren als de inboedel in 2019 overgebracht wordt naar ‘het slot’, het zogenaamde Humboldt-Forum in het centrum van Berlijn. Nog voor het er staat, functioneert het monsterlijke slot – een laffe en reactionaire replica van het Hohenzollernslot dat in 1950 door Ulbricht werd gedynamiteerd – als een pseudoculturele krachtcentrale (met koepel en al) die de Berlijnse periferie leegzuigt. Want het is de functie van het slot, dat niet weet wat het met zijn eigen leegte moet beginnen, om de ankers te lichten die de stad in haar uiteinden fixeren. Intussen trillen de historische bouwwerken in het centrum onder de kop van de boormachine (met de perverse naam Berlinde) die een tunnel graaft voor het overbodige metrotraject tussen Alexanderplatz en Brandenburger Tor. Voor het onderhoud van de parkjes en kasteeltjes in de rand is er echter geen cent meer over. Slotsom: binnenkort kunnen de toeristen die op het stenen monster in het stadscentrum zijn uitgekeken met de metro staduitwaarts van ruïne naar ruïne sporen om zich daar helemaal in de geest van Albert Speer in de verbrande aarde neer te vlijen.

Luiheid

29 juni 2013

De luiheid moge dan het oorkussen van de duivel zijn, zelf slaapt ze nooit.

De koning:

p
_____
grand

à

ci
____
sans

Voltaire:

G a

Oplossing

De Koning: Grand souper à Sanssouci

Voltaire: Grand appetit

Zinnenspel

27 juni 2013

Van al mijn zinnen kan ik me precies herinneren in welke omstandigheden ze zijn gemaakt, vooral de zinnen van wie de ouders luiheid en wroeging heten.

Afgelopen zondag fietste ik naar Westend, een heel eind, met niets anders in de hand dan een oude foto van het huis waarin Robert Walser zijn laatste kwartier had. De foto dateert van 1945. Het huis op de foto is gehavend, er liggen werktuigen en houten balken voor.

Ik had gelezen dat het huis er nog staat. Het kon niet moeilijk zijn het op het spoor te komen. Het is een groot huis en het heeft een torentje met een conisch dak, Hölderlin had er kunnen wonen.

In 1915 schreef Walser over zijn ultieme Berlijnse onderkomen: ‘Op een dag, toen ik op zoek was naar ergens een geschikte kamer, stapte ik in een buiten de grote stad, dicht tegen het stadstreintraject gelegen, zonderling, elegant, ouwelijk en naar me toescheen tamelijk verwaarloosd huis waarvan het uiterlijk me wegens zijn eigenaardigheid meteen buitengewoon beviel naar binnen.’

Het huis lag op de Spandauer Berg, een adres dat nu niet meer bestaat. Om zeker te spelen reed ik in Westend vanaf het Theodor Heussplein (ooit Adolf-Hitler-Platz) de lange Reichstrasse helemaal af, links van me het olympisch stadion en de Waldbühne, tot ik het punt bereikte waar de Spandauer Damm begon.

Daar reed ik weer oostwaarts met gescherpte blik, tot ik het S-Bahnstation Westend bereikte zonder het gezochte huis te hebben opgemerkt. Maar toen ik me op de brug van de stadsring omdraaide, rees het voor me op, precies zoals ik het me had voorgesteld: het torentje, de vier schoorstenen, de balkons. Op de tweede verdieping stond een man op het balkon die in mijn lens staarde.

Hier woonde dus de bescheiden man en grote schrijver Robert Walser die van zijn woning zei dat het er stil was als in een hol waarin je je verborgen kunt voelen, dat het behangpapier er in treurige weemoedige flarden van de muren hing, wat hij verrukkelijk vond, want ‘ik hou zeer van een zekere graad van verloedering en verwaarlozing’. En verder: ‘De flarden kunnen rustig blijven hangen; voor geen prijs laat ik toe dat ze weggenomen worden.’

Hier maant zijn hospita hem, mevrouw Wilke, ze laat hem geen rust (zou Franz Kafka, die Walser bewonderde, ook haar voor ogen hebben gehad toen hij ‘Een kleine vrouw’ schreef?): ‘U moet vroeger opstaan. Ik kan het niet dulden dat u zo lang blijft liggen. Ik lag namelijk dagenlang in bed. Ik lag als in zwaarmoedigheid; kende me, vond me niet meer. Alles dood, leeg en hopeloos voor het hart.’

Mevrouw Wilke sterft en in haar plaats komt mevrouw Scheer, de eigenares. Op de duur houdt Robert Walser voor mevrouw Scheer, die als miljonair vele huizen en kamers verhuurt, de boeken bij. Maar hij ziet geen mens. ‘Naar het gezelschap, d.w.z. daar waar de wereld die de wereld is zich frequenteert ging ik nooit. Ik had daar niets te zoeken omdat ik geen succes had. Mensen die onder mensen geen succes hebben, hebben bij mensen niets te zoeken.’

Aan de rand van Berlijn, tussen de flarden behangpapier, neemt Walser al afscheid van de wereld. In maart 1913 verlaat hij Berlijn. Hij keert terug naar het Zwitserse Biel en schrijft ‘Heimkehr im Schnee’, de sneeuw waarin hij in 1956 na drieëntwintig jaar hardnekkig zwijgen in het Waldau-sanatorium van Herisau tijdens een wandeling waarvan hij niet terugkeert sterft.

Daar stond ik dus voor dat huis. Jammer dat ik het zo snel gevonden had. Een grotere inspanning ware me beter bekomen op die mislukte zoektocht naar de laatste Berlijnse verblijfplaats van Robert Walser, maar was dat falen niet helemaal in zijn lijn, troostte ik me met het beeld en de kamer en het huis voor ogen van de man die in 1925 over zijn Berlijnse jaren schreef: ‘Ons is een jonge man bekend die zijn koopmanscarrière ten gunste van een poëtische loopbaan prijsgaf. De hemel en de menselijke samenleving straften hem daar hard voor. Hij werd schrijver en bleef als zulke bodemloos zonder succes. Toch las men hem, en hij wist het.’

‘Heb ik in huis,’ riep in mijn oor Dirk Borutta, die in de Grossbeerenstrasse nummer 50 een interessant antiquariaat bestiert. Ik had hem gebeld om te informeren of hij de roman ‘Der goldene Löffel’ (1989) van Chaim Noll (°1954) nog in voorraad had. Ik stond perplex: die man moest wel een vleesgeworden inventaris zijn. Dus ik op weg, vrolijk, zonder paraplu, want de bui was mals en ik hard genoeg om ze in mijn voordeel te ondergaan. Met een juwelier heeft Borutta althans één ding gemeen: zijn zaak is transparant (glas) maar altijd op slot. Je kunt niet aanbellen, je moet aankloppen.

Meteen waren we verwikkeld in een boeiend gesprek dat tot sluitingstijd zou duren: over de vader van Chaim Noll (1927-2008), die een hoge schrijver-functionaris was in de DDR, beroemd wegens één boek, dat in de Oost-Duitsland twee miljoen keer gedrukt zou zijn: de oorlogs- en ontwikkelingsroman ‘Die Abenteuer des Werner Holt’ (1960/63), verplichte schoollectuur destijds. Werner Holt: als soldaat twijfelend aan de zegeningen van het Derde Rijk, na de capitulatie (de bevrijding?) overtuigd socialist in de DDR. Dieter Noll maakte dissidenten als Wolf Biermann, Stefan Heym en Rolf Schneider uit voor rotte vis (‘kaputte Typen’).

Maar zijn zoon Chaim had geen begrip voor de stalinisten en zei de DDR in 1984 vaarwel. Ach, de vaders en de zonen. ‘Der goldene Löffel’ is Chaims Nolls visie op de feiten ‘drüben’, zoals het leven aan de overkant van de Muur door de West-Berlijners geografisch precies werd gefixeerd.

In ons gesprek ontpopte Dirk Borutta zich niet alleen tot een kenner van de DDR-literatuur, maar ook van de succesromans die in de DDR door de DEFA verfilmd werden. Hij adviseerde me de anti-oorlogsfilm ‘Ich war neunzehn’ (1968) van Konrad Wolf (de broer van de DDR-‘meesterspion’ Markus Wolf) en vanzelfsprekend ook de verfilming van Dieter Nolls genoemde roman door Joachim Kunert (1965).

Dieter Nolls zoon Chaim Noll leeft inmiddels in de Negevwoestijn. Zijn essays en romans publiceert hij echter nog altijd bij de Berlijnse uitgeverij Verbrecher Verlag (2012: ‘Kolja. Geschichten aus Israel’) in de Gneisenaustrasse 2a, waar ook de heerlijke, anarchistische boekhandel ‘Schwarze Risse’ op de tweede binnenplaats gevestigd is, op een boogschot van Borutta’s zaak.

Van mijn twintig euro kon Dirk Borutta niet teruggeven. ‘Neem maar mee,’ zei hij, en schrijf die zes euro maar eens over.

Dat was dus mijn dag deze namiddag in de Grossbeerenstrasse, eigenlijk ook een oorlogsstraat aan de voet van de Berlijnse Kreuzberg, die echter een echte heuvel met krijgsmonument is: het Berlijnse Waterloo, zeker de voorbode ervan (1813), door de natuur gevormd, een van de Tempelhoofse bergen, kreunend onder een gietijzeren kroon in die malse regen. Victoria.

Horror vacui

25 juni 2013

Vorige week zondag stond ik in Les Délices Normands, mijn bakker in Zehlendorf, aan te schuiven achter een van de hoeken van de Bermuda-driehoek: Frank-Walter Steinmeier, de fractievoorzitter van de SPD.

De twee andere hoeken bestaan uit Peer Steinbrück, als sociaaldemocratische kandidaat voor het kanselierschap ook Pech-Peer genoemd, en Sigmar Gabriel, ook wel Siggi Pop geheten omdat hij vóór zijn SPD-voorzitterschap een tijdlang partijgevolmachtigde voor popcultuur en popdiscours was.

Steinmeier, Steinbruck en Gabriel zijn in de volksmond de Bermudadriehoek omdat ze het gat vormen waarin de SPD verdwijnt.

Bij de bakker bestelde Steinmeier croissants. Een remedie tegen de horror vacui?

Exegese

24 juni 2013

De Duitse christendemocraten hebben hun kiesprogramma voorgesteld. Wat ze beloven introduceren ze met een ‘we zullen’. Wat ze willen verwezenlijken, maar niet kunnen beloven, leiden ze in met een ‘we willen’. Maar er is nog een derde categorie. Daarvan beweren ze dat het ‘we willen’ als een ‘we zullen’ moet worden gelezen.

Moridianen

23 juni 2013

Door gewoonte, routine, sleur, beseffen we misschien niet meer dat we tot onze laatste snik blijven improviseren. Misschien omdat de contouren van onze belevenissen met het ouder worden vervagen. De latere ervaring vervangt de vroegere niet, maar weegt erop en maakt ze onscherp. We zijn als een bladzijde die niet omgeslagen, maar overdrukt wordt, een palimpsest, op de duur onleesbaar voor onszelf en de anderen.

Alle kunst is revolutionair. Ze helpt de mensen zien wat in hun blikveld ligt.

Om een naald in een hooiberg te kunnen vinden moet je eerst een hooiberg hebben.

Rituelen

22 juni 2013

Anders dan ideologieën, die de neiging hebben zich vol te zuigen om te domineren, zijn rituelen superieur omdat leegte hun essentie is. Ze moeten betekenis verliezen om er te krijgen. Omdat het vacuüm hun lotsbestemming is, zijn ze immuun voor om het even welke propagandistische usurpatie. Vandaar dat je rituelen zelfs in groep kunt beoefenen zonder dat je je individualiteit hoeft prijs te geven. Niemand komt op het idee hun leiderschap op te eisen. Je waardeert ze nog het meest door hun bestaan te negeren.