Hitler-klokken

19 februari 2019

Toch een beetje vreemd dat in Duitsland (Thüringen) op de Holocaustdag (27 januari, bevrijding van Auschwitz) nog altijd enkele kerkklokken luiden waarin ‘Alles fuer’s Vaterland – Adolf Hitler’ gegraveerd staat. Zelfs de DDR hebben ze overleefd.

 

Advertenties

Positie

18 februari 2019

Spartelen in een netwerk ligt me minder dan observeren vanuit mijn web.

 

Vrij

16 februari 2019

Mijn vrijheid is me meer waard dan mijn reputatie. Reputatie is het beeld dat anderen van me hebben, vrij ben ik door mezelf.

 

Verschrijving

15 februari 2019

Wie zou niet vrolijk worden van een geslaagde verschrijving als ‘boekenblijlage’?

 

Toen Alain de Bottons ‘Pleasures and Sorrows of Work’ in de ‘New York Review of Books’ van 28 June 2009 in de grond werd geboord, reageerde de auteur in het publiek furieus tegen zijn criticus Caleb Crain: ‘I will hate you till the day I die and wish you nothing but ill will in every career move you make. I will be watching with interest and schadenfreude.’ (29 juni 2009). Niet meteen een ideale opening voor een zakelijk debat. Later betreurde De Botton zijn uitbarsting, en verklaarde wat hij de volgende keer zou doen, nl. de recensent privé aanschrijven. ‘Put this message in an envelope, not on the internet.’ Maar tegelijk pleitte de Botton voor begrip: ‘Books will sink without review coverage, which is why authors and publishers care so acutely about them — and why there is a quasi moral responsibility on reviewers to exercise good judgement and fairness in what they say.’ De Botton adviseerde de recensenten om de vijf (of zes) regels van John Updike (in de inleiding van zijn introduction to ‘Picked-Up Pieces’, 1975), te behartigen:

1. Try to understand what the author wished to do, and do not blame him for not achieving what he did not attempt.
2. Give enough direct quotation – at least one extended passage – of the book’s prose so the review’s reader can form his own impression, can get his own taste.
3. Confirm your description of the book with quotation from the book, if only phrase-long, rather than proceeding by fuzzy précis.
4. Go easy on plot summary, and do not give away the ending.
5. If the book is judged deficient, cite a successful example along the same lines, from the author’s œuvre or elsewhere. Try to understand the failure. Sure it’s his and not yours?
To these concrete five might be added a vaguer sixth, having to do with maintaining a chemical purity in the reaction between product and appraiser. Do not accept for review a book you are predisposed to dislike, or committed by friendship to like. Do not imagine yourself a caretaker of any tradition, an enforcer of any party standards, a warrior in any ideological battle, a corrections officer of any kind. Never, never … try to put the author “in his place,” making of him a pawn in a contest with other reviewers. Review the book, not the reputation. Submit to whatever spell, weak or strong, is being cast. Better to praise and share than blame and ban. The communion between reviewer and his public is based upon the presumption of certain possible joys of reading, and all our discriminations should curve toward that end.’

Zwijgen? Spreken? Een hachelijke kwestie voor wie zich als auteur verkeerd begrepen, beledigd of aangevallen voelt. Edmund Wilson kraakte in ‘The New York Review of Books’ van 15 juli 1965 Nabokovs Engelse vertaling van Poesjkins ‘Eugene Onegin’. Nabokov liet het niet over zijn kant gaan. Hij reageerde op 26 augustus 1965 in hetzelfde blad met niet eens ingehouden woede, en verbrak de regel van de stilte: ‘In the present case, however, things have gone a little too far.’ En meteen daarop begon Nabokov de opinie van Wilson punt voor punt te weerleggen. Ongeacht de ongeschreven regels en de geldende normen, is de kwestie dus toch iets wat iedereen voor zichzelf moet uitmaken, naargelang de aard van het beest. Een lezer greep het Nabokov-Wilson-dispuut aan om zijn conclusie zo te formuleren: ‘Even Nabokov swung hard at silly Wilson… right in front of everyone. Are you fancier than Nabokov?’

 

Ultrakurz…

13 februari 2019

Ik dacht het patent te hebben op het langste Duitse woord ooit:
Ultrakurzwellengeradeausempfänger.
Maar nu ben ik gevloerd door Timothy Garton Ash: Weltpolitikfähigkeitsverlustvermeidungsstrategie
(op de Veiligheidsconferentie van München).

 

De Taliban zijn onder ons

12 februari 2019

In 2011 won Eugen Gomringer, moedertaal Spaans, Bolivië, nu Zwitserland, 93 jaar, de poëzieprijs van de Berlijnse Alice Salomon-school in Marzahn, Berlijn. Een van zijn beroemdste gedichten ‘Avenidas’ uit 1953 werd als hommage aan de zuidgevel van de school in zwarte letters aangebracht:

avenidas
avenidas y flores
flores
flores y mujeres
avenidas
avenidas y mujeres
avenidas y flores y mujeres y
un admirador

dreven
dreven en bloemen
bloemen
bloemen en vrouwen
dreven
dreven en vrouwen
dreven en bloemen en vrouwen en
een bewonderaar

Omdat het gedicht in 2017 als seksistisch en aanstootgevend werd bevonden, werd het van de gevel verwijderd.

Ian Buruma, de ontslagen hoofdredacteur van ‘The New York Review of Books’, antwoordt in de ‘NRC’ van zaterdag op de vraag of hij het gevoel heeft door een uitwas van de #MeToo-beweging te zijn geraakt: ‘Indirect wel, ja. Mensen die zich inzetten voor een beweging hebben sterk de neiging de wereld te zien in termen van vriend of vijand. Lastig voor een blad dat probeert de intellectuele onafhankelijkheid te handhaven. Dat vrouwen als volstrekt gelijken met mannen kunnen samenwerken, is absoluut nodig. Maar “The Review” is niet een orgaan van de beweging. Ook over #MeToo moet je sceptisch kunnen blijven.’ Buruma, die zichzelf ‘toxic’ (besmet) noemt, werd op staande voet ontslagen wegens plaatsing van een omstreden #MeToo-gerelateerd artikel in ‘The New York Review of Books’.

 

Rest vrijheid

10 februari 2019

Voor de mogelijkheid om een rest van (passieve?) weerstand te bieden in een dwangstelsel formuleert Hegel de geslaagde uitdrukking: ‘De vrijheid die nog binnen de verknechting overeind blijft staan’, ‘die Freiheit die noch innerhalb der Verknechtung  stehenbleibt’.

 

Veel, maar ook verdeelde reacties op mijn ‘campagne’. Een goede vriend waarschuwt me voor overkill en schrijft me dat de enige waardige reactie op ‘de kwetsende recensie’ van Alexandra De Vos (recensie in DSdL van 1 februari) op Gunzenhausen ijzige stilte is. Hij verwijst daarvoor naar Hugo Claus en diens mening over recensenten als luizen in zijn majesteitelijke pels. Hij vindt dat ik moet wachten met mijn wraak omdat De Vos zoals alle boekbesprekers ook ooit met een boek voor de dag zal komen waarop zonder enige twijfel een heleboel aan te merken zal vallen. Maar ik ben het slechts op één punt met hem eens. Hieronder een ingekorte versie van mijn repliek.

Beste Karel

Over jouw argumenten heb ik natuurlijk ook nagedacht voor ik eraan begon. Maar ik ben Claus niet. Ik ben geen majesteit en heb ook geen zin om me zo te gedragen, integendeel, ik wil het beeld van de schrijver als diva vernietigen. Waarom zou een schrijver zich als een keizer moeten gedragen? Wat maakt hem beter dan ieder ander die zijn werk naar behoren doet? Is het slikken van onterechte verwijten een vorm van majesteit, of juist van opportunisme, lafheid, conformistisch gedrag? Dat vraag ik omdat dubbelzinnigheid een thema is dat me ten zeerste boeit, en mijn boek is er zowel de kiem als het resultaat van. Kortom, ik volg niet het voorbeeld van Claus, maar heb mijn eigen kompas.

Ik beschouw mijn werk als een ambacht, en als ik een tafel met vier poten maak, voel ik me als door een wesp gestoken als iemand de mensen die die tafel nog niet hebben gezien wil wijsmaken dat hij er maar drie heeft en wiebelt. Is dat niet legitiem? Ik heb geen zin om me zomaar te laten afslachten. Het kan me niet schelen dat ik niet ‘cool’ ben. Je zou het ook anders kunnen zien. Niet-reageren zou ik laf hebben gevonden. Er zijn er genoeg die hun mond houden omdat ze hun kansen voor de toekomst niet willen verbeuren. (Die maken de andere partij alleen maar pretentieuzer en arroganter). Aan dat soort opportunisme, dat je natuurlijk ook onder het mom van morele superioriteit kunt verkopen, heb ik nooit meegedaan. En het naleven van ongeschreven regels interesseert me niet. Maar ik zie dat ik in herhaling val. Foei.

Verweer en strijd behoren tot mijn persoonlijkheid. Ik wilde van de gelegenheid gebruikmaken om iets te zeggen over de kwaliteit van de literaire kritiek, over het gebrek aan sérieux, over de uit de hand gelopen genderdiscussie. Met ‘waardigheid’ heeft zwijgen daarover niet veel te maken, vind ik. Je zou gelijk hebben als mijn bijdragen uit gejammer zouden bestaan, maar ze leveren vooral discussiemateriaal.

Het klopt: de meningen over mijn aanpak zijn verdeeld, sommigen delen jouw opinie, maar anderen vinden dat ik terecht reageer en vinden mijn blog spannender dan ooit. Ik ben er zeker van dat mijn ‘campagne’ niet zonder gevolgen blijft, en dat er op de redactie van DSdL ook wordt nagedacht over mijn bezwaren. Ik steek dus ook mijn nek uit voor mijn collega’s, en als mijn stukjes ook maar een beetje bijdragen aan een degelijker vorm van literaire kritiek, dan is dat een winst waarvan ook de andere collega’s genieten die door losgeslagen pretentieuze recensenten worden ontmoedigd en bedreigd. Op mijn werkkracht zal dat geen invloed hebben, ik ben bezig.

Je weet dat ik het zeer apprecieer dat je ongezouten je mening zegt, en ik hoop dat je dat ook in de toekomst blijft doen, want zo zijn we altijd met elkaar omgegaan, en dat is ook goed zo. Als het anders was, zou je met je opinie overschot van gelijk hebben. Overigens heb je zeker een punt als je zegt dat het nu wel genoeg is geweest. Het argument van overkill aanvaard ik zonder meer.

Heel veel groeten, en tot gauw.

Piet

Naschrift. En natuurlijk verdient zelfs Alexandra De Vos een billijke kritiek als ze ooit een boek publiceert. Ik heb niet het talent van een Dante die zijn vijanden in het inferno gooit en ook niet van een Michelangelo die zijn criticaster Biagio da Cesena tot keizer van de onderwereld maakt en hem afbeeldt met ezelsoren en een penis die wordt verslonden door een slang. Maar hadden Dante en Michelangelo zich door jouw argumenten laten leiden, dan hadden de Divina Commedia en Het laatste oordeel er wel anders uitgezien. In elk geval hulden beide meesters zich niet in ijzige majesteitelijke stilte. Zijn ze daarom in hun menselijkheid minder keizerlijk?

Over dit thema, zie ‘inwijkeling’ of Marc Reugebrink:

De Moor vs De Vos