I confess

28 februari 2015

Niets is gênanter dan te moeten bekennen dat je schrijver bent.

‘Als ik, naar mijn beroep gevraagd, moet toegeven dat ik een schrijver ben, komt het tot een gesprek over poëzie,’ aldus Hans Magnus Enzensberger in een dagboeknotitie over de gevolgen van zijn outing tijdens een reis door de Sovjet-Unie, 1966.

Dat valt nog mee tegenover wat Robert Walser overkomt als hij in Berlijn (1915), op zoek naar een kamer, bij mevrouw Wilke informeert of hij zijn intrek kan nemen in haar huis.

‘”Wat bent u?” vroeg de dame. “Schrijver!”, gaf ik ten antwoord. Zwijgend verwijderde zij zich.’

Zo zie je maar wat ervan komt.

Je kunt maar beter Bach dan Bachmann zijn. Werkelijk, niets is gênanter dan te moeten toegeven dat je schrijver bent. Maar door het op te biechten, ben je het bijna al niet meer.

 

Appetijt

27 februari 2015

In 2014 bijna opgepeuzeld door een depressie, niet eens opgevrolijkt door het feit dat ze me tot het laatste beetje lustte.

 

Kafka’s leven, ingekort

26 februari 2015

Twee weken geleden publiceerde ik in ‘Knack’ het uitgebreide artikel ‘Kafka en de vrouwen’, gebaseerd op een gesprek met Reiner Stach, de auteur van een monumentale, pas voltooide driedelige Kafkabiografie. Ik maakte een grove fout door Kafka te laten geboren worden in 1884 in plaats van in 1883. Een paar dagen liep ik er onbehaaglijk bij, voor de buitenwereld wegens mijn nonchalance, voor mijn binnenwereld omdat ik het leven van Franz Kafka, die niet eens de middelbare leeftijd haalde, nog eens met een jaar had bekort. Onvoorstelbaar dat hij daardoor – om in de sfeer van mijn stuk te blijven – geen enkele van de vrouwen ontmoet zou hebben die zijn schrijverschap hebben bepaald. Geen Grete, geen Julie, geen Margarethe, geen Hansi, geen Felice, geen Milena, geen Dora, niet eens het onbekend Zwitsers wicht W., op wie hij in 1913 in het sanatorium van Riva aan het Gardameer verliefd werd, die in de kamer boven hem woonde (ze communiceerden met klopsignalen) en die hem zegende toen hij op een avond over de borstwering van zijn balkon leunde en naar omhoog keek, aldus Kafka, die zich later in zijn dagboek op 20 oktober 1913 niettemin afvroeg of hij door zijn fixatie op het Zwitserse wicht zijn kans niet had verkeken om vreugde te beleven aan de Russin ‘die mij misschien, wat helemaal niet uitgesloten is, ’s nachts binnengelaten zou hebben in haar kamer die schuin tegenover de mijne lag’.

 

Zelfs toen hij naast haar woonde, schreef Heinrich von Kleist dagelijks aan zijn verloofde Wilhelmine von Zenge passionele brieven, waarop hij meteen een antwoord verlangde. De symbiose verlangde een ononderbroken stroom van brieven, en de kleinste interruptie in die kringloop kwam neer op een ineenstorting van Kleists leefstructuur. Datzelfde radicalisme, diezelfde extreme vrees voor het stollen en afkoelen van de vloeiende lava tussen Praag en Berlijn beheerste Kafka toen hij met Felice Bauer correspondeerde. De briefwisseling was een energiestroom die niet mocht afbreken of opdrogen, ook niet in het weekend (een brief die zaterdagavond in Berlijn gepost werd, kwam reeds op zondagochtend aan bij de geadresseerde in Praag).

Het irriteert Kafka als hij op een brief van Felice moet wachten, het maakt niet uit wat en hoeveel regels ze schrijft, als ze maar schrijft, dagelijks. In zijn onvolprezen Kafka-biografie (‘Die Jahre der Entscheidungen’, deel 2) beschrijft Reiner Stach die energiestroom zoals hij gekoppeld is aan F.: een circuit dat Kafka mentaal overeind houdt (al is hij de gevangene van zijn angst dat de brieven verloren kunnen gaan) en zijn gevoel van eigenwaarde sterkt. Elke verstoring van het circuit maakt hem gek van angst. Net zoals von Kleist eist Kafka van zijn verloofde existentiële exclusiviteit, want ook betekent dat er geen ruimte of excuus is voor verstrooide of lege ogenblikken. Elk dreigend vacuüm wordt anticiperend gevuld door het beeld van de ander.

Kafka behandelde Felices brieven als seksuele fetisjen, aldus Stach, hij vouwde ze altijd weer open, legde zijn gezicht erop, kuste ze en ademde hun geur in. Op reis herlas Kafka haar brieven en sterkte zich eraan alsof het voedsel was. Maar nog eens, even belangrijk als de inhoud was de punctuele bezorging van Felices brieven in Praag. Amper was een brief aangekomen, of er moest al  een nieuwere brief neerstrijken om de ijzige kilte, de koude golfstroom waarin Franz vreesde te verstarren, naar andere oevers af te wenden.

 

Mimisch

24 februari 2015

Vooral in amoureuze en relationele crisismomenten zijn we uit op bevestiging en troost. Om die te verwerven, zijn we bereid de waarheid, die we kennen, geweld aan te doen. We praten en we praten terwijl onze vrienden begrijpend knikken en onze verwachtingen inlossen door partij voor ons te kiezen. Tegelijk weten we: de bevestiging slaat op niets, de troost vindt geen houvast, en in ons binnenste spat de zeepbel al open die we aan het opblazen zijn. Om onze illusies te cultiveren zonder onszelf te vernederen kunnen we maar beter zwijgen, en doen als Karl, die in Kafka’s ‘Amerika’ de vraag van de stoker waarom zijn Duitse ouders hem naar Amerika hebben gestuurd mimisch pareert: ‘Daarbij keek hij de stoker glimlachend aan, alsof hij zelfs voor het verzwegene zijn toegeeflijkheid inriep.’

 

Een afronding

23 februari 2015

Wil ik de oogopslag die Franz Kafka van Felice kreeg toen hij in de zomer van 1916 voor het eerst met haar in Marienbad (Hotel Schloss Balmoral) echt samen was: ‘Maar nu zag ik vertrouwen spreken uit de blik van een vrouw en ik kon mij er niet voor afsluiten.’ Op een postkaart verschreef Kafka zich, want van Schloss Balmoral maakte hij Schoss Balmoral, een bolle Fehlleistung die Kafka corrigeerde nog voor hij de ‘o’ helemaal gerond had. Omgekeerd: in Boedapest (1917) kwam een definitief einde aan Kafka’s relatie met F. Ook een afronding.

 

 

Blikken, gebaren

22 februari 2015

Blikken en gebaren zijn de ware samenvattingen van onze woorden. Het zijn bezegelingen, zoals kus en coïtus. Ook in ‘Het proces’ zijn gedrag en gebaren manifestaties van overbodige woorden, een van de vele paradoxen in het werk van Kafka. De opziener zegt tot de pas gearresteerde K.: ‘Ook zou u helemaal terughoudender moeten zijn met wat u zegt, haast alles wat u daarstraks hebt gezegd zou men ook als u maar een paar woorden had gezegd uit uw gedrag kunnen afleiden, bovendien was het niets voor u uitermate gunstigs.’ Gebaren, blikken en houdingen maken ook Kafka weerloos, dat heeft hij met K. gemeen. Dat leid ik ook af uit een passage van Reiner Stachs grote Kafka-biografie ‘Kafka. Die Jahre der Erkenntnis’ (deel 3). Hoe onbereikbaar Kafka ook was voor vermaningen, toch bleef hij erg gevoelig ‘voor voormalige, gestische, spontane uitlatingen, waaraan hij altijd al een hogere graad van waarheid had toegekend en tegen wier morele implicaties hij bijgevolg vergaand weerloos was. Argumenten ketsten aan Kafka af, maar blikken doordongen hem tot in zijn binnenste.’ Op zo’n moment van doordringing is Kafka immobiel: ‘Hij zit dan als een geest aan tafel, heeft hevige last van claustrofobie en denkt dat elke blik die op hem valt hem doorziet,’ schrijft W.G. Sebald (in ‘Duizelingen’) over dr. K. die op 6 september 1913 zijn intrek heeft genomen in hotel Matschakerhof in Wenen.

 

Ik hou erg veel van Robert Walser, van zijn werk, ook van de man. Robert Walser was even schuw als onrustig. Hij verhuisde van de ene stad naar de andere. Maar zelfs als hij zich ergens voor langere tijd vestigde, bleef hij toch ‘nomadiseren’ of ‘rondzigeuneren’, zoals hij zijn omzwervingen zelf omschreef. Walser hield het nergens lang uit, niet bij anderen, ook niet bij zichzelf. In Bern, waar hij zich in 1921 neerliet, verhuisde hij vijftien keer in zes jaar. Van wat hij zijn ‘schrijverij’ noemde, kon Robert Walser niet leven. Voor een geregeld beroep was hij evenmin geschikt. Walser was even berooid en even trots als de armlastige helden uit zijn verhalen, waarover ondanks al het slapstickachtige een sluier van triestheid hangt.

Walsers teksten werden in kennerskringen al vroeg gewaardeerd. De destijds onbekende Franz Kafka wees zijn vriend Max Brod op de uitzonderlijke kwaliteiten van zijn werk, dat vanaf 1910 in het ‘Prager Tagblat’t begon te verschijnen. Brod moest spitsroeden lopen omdat hij Walser publiceerde: ‘Als cultureel redacteur van het “Prager Tagblatt” heb ik dikwijls gedichten van Robert Walser in de krant gesmokkeld. De chef hield niet van die “gekke dingen.”’

Zijn zeldzame bewonderaars wisten vanaf het begin dat het briljante werk van Walser niet paste in de tijd en dat hij zijn eigen succes niet meer zou beleven. Walser zelf, die geen moeite deed om zijn bohemienreputatie van zich af te schudden, wendde voor  vrij goed te kunnen omgaan met de miskenning van zijn werk. ‘In het algemeen gesproken houd ik niets voor zo gezond als een krachtige portie miskenning, die zeker ook wel nadelen heeft, maar uit de vrolijke verwerking van datgene wat nadelig is, groeit het voortreffelijke,’ antwoordde Walser in 1926 stoïcijns op een enquête van de krant ‘Neue Zürcher  Zeitung’, die aan enkele auteurs had gevraagd of ze vonden dat er in Zwitserland miskende schrijvers waren. Wie bespeurt daarin geen ondertoon van bitterheid?

In de bundel ‘Liefdesverhalen’ (Atlas, 2007) gooit Robert Walser de ernst van de wereld en haar sentimenten voor de leeuwen. De verhalen zijn burleske sprookjes, opgeschreven door een man die besloten heeft om zichzelf voor de voeten te lopen en op te schrijven wat de uitkomst is van deze weerspannigheid tegen zichzelf. ‘Als ik nu geen schrijver, maar een schrijfster was, zou ik hierop aansluitend zo spoedig mogelijk twee boekdelen te schrijven,’ aldus de verteller schertsend op het einde van het verhaal ‘Schets’, een van de vele vertellingen waarin de parodie zich vastbijt in de grote gevoelens uit de stations- en kasteelromans. Want Walser belaagt ons graag in zijn van ironie druipende verhaallappen. Hij doet ons lachen op een manier die ons bevreemdt, omdat hij met literaire middelen aan het komische een dimensie heeft toegevoegd die we nog niet kenden. Zijn verhalen zijn afspiegelingen van een wereld waarin de macht van een hogere ironie de scepter zwaait, wat leidt tot de creatie van een verheven universum dat voortdurend botst met het lapidaire en het triviale, met de banale werkelijkheid waaruit alles is geput en ook wel met het ongeduld van de schrijver, die de wereld op zijn kop zet door zijn operetteachtige en burleske podia te bevolken met schepsels die hij, godgelijk, naar zijn eigen beeld en gelijkenis geschapen heeft.

De uniciteit van Walsers werk zit voor mij in de volgehouden incongruentie van beelden, stemmingen, tonen en natuurlijk ook van walseriaanse idiomen. Alleen in het werk van Robert Walser kunnen personages die Fragmentino of Nervosine heten elkaar ontmoeten in dennenbossen waarin sparren hun ‘schijnheilige baarden’ schudden, waarin de kleur groen ‘diepzinnig’ is of waarin een ooievaar Niagarawatervallen huilt: ‘Als de morgen nadert, staat hij daar nog altijd in zijn nooit genoeg te prijzen smart. Is die even geduldig! En dan te bedenken, dat hij ondertussen verzuimd heeft kindertjes te bezorgen. Hemel, wat een nalatigheid!’

In 1929 werd Robert Walser opgenomen in een sanatorium. Hij overleed op Kerstmis 1956. Zijn lichaam werd in de buurt van Herisau in Appenzell-Ausserrhoden levenloos aangetroffen, bevroren in de sneeuw. Die laatste 27 jaar had Walser niets meer geschreven.

Intussen krijgt Robert Walser in ons taalgebied eindelijk de aandacht die hij verdient. In 2013 verscheen in de Hölderlinreeks van uitgeverij Parrèsia ‘De vrouw op het balkon en andere prozastukjes’ (intro Cyrille Offermans) en recent bij Lebowski ‘De wandeling’, beide in een vertaling van Machteld Bokhove die ook werkt aan de eerste Nederlandse vertaling van ‘Geschwister Tanner’.

PS: Walser en Beckett zijn toch verwante geesten. Ik lach me een kriek om de lapidaire toon van Beckett: ‘Ik lag willoos op bed en er waren drie vrouwen voor nodig om me de broek aan te trekken. Ze leken niet veel belangstelling te hebben voor mijn edele delen, en eerlijk gezegd waren die ook niet bijzonder. Ik had er zelf evenmin belangstelling voor. Maar ze hadden een kleinigheidje kunnen zeggen’ (‘Het einde’).

 

Vasten

20 februari 2015

Kafka voedt zich met zijn honger en gejammer, niet alleen het zijne: ‘‘s Avonds het jammeren van mijn arme moeder wegens mijn niet-eten.’ 16 augustus 1912, Praag.

 

Verraad

19 februari 2015

Kafka’s ‘Amerika’ is een boek over geschonden vertrouwen en verraad aan de lopende band. De roman begint ermee: Karl Rossmann laat de stoker vallen, dat is zijn erfzonde. Dan wordt Karl de hele tijd verraden, door Klara, door mijnheer Pollunder, door mijnheer Green, door zijn oom Jakob enz.