Pierre Anthon heeft veel invloed op zijn maats. Daarom willen zijn vriendjes bewijzen dat Pierre Anthon ongelijk heeft als hij volhoudt dat niets betekenis heeft in het leven. In een verlaten zagerij construeren ze een berg van betekenis. Dat gaat zo: elk kind mag van een ander kind iets afnemen wat voor dat kind van betekenis is. Die voorwerpen belanden allemaal op wat ze de berg van betekenis noemen. Het begint onschuldig met een paar boeken. Maar de eisen escaleren. Elise moet toestaan dat de kist met haar dode broertje wordt opgegraven en op de berg wordt geplaatst. De vrome Kai lijdt er vreselijk onder dat een gestolen Jezusbeeld op de bergflank door een hond als pispaal wordt gebruikt. Geen wonder dat Kai eist dat het meisje Rosa de hond doodt en dat zijn afgehakte kop de top van de berg bekroont.

Zo loopt de situatie uit de hand in het knappe jeugdboek Niets dat de Deense schrijfster Janne Teller (°1964) al tien jaar geleden publiceerde. Sofie wordt verkracht en een zakdoek met bloed en slijm wordt als een offerande op de berg gelegd. Dat is het sein voor een nieuwe eis die in al zijn gruwelijkheid zo realistisch beschreven wordt dat je als lezer op je stoel gaat schuiven.

De berg groeit, de onschuld slinkt. Sofie verliest er haar verstand bij. Alle kinderen raken hun levenslust kwijt en verspelen hun toekomst. ‘We speelden niet meer met elkaar en zagen elkaar nooit meer, behalve een enkele keer bij toeval op straat,’ rapporteert Agnes acht jaar na de feiten.

Dat dit jeugdboek plots mondiaal doorbreekt, is terecht. Niets ontwerpt een realistisch beeld van een puberwereld waarin rauwheid troef is. Het verhaal biedt echte discussiestof over de toedracht dat de groepswil kan ontaarden tot een moordwapen dat zich tegen alle leden richt. Jammer dat de schrijfster aan haar werk afbreuk doet als ze een Amerikaans museum opvoert dat een paar miljoen dollar wil neertellen voor de tot kunstwerk verheven berg. Daardoor holt Janne Teller helaas haar eigen berg van betekenis uit.

——————————————————————————————

Janne Teller, Niets, vertaald door Maaike Lahaise, Clavis, 112 blz., 14,95 euro, ISBN 978 90 448 1178 0.

Advertenties

Veiling

30 oktober 2010

Een dakpan van Villa des Roses! De tanden van De leeuwentemmer! De tube van Lijmen! Het snot van Het dwaallicht! Het roest van Het tankschip! Het eetbakje van Tsjip! De pens van Pensioen! Het gat van Kaas!

Kerk en stilleven

30 oktober 2010

Léonard durft niet meer zeggen dat hij gaat zwijgen.

Lezers die me kennen en die De adamiet gelezen hebben, houden niet op me te vragen of ík de adamiet ben. Ik zou me kunnen verweren door te zeggen: 1) de adamiet erft een bom geld en van zo’n fortuin kan ik alleen maar dromen; 2) de adamiet heeft een oudere broer en mijn broer is zeven jaar jonger dan ik; 3) de adamiet is kinderloos en ik heb twee zoons. Zo zou ik nog een tijdje door kunnen gaan. Maar het baat allemaal niet. Dus verweer ik me tegen al die suggesties met de simpele tegenvraag: ‘Vind je dan dat ik er even lelijk uitzie als de adamiet?’

Nooit in een hokje

29 oktober 2010

In mijn wijde, weidse hemden voel ik me vrij als in een Russische boerenkiel. Ik zwem graag in mijn kleren. In de winkel schat ik mijn kleren altijd op het oog. Ik pas nooit in een hokje.

Griep

28 oktober 2010

Nog eens griep.

Criticus Jan Volker Röhnert schreef een prachtig stuk over de betekenis van de Duits-joodse dichteres Nelly Sachs (1891-1970). Röhnert zegt dat juist het pathos van Sachs een eigenschap is die ons in haar gedichten raakt. De criticus houdt een pleidooi tegen het overal woekerende cynisme en de infantiele ironie in de literatuur. Nog over een bundel van Sachs schrijft Röhnert: ‘Dit “Chor der Würde” illustreert haar verlangen in een elementaire, schijnbaar voorhistorische taal de ervaringen van haar leven en haar tijd uit te drukken; aan te knopen bij de boeken Mozes, de oudtestamentische profeten en psalmisten en zich in een weliswaar negatieve continuïteit van de eeuwenoude smart behoed of ten minste bevestigd te weten’ (FAZ 25 oktober). Nelly Sachs’ werk is net als dat van Paul Celan een literaire verwerking van de Shoah, een onafgebroken klaagzang.

——————————————————————————————

Nelly Sachs, Werke, 2 delen, Suhrkamp, 344 en 426 blz., elk 44 euro.

Intro bij een fragment uit De adamiet

Een Vlaams gezin in de jaren vijftig. Een vader, een moeder en twee zoons. De vader is schrijver. De oudste zoon, Daniël, is rotverwend. Zijn nauwelijks jongere broer wordt vreselijk achtergesteld. Die verongelijkte broer is nog maar een kind als vaders uitgever, mijnheer Vandewiele, thuis op bezoek komt. Die jaloerse broer vertelt het verloop van dat bezoek.

Een fragment

Mijn behoefte om na te bootsen werd nog meer op de proef gesteld toen ik moest constateren hoe vader zich uitstrekte op het veld van de macht. Wat voor een circus was het niet als de komst van mijnheer Vandewiele – de goddelijke Vandewiele – werd aangekondigd. Wat stoof het dan in huis, hoe het al naar stoofvlees rook. Wat werd me de mantel tot ver onder de voering uitgeveegd: ‘Gedraag je!’ ‘Zie dat je met twee woorden spreekt!’ ‘Blijf met je handen uit de koekjesdoos!’ En dit alles omdat mijnheer Vandewiele kwam, mijnheer Vandewiele, die, als ik hem zag roken en drinken (hij kraakte twee flessen wijn en brak op toen er geen derde kwam), voor mij, die niet wist wat het woord uitgever betekende, de innemer was.

En als mijnheer Vandewiele dan gekomen was, zag ik vader als een knipmes buigen, met zijn wrat tot in het stof, zozeer vernederde hij zichzelf voor de verschijning die hij in huis had gehaald. Vanuit mijn schuilhoek zag en hoorde ik hoe vader de gelaatstrekken en de stembuigingen van mijnheer Vandewiele overnam, zodat ik op de duur begon te twijfelen aan wat ik zag. Het ene moment dacht ik werkelijk dat ik twee vaders had en het andere dat er twee Vandewieles aan tafel zaten.

Ik kon vaders rituelen al voorspellen: eerst een blik op de reproductie van Pieter Bruegels De parabel van de blinden, waarover hij altijd tegen de gasten opschepte en uitentreuren herhaalde dat hij haar in het Museo Nazionale di Capodimonte in Napels had gekocht, waarna hij met de punt van zijn gele nicotinenagel over het verre kerkje van Sint-Anna-Pede gleed, alsof hij het zelf geschilderd had, en met een vette knipoog voegde hij eraan toe dat schilders als vrouwen waren, omdat ze altijd konden.

Van de gesprekken tussen vader en mijnheer Vandewiele begreep ik niets. In de rook van hun Groene Michels wonden ze zich op over metselaars die tijdens een eendenjacht in de ark van Noah verzeild waren geraakt. (Later begreep ik dat ze doelden op Hugo Claus, wiens Metsiers – een roman die eerst De eendenjacht heette – met de Arkprijs van het Vrije Woord was bekroond.)

Ik snapte er niet veel van, maar ik kon uit vaders woorden wel opmaken dat hij het over schrijvers had die hun succes niet hadden verdiend, en over het uitblijven van de roem die hijzelf had moeten oogsten, maar ondanks zijn zaaiwerk niet gekregen had. Terwijl er in vaders boeken op elke bladzijde iets te beleven viel, gebeurde er in de boeken van de beroemde schrijvers, die zichzelf kroon en lauweren op het hoofd en achter de oren hadden gedrukt, drie keer niets. Dat drie-keerniets maakte een grote indruk van volledigheid op me: niets, nietser, nietst.

Als het gesprek ten einde liep, werden Daniël en ik opgetrommeld. Vader presenteerde Daniël als de jongen die het schrijven in zijn vingertoppen had (hoewel Daniël zijn veters niet kon knopen), zodat mijnheer Vandewiele hem met vette oogjes monsterde en nog harder aan zijn Groene Michel ging trekken. Daarna was het mijn beurt. Over mij zei vader niets. Hij toonde me als een haring waarvan hij het papier wegtrok, zodat ook mijnheer Vandewiele veelzeggend zweeg en uit verlegenheid aan mijn rechteroorlel trok, alsof daar een vaatje zat waaruit hij nog kon tappen.

En toen mijnheer Vandewiele vertrokken was, kwam er een einde aan vaders gedaanteverandering. Hij verschrompelde deerniswekkend tot zichzelf. De mijnheer Vandewiele die in vader gevaren was, was in de rook van de Groene Michels opgegaan zodra de echte mijnheer Vandewiele de deur was uitgewaaid.

——————————————————————————————–

Piet de Moor, De adamiet, uitgeverij Van Gennep, Amsterdam, 93 blz., 14,95 euro, ISBN 9 789055 155705.

Adamiet, Magris en Berlijn

25 oktober 2010

Gisteren heb ik samen met mijn goede vrienden mijn roman De adamiet gepresenteerd in Estaminet in den Bouw in Kalken/Laarne. Er waren noten om te kraken, in saus gesmoorde koeientongen die aangesproken wilden worden, maagdelijk gehakt dat hunkerde naar eetlust en verder met schuim bekroonde Orvals die in hun glazen als gegoten zaten. De sprekers waren voortreffelijk, het voorgelezen fragment paste in het ambiente. De gesprekken waren werelds, maar nooit laag-bij-de-gronds. ’s Avonds ging iedereen naar huis, zo tevreden dat de omwegen korter leken dan de afstanden in vogelvlucht.

Voor de liefhebbers: zondagavond wordt in Lichtpunt (Canvas) het interview uitgezonden dat ik in Triëst met Claudio Magris heb gemaakt.

Op 1 november vertrek ik na al dat gedane werk weer naar Berlijn.

Enkele maanden geleden  werd in de archieven van de Roemeense geheime politie een romanmanuscript van Dinu Pillat ontdekt. De literaire wereld in Boekarest sprak van een sensatie. Intussen  is ‘Wachten op het jongste uur’ (Asteptand ceasul de apoi) bij de gereputeerde Roemeense uitgeverij Humanitas verschenen.

‘Wachten op het jongste uur’, zo luidt de titel van een romanmanuscript dat recent in de archieven (CNSAS of ‘Consiliul Naţional pentru Studierea Arhivelor Securităţii’) van de Roemeense geheime dienst of ‘Securitate’ was opgedoken. Het script is van Dinu Pillat (1921-1975), een Roemeense schrijver die deze roman in 1948 voltooide. Het manuscript werd vijftig jaar na het communistische showproces tegen de schrijver teruggevonden. De roman is nu in Boekarest gepubliceerd.

De roman van Pillat is een bijzonder interessant tijdsdocument. In ‘Wachten op het jongste uur’ wordt verteld hoe enkele jonge Roemeense intellectuelen in de val van het fascisme worden gelokt. In het middelpunt van het boek staat het voetvolk van de religieus geïnspireerde, fascistische beweging ‘Garda de Fier’ of IJzeren Garde van ‘căpitanul’ Corneliu Zelea Codreanu. Pillat vertelt hoe scholieren en studenten uit de Roemeense steden deel gingen uitmaken van de fascistische doodseskaders ‘Echipa Mortti’, die in de jaren dertig twee Roemeense premiers vermoordden. Pillat probeert te verklaren hoe deze jongeren uit de betere milieus door het christelijk-religieuze messianisme van de gardisten en hun ultranationalistische visie over ‘de nieuwe mens’ werden besmet.

Pillat deed veel research. Hij interviewde na de oorlog tal van ex-legionairs. De schrijver besefte snel dat het thema van zijn roman in het naoorlogse communistische regime taboe was. Pillat werd hoe dan ook in 1959 gearresteerd en in 1960 als terrorist veroordeeld in een showproces waarin ook andere Roemeense intellectuelen terechtstonden (het zogenaamde Noica-Pillat-proces). Pillat kreeg een lange gevangenisstraf, maar werd in 1964 ‘begenadigd’. Hij stierf elf jaar later, 54 jaar oud.

De ‘Frankfurter Allgemeine Zeitung’ publiceert nog enkele wetenswaardigheden over het lot van Pillats script. De schrijver had slechts twee met de machine geschreven exemplaren van zijn roman gemaakt. Gekweld door zijn folteraars bekende Pillat eind jaren vijftig dat hij één manuscript op de zolder van zijn woning had verstopt en dat hij een ander aan een vriendin had gegeven. Pillat werd ook gedwongen de namen te noemen van alle personen die zijn manuscript gelezen hadden. Enkelen van hen werden daarvoor veroordeeld. De aanklagers van Pillat gingen erg selectief te werk bij het omschrijven van Pillats ‘misdaad’. Dat moest wel, want in de roman wordt niet één lid van de IJzeren Gilde sympathiek voorgesteld. Het romanmanuscript zelf verdween in de archieven van de geheime politie (Securitate), en was tot voor enkele maanden spoorloos.

Pillat is de auteur van enkele literair-filosofische essays en verder van de romans ‘Jurnalul unui adolescent’ (‘Dagboek van een adolescent’, 1943) en ‘Moartea cotidiană’ (‘De dagelijkse dood’, 1946). In 1996 werd Dinu Pillat door het Roemeense parlement gerehabiliteerd.