Ihnestrasse 40

31 januari 2013

Tijdens mijn nachtelijke ontmoetingen met Samuel Pepys raak ik over de doeltreffendheid van zijn geheugen niet uitgepraat. Pepys prijst David Bowie omdat die na 35 jaar niet vergeten is dat hij op het nummer 155 van de Hauptstrasse in Schöneberg (Berlijn) heeft gewoond. Maar ik maak hem erop attent dat ik zelf geen enkele moeite heb om de drie West-Berlijnse adressen op te sommen waar ik veertig jaar geleden achtereenvolgens heb gewoond: het laatst in de Hohenstaufenstrasse 6 in Schöneberg (afgebroken, nu een speelplaats), daarvoor in de Kantstrasse 134 in Charlottenburg, en de allereerste maanden, van april tot september 1973, in de Ihnestrasse 54 in Dahlem.

Aangezien de Ihnestrasse in Dahlem zich slechts op een boogschot van mijn huidige adres bevindt, wandel of fiets ik geregeld langs de woning waar ik zo lang geleden op de eerste verdieping kamerde. Ik let dan ook speciaal op het huis nummer 40. Op dat adres woonde Ursel Reuber, de vriendin van Ruth Andreas-Friedrich (1901-1977), een verzetsvrouw die de jaren 1938-1948 in haar Berlijns dagboek (Ik woonde in Berlijn) heeft bijgehouden. In maart 1945 kreeg het huis nummer 40 in de Ihnestrasse een voltreffer. Ursel Reuber werd samen met haar vriendin Eva Gerichter onder het puin begraven.

Ruth Andreas-Friedrich beschrijft op 22 maart 1945 hoe ze langs de Schlossstrasse naar de Ihnestrasse fietst en ontzet voor de puinhoop staat waarin haar vriendin onder de brokstukken ligt: ‘Zo staan we daar dan en kijken – wij en de vreemden -, hoe ze balk na balk, steen na steen weggraven van de drukkende last die Ursel Reuber en Eva Gerichter op de schouders ligt. Steen na steen. Balk na balk. Voorzichtig en ontzettend langzaam. Nu grijpt de ene soldaat diep in het puin. Trekt iets tevoorschijn en gooit het opzij. Een boek, half uiteengereten. Gedichten van Rilke. Ursels lievelingsdichter.’

Later worden de lijken van de twee vrouwen ontdekt en naar de begraafplaats Onkel Tom gebracht. De troosteloze moeder van Eva Gerichter is bang dat de Gestapo het antinazidagboek van haar dochter met anti-Hitler-spotdichten ontdekt. Eva bewaarde het in haar luchtbeschermingstas. Van Eva blijven slechts vijf klompen verkoold vlees over.

Aan die passage moet ik altijd denken als ik door de Ihnestrasse rijd, waar al lang een ander huis – een veredelde bungalow – op de plek staat waar Ursel en Eva stierven. Maar er is nog een andere reden waarom het dagboek van Ruth Andreas-Friedrich me bij blijft. Op vrijdag 4 februari 1944 noteert ze een anekdote waarvan ik meen dat Hans Keilson ze heeft gebruikt als inspiratiebron voor zijn groteske Amsterdamse novelle Komedie in mineur, die zich onder de Duitse bezetting afspeelt.

Op 7 maart 1944 vertelt Ruth Andreas-Friedrich in haar dagboek over Berlijnse kennissen die een Joodse vrouw in hun huis voor de nazi’s verborgen hebben. De onderduikster sterft onverwacht aan een hartverlamming. Waarheen met het lijk?

‘Moet je zo iemand in rook laten opgaan? Door de schoorsteen naar buiten blazen? Wat moet je aan met een lijk dat niet aangegeven is? “We hebben haar in onze wasmand gelegd, met linnengoed bedekt en ’s nachts uit huis gedragen,” vertrouwen kennissen ons toe. “In de Tiergarten hebben we haar eruit gehaald en op een bank gezet.” Ze glimlachen verward. Ze zijn niet erg gelukkig met deze oplossing. Ze zijn niet gewend tussen drie en vier uur ’s morgens lijken het huis uit te smokkelen en doden op eenzame parkbanken te zetten. Veertig jaar lang zijn ze solide burgers geweest.’ Tot zover Ruth Andreas-Friedrich. In Keilsons novelle zetten Wim en Marie hun gestorven joodse onderduiker Nico op een bank in het Vondelpark.

Later lees ik in Wir waren noch einmal davongekommen, de herinneringen van Wolf Jobst Siedler, die als soldaat uit de verloren oorlog naar het verwoeste Berlijn terugkeert, dat Dahlem, waar zich in de straat Falkenried zijn ouderlijke huis bevindt, ongeschonden is gebleven. In ‘Fremd im Zuhause’ noemt hij Dahlem het ‘eiland van de gelukzaligen’. Maar dat gold niet voor Eva Gerichter en Ursel Reuber in de Ihnestrasse.

Ladders

30 januari 2013

Hans Modrow heeft zijn 85ste verjaardag gevierd met de publicatie van het boek Ostdeutsch oder angepasst. Modrow was ooit de coming man van de going DDR. Onder kameraden vertelt Modrow, die niet ophoudt de ondergegane DDR te prijzen, nog altijd graag hoe hij eind van de jaren tachtig in Dresden eens met een hoge Sovjetfunctionaris in de sauna zat te puffen. Voor de deur stond een KGB’er op wacht die Vladimir Poetin heette en die aan de onderste sport van de ladder stond, klaar om hem te beklimmen.

Op de hoogste sport van de ladder, klaar om te vallen, stond DDR-leider Erich Honecker die na de val van de Berlijnse Muur in november 1989 net niet werd gelyncht door zijn dappere, plots uit hun doornroosjesslaap ontwaakte onderdanen.

Honecker en zijn vrouw Margot (die niet alleen wegens haar haarkleur ‘de lila draak’ werd genoemd) doolden toen dakloos door eigen contreien, tot ze onderdak kregen bij dominee Uwe Holmer, die ze vanaf 30 januari 1990 tien weken opnam in zijn pastorie in Lobetal, bij Bernau. Ze kregen er te eten en te drinken en konden er overnachten, terwijl een meute aan de huisdeur ‘geen genade voor Honecker’ stond te schreeuwen en Holmer uitschold voor rode dominee.

Waarom nam de dominee de Honeckers op? Omdat ze dakloos waren, zegt hijzelf. En ook: ‘Ik vond het hypocriet om alle schuld op Honecker af te schuiven, zodat je jezelf kon witwassen.’ Dat het allemaal de schuld van één man was, dat had de nu 84-jarige Uwe Holmer al eens na de oorlog meegemaakt. Holmer nam de Honeckers op uit christelijke overtuiging. Nochtans had hij redenen te over om rancuneus te zijn. Ondanks hun goede cijfers mochten zijn kinderen niet verder studeren in de DDR. Toen zijn vader, die naar het Westen was gevlucht, op sterven lag, mocht de dominee hem niet bezoeken. In Lobetal werd Holmer door acht agenten van de staatsveiligheid in het oog gehouden, vernam hij later.

In de woning van de dominee volgde Honecker op 18 maart 1990 de eerste vrije verkiezingen in de DDR. Toen de uitslag op tv bekend werd gemaakt, gaf Honecker pastoor Holmer de hand met de woorden: ‘Ik wens u geluk met de kiesoverwinning van de christendemocraten.’ Aan die verkiezingen hebben de Honeckers niet deelgenomen. Uiteraard reageerden de Honeckers gepikeerd op Holmers lof voor Gorbatsjov.

In een paginagrote reportage in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 26 januari vertelt pastoor Uwe Holmer 23 jaar later dat hij vanuit Chili nog elk jaar van Erich Honeckers vrouw een kaart krijgt met kerstgroeten, altijd ondertekend met ‘Uw dankbare Margot Honecker’. Maar Holmer neemt het haar wel kwalijk dat ze vorig jaar in een interview met de Duitse televisie gezegd heeft dat de doden aan de Muur hun lot aan zichzelf te danken hebben.

En Erich Honecker? Die is niet meer van de partij. Hij overleed op 29 mei 1994 in Santiago de Chile, waar hij ook begraven ligt.

Welke maatschappelijke conclusies heeft Uwe Holmer uit zijn ervaringen zelf getrokken? ‘Honecker heeft me meermaals gezegd: “De mensen zullen nog versteld staan. Het kapitalisme heeft de natuur van een roofdier”.’ Daar zit zeker waarheid in, aldus de dominee, die de schuld niet bij het systeem maar bij de mensen legt.

Laten we koeren als twee duiven en dan zachtjes in elkander schuiven.

Celan

28 januari 2013

Gruppe 47. Over die groep van naoorlogse Duitse auteurs (en critici) heb ik ooit geschreven dat er een antisemitisch reukje aan zat, althans toch aan zijn aanvoerder Hans Werner Richter. Die mening moet ik herzien na het lezen van de dagboeken (Mittendrin. Die Tagebücher 1966-1972) van Richter, de rector spiritus die de groep vanuit het vorstelijke pand in de Berlijnse Erdener Strasse 8 (de vroegere woonst van uitgever Samuel Fischer) bestuurde en die in zijn dagboek op twintig jaar terugblikt. Mijn aantijging is waarschijnlijk niet terecht, al is Richter werkelijk niet bepaald zachtzinnig of fijngevoelig met de kwetsbare Celan omgegaan, ook niet na diens zelfmoord.

Als Celan op 1 mei 1970 dood uit de Seine wordt gehaald, lijkt dat Richter niet zeer te beroeren, want het eerste wat hem op 7 mei 1970 van het hart moet is dat in de necrologieën niet vermeld wordt dat Celan zijn roem aan de Gruppe 47 te danken heeft. In 1952 had Richter de Joodse dichter uitgenodigd om uit zijn dichtwerk voor te lezen.

In zijn dagboek vertelt Richter zelf hoe de bijeenkomst van de Gruppe in 1952 in Niendorf verliep. Kort daarvoor was Richter in Wenen geweest en had daar een voordracht over de Gruppe 47 gehouden. Daar leerde hij ook de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann kennen, die (samen met Milo Dor) Richter het advies gaf om de in Parijs verblijvende dichter Paul Celan eens uit te nodigen, want niemand anders dan Richter zelf, die een autocratisch invitatiebeleid cultiveerde, had daartoe het recht en de macht.

Richter schreef een postkaart naar Parijs en inviteerde Celan voor een samenkomst van de Gruppe 47 in Niendorf, een plaatsje ten noorden van Hamburg. Celan las er voor de verzamelde schrijvers de gedichten ‘Todesfuge’, ‘In Ägypten’, ‘Zähle die Mandeln’ en ‘Ein Lied in der Wüste’ voor, volgens Richter zelf met succes, volgens anderen juist niet. Richter was toen nog niet van de relatie tussen Bachmann en Celan op de hoogte.

Maar dan Richter in zijn dagboeknotitie van 7 mei 1970: ‘Na de lezing van Celan had ik tijdens het middagmaal heel terloops en zonder enig opzet gezegd dat de stem van Celan me aan de stem van Joseph Goebbels herinnerde. Aangezien beide ouders van Celan door de SS vermoord waren, kwam het tot een dramatisch dispuut. Paul Celan verlangde rekenschap en probeerde me in de positie van een voormalige nationaalsocialist te duwen. Ilse Aichinger en Ingeborg Bachmann huilden en smeekten me onder ware stromen van tranen altijd opnieuw om me te excuseren, wat ik ten slotte deed. Desondanks is Paul Celan me dat altijd kwalijk blijven nemen.’

Wat je Richter toch maar moeilijk kunt vergeven: vijftien jaar na de feiten heeft hij, getuige zijn dagboeknotitie, de tactloosheid van zijn Goebbels-opmerking nog altijd niet ingezien, een houding die volgens Dominik Geppert, de uitgever van de dagboeken, een symptoom is van Richters ‘emotionele doofheid tegenover het leed van de Holocaust-overlevenden, dat anders van aard was dan de angst en de nood die de voormalige [Duitse, PdM] soldaten en krijgsgevangenen zich in de “kaalslagliteratuur” van het hart hadden proberen te schrijven’. Dat is het minste en onschuldigste wat je kunt zeggen over de gemoedsgesteltenis van de Duitse oorlogsveteraan Richter, die zijn afschuw voor Hitler en zijn regime inderdaad nooit verborgen heeft.

* * *

Er zijn nogal wat toespelingen op het element water in de brieven van de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann (1926-1973) aan Paul Celan (1920-1970). In juni 1949 schrijft Bachmann vanuit Wenen naar Parijs: ‘Breng me naar de Seine, we zullen net zo lang in het water kijken tot we kleine vissen zijn geworden en elkaar herkennen.’ Het is precies in de Seine dat Paul Celan, de joodse dichter uit Czernowitz (Boekovina), in de lente van 1970 een einde aan zijn leven maakt.

Celans ouders stierven na hun deportatie (1942) in een werkkamp in Transnistrië: zijn moeder werd door een Duitser doodgeschoten, zijn vader – daar heeft Richter het verkeerd voor – werd door tyfus geveld. In zijn gedichten heeft Paul Celan de slachtoffers van de Holocaust een uniek gezicht gegeven. Zijn gedicht ‘Todesfuge’ dat in 1952 in de bundel Mohn und Gedächtnis werd opgenomen, heeft zich in het naoorlogse collectieve geheugen genesteld. Celans poëzie behoort tot het soort werk waardoor we hoe dan ook beïnvloed zijn, zelfs als we het niet kennen.

In Ingeborg Bachmann ontmoette Celan een zielsverwante, zij het met een totaal andere achtergrond. ‘Nooit hadden ze elkaar kunnen vinden als Bachmann zich niet al eerder uit de door nationaalsocialisme en oorlog bepaalde vader-wereld van haar herkomst was gaan bevrijden en zich al op jeugdige leeftijd uit de volkse gemeenschap van de nazitijd had losgemaakt,’ schrijven Hans Höller en Andrea Stoll in hun nawoord bij de Nederlandse vertaling van de correspondentie (Een dramatische liefde. Brieven) tussen Bachmann en Celan. Ze ontmoetten elkaar in het naoorlogse Wenen en hadden een gecompliceerde liefdesverhouding die ze via hun briefwisseling (1949-1967) probeerden in leven te houden.

Ook de correspondentie verliep moeizaam. Het meeste werd niet uitgesproken. Heel wat brieven werden geschreven, maar niet verstuurd. Een aantal niet verstuurde brieven werden soms in de correspondentie van latere datum ingevoegd. Het verlangen om te spreken rivaliseert met de drang om te zwijgen. ‘Alleen zeg ik soms bij mezelf dat mijn zwijgen misschien begrijpelijker is dan dat van jou, omdat het donker dat mij ertoe dwingt ouder is,’ aldus Celan in een brief van augustus 1949.

De dood van Ingeborg Bachmann was niet minder dramatisch dan die van Celan. Bachmann stierf in 1973 op haar zevenenveertigste aan de gevolgen van de wonden die ze bij een brand in haar appartement in Rome had opgelopen.

Sneeuw

27 januari 2013

De wereld ziet er weer eens uit als het ondergoed dat in de badkamer te drogen hangt.

Een ademtocht

26 januari 2013

De vestiging die mijn flat herbergt dateert van de jaren dertig. De met kolen gestookte tegelkachels in woon- en slaapkamer zijn afgebroken. De weg van de woonkamer naar het balkon verloopt via twee dubbele houten deuren, dubbele dubbelgangers. Tussen die twee met glas opengewerkte deuren kleumt een smalle tussenruimte waarin een microklimaat heerst en die ik het vagevuur noem. In de winter slaat de condens op de binnenkant van het vensterglas in het vagevuur zo slagvaardig neer dat de buitenwereld zijn omtrekken verliest. Die condens, een vage bekende uit de kindertijd, is zelf het kind van mijn ademtocht, die vloeibaar uitdijt op de onderdorpels. De plassen tasten het verfwerk aan, wrikken het met hun van natheid verzadigde, capillaire nagels open, tillen en blazen het op voor ze het verslinden en verscheuren.

Marlene

25 januari 2013

Elk jaar opnieuw trek ik op een dag naar het kerkhof in de Stubenrauchstrasse (Friedenau) om er Marlene te groeten, die er sinds 1992 begraven ligt. Soms in de zomer, nu in de winter. Ik dacht dat ik er een alleenstaande tussen de vele liggenden zou zijn, dat alleen mijn voetstappen in de knerpende sneeuw zouden verraden dat ik er met mijn ademdamp als een masker voor mijn mond op deze koude dag de smalle en voor een zondaar al te rechte paadjes tussen de elkaar verdringende doden had bewandeld.

Maar toen ik de kerkhofmuren via de Südwestkorso naderde, hoorde ik al in mijn oren wat even later door mijn ogen werd bevestigd. Er werd gezongen, een psalm steeg als een zoete peer ten hemel, helder in al die helderheid. Aan een van de graven zong een tros mensen, die groep had de vorm van een compact, langwerpig brood, en boven het brood hing de luchtballon van hun gezang, even dacht ik dat die groep opgetild zou worden door het warme gas dat uit hun kelen en boven hun hoofden uitsteeg en de zangers verbond in een wolk van eenstemmigheid, tot het gezang wegstierf en het brood verkruimelde, wat aan de stemmigheid geen afbreuk deed.

De zerk van Dietrich (34/16) onderscheidt zich in weinig van de andere grafstenen, behalve dat de inscriptie alleen haar voornaam draagt, waarboven de tekst: ‘Hier steh ich an den Marken meiner Tage.’ Het graf is overwoekerd door gebladerte waarvan ik de naam niet ken, ik ben een plantonkundige (plant-onkundige, niet planton-kundige). In het gebladerte, dat leeft van de vogelpootjes die erin ritselen, staat een kleine, verweerde foto van de Berlijnse diva, die als Amerikaanse soldate zingend tegen de nazi’s oprukte. Ze stierf in 1992 in Parijs, daarna werd haar lijk naar Berlijn overgevlogen. Met de haar eigen onderkoelde humor had ze haar dochter Maria Riva (Meine Mutter Marlene) geadviseerd om haar lijk in een vuilniszak te stoppen, haar armen en benen te breken als haar corpus er niet in paste en daarna alles in een grote koffer te verpakken, nog maar eens een koffer, nog maar eens Berlijn. Nog maar eens een koffer in Berlijn.

Toen de lijkwagen het kerkhof bereikte, was de doodkist al bedolven onder een bloementapijt dat de Berlijners onderweg in alle haast geweven hadden. Maria Riva beklemtoonde later dat die prehume, ambulante begrafenis haar moeder, die op het moment van de bloemenregen in een eenvoudig Dior-kostuum was verpakt, zeker bevallen zou hebben.

Maar niet iedereen is met het eerbetoon ingenomen. De Berlijnse zangeres Evelyn Künneke (Haben Sie schon mal im Dunkeln geküsst?) noemt Marlene plaatsvervangend voor duizenden anderen een vaderlandverraadster. Marlene polariseert, ook postuum. De Berlijnse politici, die na de val van de Muur voor het eerst voor heel-Berlijnse verkiezingen staan, achten het niet opportuun een gedenkplechtigheid voor de teruggekeerde dode te organiseren, ze willen hun kansen niet verkijken door aan de rand van het graf te gaan staan waarin de onder meiklokjes bedolven ster in haar onderaardse firmament wordt neergelaten.

De begrafenis van Marlene was de eerste heel-Berlijnse demonstratie na de val van de Muur, een stoet bovendien waarin het bonte volk meeliep dat de christendemocratische burgemeester Eberhard Diepgen in 1987 nog als anti-Berlijns uitschot had uitgemaakt: anarchisten, freaks, punkers, pandkrakers, huisbezetters, homo’s, transseksuelen. Tienduizenden. Dat volkje was in de troosteloze loden jaren tachtig hoe dan ook het zout geweest dat het eiland West-Berlijn in de rode DDR-zee drijvende had gehouden. ‘De stimulansen, energieën en ideeën, die van de anti-Berlijnse subcultuur uitgingen, werken na tot vandaag,’ schrijft Wolfgang Müller in zijn grandioze Subkultur Westberlin 1979-1989 (Fundus 2012).

Maar terug naar het kerkhof, waar Marlene ligt. Ik heb ook oog en woorden voor andere doden. Het verbaast me niet dat mevrouw Ende hier is beland, het verwondert me dat de sneeuw niet smelt op het graf van mevrouw Geschwitz, opgelucht stel ik vast dat zelfs meneer Unglaube hier christelijk begraven ligt. Het is een knus kerkhof, veel artiesten bekomen hier voor altijd van hun kunst en het onbegrip van diegenen voor wie ze bedoeld was. De sneeuw is nog altijd rul en gul, de grafmaker groet me opgewekt en maakt met zijn schop een gat in de lucht. De blauwe hemel is kant en klaar.

Verbeelding

24 januari 2013

Ik hoef geen verbeelding, de realiteit is al onwerkelijk genoeg.

(voor Max Liebermann)

malen
is ook schilderen
sinds ik woon in de stad
die aan de rand
niet meer
van bes en baksteen blaakt:

het zomerzoemen is al lang verkorven

hier valt
haast niet
te onderscheiden
wat woede is of toren
wat muur of poort
wat villa of vilein
wat stiksel of idylle
gefluister of gesis

sterren wil ik niet zien flonkeren
op het meer in winterkraag.

Ratten-Jenny

22 januari 2013

De vrouw met het witte ratje op haar schouder (zie 12 januari) was een punker die Ratten-Jenny werd genoemd. Ik heb haar gegevens opgespoord en stelde vast dat ik haar buurman had kunnen zijn als ik in de jaren zeventig maar in West-Berlijn was blijven wonen.

Mijn derde en laatste adres was Hohenstaufenstrasse 6, Schöneberg, vlak bij Winterfeldtplatz, waar Ratten-Jenny heeft gewoond. Samen met Gaby, mijn vriendin, frequenteerde ik in 1974 bijna elke avond de Ruïne, een Absturzkneipe (crashkroeg) in de Gleditschstrasse 9. De Ruïne was een spelonk, de enig behouden ruimte van een woonkazerne die in de oorlog platgebombardeerd was. In 1997 brandde het pand helemaal uit, tot opluchting van de brandweer die de vlammen liet betijen.

Nu ontdek ik dat Ratten-Jenny zelf een trouwe bezoekster van de Ruïne is geweest, alleen later, in de tweede helft van de jaren zeventig en begin jaren tachtig. Toen was ik al weg uit West-Berlijn.

Ratten-Jenny was vaak te zien in legendarische bars en kroegen zoals Café Central op de Nollendorfplatz, de Domina-Bar in de Winterfeldtstrasse, de Dschungel (David Bowie) in de Nürnbergstrasse en de punkkroeg Chaos in de Grossbeerenstrasse. De pogo danste ze zo woest dat ze op een keer in de SO36, nu nog altijd een florerende club in de Kreuzbergse Oranienstrasse, letterlijk door de grond zakte. De bodem begaf het onder haar voeten, in de dansvloer gaapte plots een gat, en nadat ze daarin verdwenen was duurde het een tijdje voor ze eruit klom en verder danste.

Niet iedereen was op haar gesteld. De fotografe Jutta Henglein noemde haar een Berlijns snotjong met de hersens van een mus, een punker zonder zin voor humor, gestoord, verslaafd aan drugs, walgelijk. Als ze woedend werd, viel ze soms mensen aan met kapotgeslagen bierglazen. Of ze schopte in het rond.

Ratten-Jenny had doorgaans een wit ratje op haar schouder dat ze met kaas, spek en haar eigen speeksel voedde. Soms waren het er ook twee. Maar de ratten waren nooit vastgeketend.

In West-Berlijn woonde Ratten-Jenny eind jaren zeventig een tijdlang in het Stonz, een kraakpand tegenover de Ruïne op Winterfeldtplatz. Haar stiefvader was politiecommissaris. Toen het kraakpand werd ontruimd, bleek haar stiefvader aan het hoofd te staan van het korps dat voor de actie was ingezet. Toen ze haar vader herkende riep ze hem vanuit het venster op een bovenverdieping toe: ‘Hallo papa, hallo papa!’ De volgende dag schreef Bild: ‘Politiedochter schreeuwde om hulp: “Papa, haal me hieruit.’” Bild maakt er een apart verhaal van en verdraaide de werkelijkheid totdat het leek alsof Ratten-Jenny jarenlang in de klauwen van criminele huisbezetters had vastgezeten.

Voor ze een echte punker werd, was Ratten-Jenny verpleegster in het psychiatrisch hospitaal Karl-Bonhoeffer in Heiligensee, in de volksmond ook wel Bonnie’s Ranch genoemd, maar ze wilde er niet blijven werken omdat ze de patiënten normaler dan het personeel vond.

Plots was Ratten-Jenny plots uit Berlijn verdwenen, in rook opgegaan. In 2008 dook ze er weer op. Ze bleek al meer dan twintig jaar in Londen te wonen en was nog altijd punker met Irokezenkapsel. Ze werd onder meer gesignaleerd in de punkkroeg Trinkteufel, de zogenaamde hellepoort op de hoek van de Adalbertstrasse en de Naunynstrasse in Kreuzberg. Wat kwam ze zoeken? In 2007 organiseerde SO36 een party die de naam Ratten-Jenny kreeg. In Londen hoorde de betrokkene ervan. Ze dacht dat er voor haar geld in de SO36 werd ingezameld. Ze keerde eventjes naar Berlijn terug om daarover navraag te doen, maar er bleek geen geld beschikbaar te zijn. Haar echte naam is Jenny Schmidt.

PS: Onderstaande links geven een indruk van de sfeer van de jaren zeventig en tachtig in het ommuurde West-Berlijn. In 1982 maakte Frank Wiering voor de VPRO een film over Ratten-Jenny.

http://www.geschiedenis24.nl/speler.program.12985721.html

http://lostviews.wordpress.com/1980/06/17/clubs/

http://www.motzbuch.de/winterfeld_finale.pdf
pagina 24