De Journalist

3 februari 2008

Op het einde van de maand doorwaak ik slapeloze nachten
omdat ik hunkerend op ‘De Journalist’ lig te wachten.
Ik verzeker u dat ik mijn lief nooit op een plek zo heftig kus
als ‘De Journalist’ in de gleuf van mijn brievenbus.

Elke maand verschijnt het ledenblad der journalisten
dat gevuld wordt met wetenswaardige berichten.
Welke collega heeft een kind gemaakt, wie heeft zich laten kisten?
Wie bleef er hetero en wie liep over van de neven naar de nichten?

Driftig ruk ik er de omslag af, sla ‘De Journalist’ nieuwsgierig open,
kijk of mijn naam in de kolommen wordt genoemd.
Misschien is een collega werkelijk met mijn lief gaan lopen
en word ik daardoor voor een dag bij het journaille beroemd?

‘k Schreef in de herfst van vorig jaar een open brief naar de bondssecretaris
met het verzoek hem te publiceren in ‘De Journalist’.
‘ k Dacht dat de brief van algemeen belang was voor ieder die niet wist
dat ongezouten taal niet altijd van een gestoorde, maar soms van een reporter is.

Ik kon mijn ogen niet geloven en mijn hart ging bloeden
want ik had werkelijk nooit durven vermoeden
dat de vrijheid om te spreken al ophoudt in het blad der leden
en dat ‘De Journalist’ het vrije woord beschouwt als een verval der zeden.

Want de brief mocht niet verschijnen, vraag me niet waarom.
Tandenknarsend hoor ik in het heiligdom
der persvrijheid het hypocriet gehuil
van de krokodil die tranen stort over het vlees in zijn reptielenmuil.

*

‘k Ben van de school van Heinrich Heine
(van de grote Duitse jood ben ik de Vlaamse kleine)
die zich vanaf zijn matrassengraf heeft verheven
en ook veel parels voor de zwijnen heeft geschreven.

Die me geleerd heeft dat we diegenen moeten verachten
die veinzen rechtop te lopen, maar kruipen in gedachten.
Daarom roep ik luid, en schreeuw ik: ‘Welke hond
beschermt mij tegen de secretaris van de journalistenbond?’

‘De Journalist’ maakt – hoera! – veel reclame en geeft adviezen
Hoe ik doodziek kan worden zonder mijn inkomen te verliezen.
Straks verzekert hij me tegen haaruitval en aids en alles waaraan een mens kan sterven
Maar wie beschermt de weerloze woorden die in zijn mond bederven?

Wat rest me anders dan mijn pen in vitriool te dopen
om ‘De Journalist’ die vanuit het Résidence Palace heel subversief
tegen de tirannen in Kigali en het Kremlin durft stormlopen,
te verwijten dat hij bang is voor de weerklank van mijn brief?

Imposanter dan ’t geweld van duizend olifanten
drukkender dan ’t gewicht van miljoenen folianten
is de luis die zich in eer en geweten
in het censorblad ‘De Journalist’ heeft vastgebeten.

En nu vraagt u me zeker: ‘Wat staat er in die brief?
Is het een geheim? Mogen we het niet weten?’
En ik zeg dan: ‘Dat “De Journalist” hem publiceert, hij ligt in het archief.
hij is nog heel, als de secretaris hem niet heeft opgevreten!’

Genoeg. Voortaan schrijf ik alleen nog brieven aan mijn lief,
en ‘k verklap u niet (’t venijn zit als de liefde in de staart)
waar ik haar grimmig kietel, mijn oude taart,
met de ezelsoren van mijn journalistenkaart.

Advertenties