Poetin wil het splijten van de EU aanwakkeren. Om dat doel te bereiken, zet hij vooral in op het polariseren van de Duitse samenleving, waar zijn aartsvijandin Angela Merkel hem het leven lastig maakt (sancties). In de Russische staatspropagandamedia, die blijkbaar met de Duitse neonazipartij NPD coöpereren, wordt met vervalst en/of verouderd filmmateriaal een beeld opgehangen van Duitsland als een natie die in anarchie en banditisme verzinkt, waar losgeslagen vluchtelingen de straat gewelddadig beheersen. Hoogtepunt in Poetins propaganda vorige week was het bericht dat in Berlijn een 13-jarig meisje uit een Duits-Russisch gezin gedurende 30 uur verkracht was door vreemdelingen. Er is niets van aan, maar de ontkenning door het Duitse parket maakt geen enkele indruk op een deel van de Russische kolonie in Duitsland en Berlijn, en evenmin op Moskou en Poetins staatsgeleide media.
Merkwaardig ter zake is de houding van de Beierse regeringspartij CSU. Volgende week trekken CSU-partijleider Horst Seehofer en zijn voorganger Edmund Stoiber naar Moskou om met Poetin te praten over de beëindiging van de sancties tegen Rusland. Beiden zijn tegenstanders van de EU-maatregelen tegen Moskou. Enig protest tegen de valse beschuldigingen van Poetin tegen Duitsland is noch van Seehofer, noch van Stoiber te vernemen. Met Moskou zit de CSU op één lijn, maar als regeringspartij staat de CSU klaar om tegen het vluchtelingenbeleid van Merkel te klagen bij het Hoge Constitutionele Hof in Karlsruhe.
‘Der Spiegel’ van gisteren laat verstaan dat de CSU en Poetin goede vrienden zijn. Volgens het magazine is Edmund Stoiber zelfs een ‘Duzfreund’ van Poetin. Daarmee is de cirkel rond en staan we voor een uiterst merkwaardige constellatie in de Duitse politiek: als regeringspartij in de Berlijnse coalitie komt de CSU op voor de belangen van Moskou, en dat terwijl Poetin Duitsland op alle mogelijke manieren probeert te splijten, ook via steun aan de extreemrechtse AfD (dat gisteren bij monde van zijn leidster Frauke Petry de Duitse grenspolitie het advies gaf om de Duitse grens met het vuurwapen te verdedigen, dus op de vluchtelingen met scherp te schieten, ook op kinderen).
Stoiber waarschuwt Merkel in ‘Der Spiegel’ dat ze weldra met Beppe Grillo, Geert Wilders en Marine le Pen aan tafel zit als ze haar vluchtelingenbeleid niet herziet. Die waarschuwing is rijkelijk hypocriet. Zeker is wel dat Stoiber en Seehofer volgende week in Moskou aan tafel zitten met Poetin, die niets liever wenst dat morgen de AfD het in Berlijn overneemt. Gelukkig zijn we daar nog ver van af, maar dat het nog niet zover is, is beslist niet de verdienste van Seehofer, Stoiber en de CSU. Vroeger bestond er voor het gedrag van politici als Seehofer en Stoiber een uitdrukking die iedereen kent, en die we hier dus niet herhalen. Hoe dan ook: de doodgravers van de Duitse republiek zitten in de Duitse regering. Ze leggen nu de as Berlijn-Moskou waarover Merkel moet struikelen.

 

Advertenties

Ik hou niet van de uitdrukking ‘kleine man’, ook al is het de titel van een beroemd boek van een groot schrijver met een dubieuze levensloop.
Anne Folkertsma publiceerde bij Cossee een boeiende biografie van Hans Fallada: een man met een gebroken curriculum, waarin het meeste vierkant draait. Folkertsma heeft een paar autobiografische teksten in haar boek opgenomen, waarin Fallada onder meer vertelt dat ‘Kleiner Mann – was nun?’ oorspronkelijk ‘Der Murkel’ (Het wurm) heette, maar dat vond niemand een goede titel. Zijn uitgever Rowohlt zocht het in de richting van Leo Perutz’ succesroman ‘Wohin rollst du, Äpfelchen?’, een titel met vraagteken. Vandaar was het maar een stap naar ‘Kleiner Mann – was nun?’, een titel die bij Fallada later een bijkomende vraag oproept: ‘Wie hem heeft gevonden? Ik weet het niet meer.’ In elk geval was de roman bij publicatie in 1932 meteen een wereldsucces. Het geld begon te stromen.
Maar van de uitdrukking ‘Kleine man’ heb ik nooit gehouden, ook niet van ‘Jan met de pet’ en ‘Jan Modaal’. Alsof de kleine man gedoemd is om in zijn schoenmaat te blijven staan. Ik citeer graag de journaliste Ursula von Kardorff, die in haar ‘Berlijns dagboek 1942-1945’ een anekdote vertelt over een ‘kleine man’ in volle nazitijd, Berlijn, 3 maart 1943: ‘Ik geloof dat het volk zich fatsoenlijker gedraagt dan de zogenaamd ontwikkelden of halfontwikkelden. Typerend is het verhaal van die arbeider die in een tram opstond voor een jodin met een ster. “Ga maar hier zitten, ouwe sterrenwacht,” zei hij, en toen een Partijlid daar bezwaar tegen maakte, snauwde hij hem toe: “Over mijn gat beslis ik zelf!”’
Terloops bij Goethe, wiens correspondentie ik lees: ‘De geringste wordt door het bestaan van het voortreffelijkste niet in zijn existentie gehinderd, of, zoals de dichter zich uitdrukt: Ein kleiner Mann ist auch ein Mann.’ (Aan Charlotte von Stein, Rome, 7-10 februari 1787).
Een actueel thema, nu de ‘grote’ intellectuelen zoals Botho Strauss (natuurlijk), Rüdiger Safranski en zo-even ook Peter Sloterdijk het vluchtelingenbeleid van Merkel frontaal aanvallen. Altijd weer hetzelfde weerzinwekkende academische verhaal.

 

Het Duitse volk en Schmidt

29 januari 2016

‘Wel,’ zeg ik, nu het ei toch komt, ‘in een gesprek met de historicus Fritz Stern (“Unser Jahrhundert”, 2010) zei de oude Helmut Schmidt: “Als Hitler in 1936 doodgeschoten zou zijn, zou hij nu een held van de economische geschiedenis zijn”.’
‘Een enormiteit,’ zeg ik, ‘alsof dat (wat eigenlijk?) alle misdaden kan rechtvaardigen die Hitler vóór 1936 beging: de “Reichstagsbrandverordnung”, de machtigingswet (die ondanks de sociaaldemocratische tegenstemmen tot stand kwam en die de sociaaldemocratische partijleider Otto Wels veroordeelde met de uitspraak: “Vrijheid en leven kan men ons afnemen, maar niet onze eer”), de wet op de ambtenarij (willekeurig ontslag van joodse en politiek “onbetrouwbare” ambtenaren), het verbod van de sociaaldemocratische partij wegens land- en hoogverraad, de afschaffing van de vrije vakbonden, het verbod op de vorming van nieuwe partijen, de inbeslagneming van volks- en staatsvijandig vermogen (de bestaansbasis van voornamelijk joodse zakenmensen), de “Schutzhaft” (het willekeurig oppakken van politieke tegenstanders, folter en moord), de concentratiekampen Dachau en Oranienburg. Alsof bovendien Hitler in 1936 “Mein Kampf” nog niet had geschreven en gepubliceerd! Op zoveel onzin van Oberstammtischführer Schmidt moet je toch repliceren met het citaat van de joodse schilder Max Liebermann toen die eind januari 1933 de nazi’s met hun toortsen door het Brandenburger Tor zag marcheren: “Je kunt niet zoveel eten als je zou willen kotsen”. En zo’n Schmidt-onzin wordt dan door menig recensent ook nog eens briljant genoemd, en de man wordt tot in het graf geprezen, zodat hij bijna rechtstaat in zijn kist.’
‘Hé, hé, dram je niet wat door, ben je niet zelf verblind?’ vraagt I., ‘moet je zijn uitspraak niet anders interpreteren? Wilde Schmidt niet zeggen: het Duitse volk is onbetrouwbaar, toen en nu? Bedoelde hij niet: Duitsers zijn voor hun comfort tot alles in staat, als het erop aankomt kunnen ze géén democraten zijn, maar als het erop aankomt kunnen ze ook wel democraten zijn? Waarschuwde Schmidt de Duitsers niet voor zichzelf?’
‘Ja, dat moet het zijn,’ erken ik opgelucht, bang dat ik veralgemeen, ‘misschien zijn ze zo verblind door hun bewondering voor zijn commandostijl dat ze hem – een gelijkgezinde – zelfs verafgoden omdat hij hen ongezouten zegt dat hij hen uit zelfkennis doorziet.’

 

‘Nee, nee! Niet weer, niet weer!’ roept I., ‘niet met de hoofdpijn die ik heb, niet vandaag!’ als ik weer eens wil uitpakken met een verbijsterend Helmut Schmidt-citaat. ‘Dan leg ik dat ei morgen wel,’ zeg ik, en kruip er ongelegd mee in mijn nest.

 

Vanuit München rolt CSU-leider Horst Seehofer voor Poetins bende de rode loper uit naar Berlijn. Seehofer, verblind door rancune, ondermijnt het gezag in Berlijn. Hij is de objectieve handlanger van Poetin die Europa destabiliseert a) extern door de creatie van bijkomende vluchtelingen in Syrië (bombardementen) en b) intern door het mediale ophitsen van de Russen in Berlijn en Duitsland en het steunen en opwaarderen van alle reactionaire groeperingen ten westen van Rusland. Het scheppen van externe conflicten is de enige methode waarmee de economisch uitgetelde kliek in het Kremlin aan de macht kan blijven. Dat belooft, nu het gezag in Duitsland onder de pressie van Seehofer harakiri pleegt. Europa loopt in Poetins mes.

 

Balans

26 januari 2016

‘De waardigheid van de mens is me ook zo’n ding,’ zeg ik tegen I. ‘Zodra ze je ontnomen is, breng je ze al niet meer op. Je kunt een mens nog meer haten voor de ellendige toestand waarin hij je heeft gezien dan voor het feit dat hij je erin heeft gestort.’

 

Een hoffelijk verhaal

25 januari 2016

‘Hoe spannend,’ zei I., ‘en toen?’

‘… en toen,’ zei ik, ‘vroeg ik mijn demon aan welke boeien hij de voorkeur geeft.’

 

Eerst pauzeren in Pure Origines in de S-Bahn-boog, tegenover de Grimm-bibliotheek in Mitte: een bad in de jeugd. We voelen ons de winnaars en We’re gonna take it all: dubbele espresso, appeltaart met slagroom, de ‘Tagesspiegel’.

En dan op naar de Alte Nationalgalerie, mijn tweede thuis, waar ik de huisheer speel alsof ik er al woon, in die gladde zee van marmeren die me omhelzen als was ik al van hen, of een van hen. En daar dan op naar de derde verdieping. ‘De monnik en de zee’ (1810) van Caspar David Friedrich is weer thuis, na drie jaar ongerief. Het doek heeft in zijn leven veel geleden, niet onder de zeven lagen vernis, niet onder Becketts oog, wel onder het strijkijzer waarvan de afdruk nu in deskundigheid is opgelost. Maar nu staan we er weer voor. En boven de frêle schuimkopjes die eerder streepjes zijn hangen de meeuwen als zichzelf kloppend schuim in de lucht. Boven de zee: het al te koude blauw; boven de oceaan: de al te koele meren des doods. En op het strand de monnik, ‘der einzige Lebensfunke im weiten Reich des Todes’ (Kleist in de ‘Berliner Abendblätter’, 13 oktober 1810).

En dan, buiten, als de Dom al aan zijn donkere tafel het hoofdgerecht verbeidt, te voet, langs Unter den Linden, de Neue Wache, het Kronprinzenpaleis, de opera, de Staatsbibliothek etc., etc. te voet door wat in het Duits zo rillend mooi de ‘klirrende Kälte’ heet (en waar onze strenge vorst niet aan kan tippen), en dan te voet zuidwaarts door de eindeloze Friedrichstrasse over de Belle Alliance Platz – ja, ja – tot Hallesches Tor, waar we bij het vallen van de avond nog wat studeren in de Amerika Gedenkbibliothek, en daarna nog zuidwaartser souperen in Split op de Blücherplatz, met wijn, wit en rood, en daarna en daarna…

En bijna helemaal op het einde, als alle doeken gevallen zijn, en iedereen is gerestaureerd, moet ik met weggesneden oogleden op het laken ook nog in het donker kwijt dat ik ‘De monnik en de zee’ misschien nog meer mocht toen de lucht als een schotelvod boven een morsig aanrecht hing.

 

Station Ernst Reuter Platz

23 januari 2016

Zo’n gestoorde Duitser die vlak na zijn aankomst uit Hamburg in Berlijn een jonge vrouw die hij niet kent van het perron onder een binnenrijdende metrotrein duwt – dood – dat is geen thema voor een preek.

 

Helden van onze tijd

22 januari 2016

Of ik een Helmut Schmidt-obsessie heb, vraagt I. Helemaal niet, aangezien Schmidt slechts een anekdote is. Mij interesseert de relatie volk/macht, in dit geval in de persoon van Schmidt. Op zich is het al bedenkelijk dat een leider die het leven van zijn beste vriend opoffert aan de staatsraison te zwak is om zich gedurende vijf minuten aan het wettelijke rookverbod te onderwerpen. Het is niet eens de overtreding die ik bekritiseer, – ik sympathiseer met de rokers – maar de wanverhouding tussen stoere taal en slap gedrag, het opeisen van karaktersterkte voor een ander en het laten gaan van zichzelf, en vooral de onuitstaanbare arrogantie waarmee dat gebeurt. Maar wat het ergste is: dat de Duitsers van Schmidts sigarettenrook in trance raakten, dat de abstinente sociaaldemocraten op hun congressen voor zijn illegale rookpluim applaudisseerden als voor een heldendaad en zichzelf waarschijnlijk ook helden achtten omdat ze de moed vonden voor hun applaus.