In 1885 arriveert een van de Duitse voorvaderen van Donald Trump, de 16-jarige Friedrich Trumpf uit Kallstadt (Rijnland Palts), in New York. Hij verengelst zijn naam tot Trump. Hij had in het gezelschap kunnen verkeren van iemand als de jood Isaac Reznikoff, een personage uit Paul Austers nieuwe epos 4 3 2 1, dat op 7 februari bij de Bezige Bij verschijnt. Isaac Reznikoff is te voet uit zijn geboortestad Minsk via Warschau en Berlijn in Hamburg verzeild geraakt, waar hij inscheept in de Keizerin van China, richting New York. Een andere jood, een Rus, geeft hem de raad om de immigratiefunctionarissen op Ellis Island een valse naam op de mouw te spelden: Rockefeller, een naam ‘waarmee je niets verkeerds kunt doen’. Maar als de uitgeputte Isaac Reznikoff eindelijk aan de tafel van de ambtenaar staat, valt de naam Rockefeller hem niet meer te binnen. Vertwijfeld zegt hij in het Jiddisch: ‘Ich hob fargessen.’ ‘En zo begon Isaac Reznikoff zijn nieuwe leven in Amerika als Ichabod Ferguson,’ besluit Auster zijn eerste romanparagraaf over de parten die een kort geheugen ons kan spelen. We weten meteen ‘was Trumpf ist’, hoe de vork in de steel zit dus.

 

Ondraaglijke namen

29 januari 2017

In 1938 vluchtte de achttienjarige joodse fotograaf Günther Hofstein voor de nazi’s uit Berlijn naar Londen. In 1946 nam hij de Franse nationaliteit aan en opende onder de naam Guy Hofstein een fotoatelier in Thionville.[1]

De Duitse schrijver W.G. Sebald (1944-2001) legde me in 1992 uit waarom hij besloot zijn voornamen, die als grafstenen op hem wogen, te verbergen achter zijn initialen: ‘Zelfs in mijn naam wil ik het fascisme uitwissen en gebruik alleen nog de initialen van mijn voornaam: W.G. Sebald staat voor Winfried Georg Sebald. Ik haat die oer-Duitse namen, en ik vind het vreselijk dat het uitgerekend de joden waren die aan het begin van de eeuw [de twintigste] hun kinderen zulke namen gaven om te tonen wat voor loyale Duitsers ze waren.’[2]

Het slachtoffer van zo’n naam was de joodse publicist Siegfried Kracauer (wie weet verklaart die naam het stotteren waaraan hij zijn hele leven leed, een handicap waaraan hij als kind al vertwijfelde: ‘O God, help me toch en geef me de kracht om mijn gebrek te overwinnen. Want als ik niet meer stotter voel ik in mij de kracht het tot iets te brengen.’)[3] Kracauer (1889-1966) is de schrijver van het baanbrekende From Caligari to Hitler: A Psychological History of the German Film (1947).

Voor mij op tafel ligt de meer dan duizend pagina’s tellende kanjer Der verwaltete Mensch. Studien zur Deportation der Juden aus Deutschland[4] van de Praagse jood H.G. Adler (1910-1988), tevens auteur van een standaardwerk over Theresienstadt. Na 1945 wierp Adler zijn voornamen Hans Günther als een brandende mantel van zich af omdat ze identiek waren met de voor- en familienaam van SS-Sturmbannführer Hans Günther, de vertegenwoordiger van Eichmann in Praag voor het protectoraat Böhmen en Mähren tijdens de Duitse bezetting. Adler droeg zijn boek op aan zijn vader Emil Alfred, vermoord in Chełmno (1942) en aan zijn moeder Alice Fraenkel, vermoord in Trostinetz (1942).

[1]‘Berliner im Exil – eine tour d’horizon’ door Christine Fischer-Defoy in de bundel Berlin 1933-1945 (redactie Michael Wildt en Christoph Kreutzmüller), Siedler, Berlijn, 2013, p. 215-216.

[2] ‘Echos aus der Vergangenheit’ door Piet de Moor, in de bundel Auf ungeheuer dünnem Eis. W.G. Sebald. Gespräche 1971 bis 2001, (redactie Torsten Hoffmann), Fischer, Frankfurt am Main, 2011, p. 71-78.

[3] Siegfried Kracauer. Eine Biographie door Jörg Später, Suhrkamp, Berlijn, 2016, p. 35.

[4] Der verwaltete Mensch. Studien zur Deportation der Juden aus Deutschland door H.G. Adler, J.C.B. Mohr (Paul Siebeck), Tübingen, 1974.

 

 

Brexshit via Trump-l’oeil.

 

De nul, een eerherstel

27 januari 2017

Jullie onbenullen:

waarom
geniet
ik niet wat meer respect?

Ik ben de
nul.

Maar in mijn rondheid
vieren jullie,
treuren jullie,
plannen jullie,
denken jullie aan…

Ik ben onmisbaar:
tafel en getal.

Met mij wordt niet gepokerd.

Verzwijg niet:

in mijn noemer
telt niemand
de breuken
der oneindigheid.

Mayday, Mayday

26 januari 2017

Theresa May: nog niet uit het ‘keurslijf’ van de EU of al dodelijk omarmd door de protectionist Donald Trump. Mayday! Mayday!

 

Martin Schulz

25 januari 2017

De sociaaldemocraat en ex-voorzitter van het Europese Parlement Martin Schulz: sinds gisteren kandidaat voor het kanselierschap. De man: niet onsympathiek, integer. De politicus: eerder impulsief dan strijdlustig, een repetitief strovuur, schromelijk overschat. Een professionele terugkrabbelaar over de hele lijn. Veeleer een man van zijn woordje dan van zijn woord. Te veel geblaat, te weinig wol. Laatst nog in zijn Turkije- en Erdogan-kritiek: start als een briesende leeuw in Brussel, aankomst als een niet eens meer piepende muis in Ankara. Niet opgewassen tegen zijn spagaat.
Wat we gisteren in Berlijn verder nog zagen: de openbaring van een revanche, de ‘Stern-Stunde’ van ontslagnemend SPD-voorzitter Sigmar Gabriel, die vanuit een mediale hinderlaag wraak nam op een volslagen ongeïnformeerde partij voor alle vernederingen die ze hem heeft aangedaan. Dat de SPD hem daarvoor ook nog eens in de hemel moet prijzen als de onbaatzuchtigste aller sociaaldemocraten: zijn steriele triomf, het gerecht dat hij ijskoud en zonder risico’s savoureert.

 

Het probleem met Trump is niet dat hij liegt. Het probleem is dat de zogenaamde verlichte wereld zich daarover verbaast. Het ontbreekt die ‘verlichte wereld’ misschien niet aan inzet, maar des te meer aan inlevingsvermogen. De leugen is immers de sleutel van Trumps succes.
Wat ik meer dan tien jaar geleden over het Vlaams Belang schreef in de inleiding van mijn ‘Brieven aan mijn postbode, Will Tura en Peter Vandermeersch’, geldt helaas onverminderd ook op grotere schaal voor het Amerika van Trump. In enkele passages van mijn oude brieven kun je de term ‘Vlaams Belang’ gewoon vervangen door ‘Donald Trump en zijn beweging’. Want het is toch zonneklaar dat de Republikeinse Partij sinds het succes van de Tea Party een beweging is geworden die zich laat leiden door het ongeschreven motto: ‘Als u voor ons kiest en ervoor zorgt dat we winnen, zullen we harder liegen dan ooit tevoren.’ En je zou eraan kunnen toevoegen (Sean Spicer, Kellyanne Conway): ‘En we zullen iedereen afmaken die onze “alternatieve feiten” leugens noemt.’
Het zou onze opiniemakers niet schaden als ze in deze beroerde tijden Hannah Arendts ‘Totalitarisme’ (1951) eens zouden lezen, dan zouden ze misschien eindelijk ophouden het hele mondiale verloederingsproces alleen maar toe te schrijven aan de frustraties van de verliezers van het globalisme.
In werkelijkheid rukt het mondiale uitschot in alle maatschappelijke lagen op. Daarom is het een schande dat Antonio Tajani, een marionet van Berlusconi, tot voorzitter van het Europese Parlement is verkozen, wat een byzantijnse Guy Verhofstadt in ‘De Standaard’ ook moge beweren. Hoe kun je een geloofwaardig alternatief voor de Trumpwereld formuleren als je hier in Europa pacteert met clowns van het type Berlusconi of Beppe Grillo, die je toch moet rekenen tot de Europese spiegelbeelden, zelfs tot de voorbeelden van Donald Trump? Dat de Amerikaanse zakenman Trump de Europese Unie haat, is zijn goed recht, maar met welk recht neemt de fractievoorzitter van de Europese liberalen (ALDE) het initiatief om Europese EU-haters op te waarderen in zijn eigen rangen en in zijn eigen parlement? Daar zijn gewoon geen woorden voor.
Maar nu even een citaat van Arendt: ‘Dat de leden van totalitaire bewegingen onvoorwaardelijk loyaal zijn en het volk totalitaire regimes steunt, verstoort onze gemoedsrust. Nog verontrustender is dat deze bewegingen een onmiskenbare aantrekkingskracht uitoefenen op de elite van de samenleving, en niet alleen op het gepeupel. Het zou inderdaad van onbezonnenheid getuigen om de indrukwekkende lijst van eminente mensen die het totalitarisme tot zijn sympathisanten, meelopers of partijleden kon rekenen, toe te schrijven aan artistieke buitenissigheid of wetenschappelijke naïviteit.’
Het zou m.i. dan ook getuigen van volslagen naïviteit om aan te nemen en zelfs te geloven dat de entourage van Trump de bedoeling heeft om zijn boss sturend af te remmen, of dat zou kunnen als hij dat zou willen. Trumps recente bezoek aan het hoofdkwartier van de CIA logenstraft al wie meende dat de inlichtingendiensten hem zouden afstraffen voor de affronten die hij nog maar pas over hen had uitgestort. Hun applaus voor hun nieuwe chef en het schaapachtig gegrinnik waarmee ze met zijn ‘grapjes’ en zijn uitvallen tegen de media instemmen verraden hun ware positie. Niemand in hun rangen is zo gek zijn carrièrekansen onbenut te laten, laat staan ze op het spel te zetten. Het lijdt geen twijfel dat alle administraties dat voorbeeld zullen volgen. De exempels in de geschiedenis zijn legio.

 

 

‘Ik herinner me echter dat ik, toen ik in Tanger een paar Europese kranten doornam, het symbolisch vond dat op dezelfde dag dat Hitler een feitelijk einde maakte aan de onafhankelijkheid van de deelstaten [31 maart 1933, ‘Gesetz zur Gleichschaltung der Länder mit dem Reich’], het kleine blauwwitte geruite vlaggetje aan mijn auto afgebroken was.’ Aan die passage uit de memoires ‘Verzweigungen’ (1977) van de Duitse journaliste Margret Boveri (‘Berliner Tageblatt’, ‘Frankfurter Zeitung’) moest ik denken, toen op 9 januari jongstleden het Turkse parlement het debat startte waarmee het zichzelf zou afschaffen. Want op diezelfde maandag werd Ismail Kahraman, de 76-jarige voorzitter van het Turkse parlement, getroffen door een beroerte, waardoor hij onverwijld naar de intensive care van een ziekenhuis in Ankara overgebracht moest worden. Toen ik dat vernam, had ik het gevoel in een roman van de Albanese schrijver Ismail Kadare verzeild te zijn geraakt, waar het sissen van een slang of het waggelen van een hoofd in de openingszin de kiemcel is van een sociaalpolitieke catastrofe. In het oeuvre van Kadare is er altijd een verband tussen staatszaken en letsels of breuken. In ‘Het donkere jaar’ kondigt het beeld van een verminkte man op krukken de definitieve deling van Albanië aan. En in dezelfde roman heeft het wegknippen van een voorhuid staatkundige betekenis.

 

Morgen

19 januari 2017

De liquidatie van de instellingen en het ineenstorten van de internationale rechtsorde.

 

Der Kuh im Kaffeehaus

18 januari 2017

In Reisinger’s am Salzgries ben ik op een boogschot van de Rudolfplatz 10, waar de nu 95-jarige reporter Georg Stefan Troller (zie Selbstbeschreibung) het levenslicht zag. De joodse oer-Wener die langer in Parijs heeft gewoond dat in de Oostenrijkse hoofdstad, is de uitvinder van het echte interview. Naar eigen zeggen is hij een menseneter die van het warme bloed van zijn slachtoffers leeft. Bij een Kosakenkaffee lees ik in Der Standard Trollers al te bescheiden antwoord op de vraag naar zijn literaire voorbeelden: ‘Als ik voor mezelf een galerij van stamvaders zou aanleggen, dan reken ik daartoe Joseph Roth en Anton Kuh, beiden Oostenrijkers zoals ikzelf, waarbij ik me gelukkig prijs dat ik een opvolger ben en niet tegelijk met hen heb moeten werken. Want dan zou ik wellicht wat bleekjes uitgevallen zijn. Maar dat ik hun echo nog een tijdlang kon uitdragen bevalt me wel.’
Zelf waardeer ik Troller niet minder dan Roth en Kuh. De twee laatsten sloegen in het interbellum hun tenten een tijdlang in Berlijn op, Romanisches Café. Maar in geestigheid overtrof Kuh zelfs Roth.
Niettemin, als ik eerlijk ben, was journalist en cultuurfilosoof Egon Friedell ten minste één keer geestiger dan Kuh. Dat kwam zo. De bohemien Anton Kuh was weer eens blut. Omdat hij het geld dringend nodig had, publiceerde hij een verhaal dat Friedell in een Oostenrijkse krant had gepubliceerd nog eens onder zijn eigen naam in een Berlijns tijdschrift. Daarop schreef Friedell, die de coup natuurlijk snel had ontdekt, de volgende open brief aan collega Kuh: ‘Zeer geachte heer. Verrast constateer ik dat u mijn bescheiden verhaal Keizer Joseph en de prostituee ongewijzigd, alleen met toevoeging van de drie woorden “door Anton Kuh” in het blad Querschnitt hebt gepubliceerd. Natuurlijk vind ik het een eer dat uw keuze op mijn kleine, luimige verhaal is gevallen, aangezien u immers kon kiezen uit de wereldliteratuur sinds Homerus. Daarom zou ik me graag gerevancheerd hebben, maar na het doornemen van uw verzameld werk vond ik niets waaronder ik mijn naam had willen plaatsen. Egon Friedell.’
En nu is het tijd voor een Fiaker bij Hawelka, voor ik met mijn zevenmijlslaarzen naar de Alte Schmiede trek om er Troller te horen zeggen dat zijn Fidele Grab an der Donau (een van zijn boektitels) nog wat geduld moet oefenen.