Ongeveer dertig procent van de aanhangers van Die Linke en AfD hebben meer vertrouwen in Poetin dan in Merkel. Extreem links en extreem rechts, hand in hand. Een verklaring: beide partijen rivaliseren in reactionaire modellen. Achter hun ‘engagement’ voor de ‘man in de straat’ gaat hun extreme machtshonger schuil, die ze willen bevredigen door de burger onmondig te maken, door hem te beroven van zijn individuele verantwoordelijkheidsgevoel, door zijn frustratiegevoelens voor hun oogmerken te mobiliseren en door de samenleving uiteindelijk tot een amorfe, kneedbare massa te degraderen. Daaruit rekruteren ze dan het crapuul.

 

Advertenties

Na de boerka…

26 oktober 2016

Hoe zit dat nu met de horrorclowns, mogen die in vol ornaat, met kettingzaag, op het strand gaan liggen?

 

Zelfkennis

25 oktober 2016

Meer dan eens heb ik de indruk dat ik geen moeite heb met dingen die niemand anders kan, maar dat ik dingen niet kan waar niemand anders moeite mee heeft.

 

Gras, regen

24 oktober 2016

Als ik mag kiezen ben ik onkruid, als het niet anders kan: dan gras, het gras waarover Bertolt Brecht in zijn zevende psalm zegt dat het sterker is dan de stier: het richt zich weer op. (Dat beeld schiet goed op met de drang van Rahel Varnhagen, geborene Levin, om zich aan alle elementen bloot te geven, want op de vraag wat ze deed, antwoordde ze: ‘Niets, ik laat het leven op me regenen.’)

 

Tijdvenster. Op zijn stand hebben we geen invloed, hoe we ermee omgaan des te meer. Het daagt uit, als het plots open staat: maak de sprong, nu meteen! Want daar gaat het om. Het probleem is niet dat we geen kans krijgen om te springen – zulke gelegenheden krijgen we genoeg -, maar dat we dralen omdat we aan de grond genageld staan, verbluft omdat plots de gelegenheid zich voordoet waarop we zolang hebben gewacht. Maar als het moment verstreken is, als we ongelovig staren naar het venster dat alweer gesloten is, maken we onszelf wijs dat het tijdstip niet rijp was. In werkelijkheid zijn we wanhopig van de spijt om het verzuim, wat we voor onszelf en de wereld moeten verbergen en verbijten. En van diegenen die de moed hadden om te springen, zeggen we dan vol bitterheid dat ze weer eens het geluk aan hun kant hebben gehad, dat geluk dat eens te meer aan ons is voorbijgegaan.

 

De stad waarin ik woon

22 oktober 2016

ik loop door de stad uit dankbaarheid.
als een stam is ze, geveld, dood opgericht,
waaruit wat groen nog schiet:
op een tak tak tak een dunne twijg.

 

alles heeft ze me genomen, voor
ze me weer iets gaf. De jonge jaren blut,
de dromen zilt, het vocht te zuur om aan te nippen:
flakkering, vuil lichtspoor, klippen,
kwaadaardig, dom geschut.

 

en nu richt ze zich op,
ik zie de schaamte
– waarop ze als een amazone rijdt –
die paars opstijgt uit haar spleten
omdat ze me zo laat bevrijdt:
haar littekens vergroeid
met vuur en pijn van mij.

 

Potsdamer Straße 166

21 oktober 2016

Gisteren bij Staroske
(vanaf 1862 de hofleverancier van vlees)
– mijn rechtstaande maaltijd had ik bijna op –
zag ik in het restje van mijn bloedworst
plots de kop
van Gustav Noske
tussen een aardappel of zes
in een krans van rode kool
waar moorddadig sap uit lekte
zodat ik mijn mes
vol afschuw naast mijn bord
met dit bloedbad strekte.

 

Doek

19 oktober 2016

Vandaag in de Joseph Roth Diele
waande ik me Egon Schiele
(na vier Korn en een wodka weliswaar)
mijn liefste keek me met haar koeienogen aan
alsof ze een ezel op het doek zag staan.

 

Waarom ik hier sta, dames en heren? Omdat ik een vriend van Piet de Moor ben. Niet het soort vrienden dat elkaars deur platloopt. (Dat zou ook moeilijk kunnen: Piet woont in Berlijn en dat is toch zo’n 800 km bij mij vandaan.) Evenmin zijn we vrienden die bedgeheimen uitwisselen of op Facebook aan elkaar laten weten welke ouderdomskwaaltjes ze hebben. Misschien is ‘vriend’ zelfs niet het meest adequate woord. Misschien is ‘zielsverwant’ beter.
Ik weet nog precies wanneer ik Piet leerde kennen. In de lente van 1975. Ik was als jonge journalist net terug uit Vietnam waar ik de nadagen van een regime had meegemaakt en ik vertelde daarover in een cafézaaltje voor een klein publiek. Na afloop kwam een man naar mij toe: hij was een nóg jongere journalist, we bleken uit dezelfde negorij te komen, Wetteren genaamd. We bleken ook allebei wel eens te schrijven voor het weekblad ‘De Nieuwe’ en we hadden, op de koop toe, allebei iets met Duitsland, of de Duitslandén, want je had er toen nog twee en dat zou nog vijftien jaar zo blijven. Piet, germanist van opleiding, was net terug uit Berlijn waar hij twee jaar had gewoond en les gegeven. Ik, van mijn kant, had mij inmiddels op de televisieredactie van de BRT opgewerkt tot zogenaamde ‘Duitsland-specialist’, enkel gebaseerd op het feit dat ik mij redelijk in die taal kon uitdrukken.
Ik sla nu een decennium of zo over. Piet begint stukken te schrijven in ‘Knack’, ‘Vrij Nederland’ en nog een paar andere Nederlandse bladen over de politieke en de literaire cultuur in Duitsland en in de landen ten oosten en zuidoosten daarvan, Centraal-Europa en de Balkan. Het was alsof ik zat te wachten op die artikels, ik verslond ze. Hij leerde mij schrijvers kennen als de Serviër Aleksandar Tišma en de Albanees Ismail Kadare. Er zullen er in de loop der jaren nog vele andere volgen. Wat Tišma betreft: als ik jaren later, in volle Joegoslavië-oorlog met een cameraploeg bij hem kom in Novi Sad, blijkt hij zich die Piet de Moor uit België nog te herinneren. Piet léést namelijk niet enkel de boeken van die schrijvers, hij wil ze ook ontmoeten, met ze praten, liefst meer dan één keer. Die ontmoetingen hebben enkele kleine, prachtige portretten opgeleverd, onder meer in ‘Lettergrepen’, zijn vorige boek: over de al genoemde Kadare, de Hongaar Imre Kertész en de Duitsers Sebastian Haffner en Rudolf Lorenzen. Ook bij György Konrád en Claudio Magris is Piet de Moor kind aan huis – sta mij deze lichte overdrijving toe; allicht moet hij vooraf toch nog eens opbellen.
Die fascinatie met de cultuur en de geschiedenis van Centraal-Europa vindt zijn neerslag in een paar boeken, met als hoogtepunt ‘Schemerland – Stemmen uit Midden-Europa’. ‘Verslavend mooi’, schreef de recensent van ‘NRC-Handelsblad’. En, zeg dat ik het heb gezegd, dat is geen retorische overdrijving. Voor mij is ‘Schemerland’, even los van het boek dat hier vandaag wordt voorgesteld, een hoogtepunt in het werk van Piet de Moor.
Midden-Europa, Mitteleuropa: voor iemand als Piet de Moor heeft die term een mythische klank. Sommigen zullen vinden dat hij die mythe, met wat ze inhoudt aan geschiedenis (gruwelijk genoeg), cultuur en literatuur, cultiveert. Waarschijnlijk is Piet een mens met aanleg tot nostalgie, iemand met heimwee naar iets wat waardevol was, maar onherroepelijk voorbij is. In het al genoemde ‘Lettergrepen’, een boek vol fijnzinnig geciseleerde notities, heeft hij het over zichzelf als iemand met een zachte droefenis over de vaalheid van zijn bestaan, zijn ‘in grijstinten gezette melancholie’.
Niet dat Piet de Moor zich alleen maar wentelt in het verleden van Centraal-Europa. Wie zijn blog uit Berlijn volgt, weet dat hij de vinger aan de pols heeft van wat zich daar ook vandaag afspeelt, en er is genoeg om bezorgd over te zijn: het Hongarije van Viktor Orbán, Polen met zijn nationalistisch-conservatieve populisten aan de macht, het Rusland van Vladimir Poetin. Standplaats Berlijn, flink naar het oosten, is dan een ideale uitkijkpost.
Nog één keer terug naar toen we nog jong waren. Piet ontdekte Berlijn in 1973. Ik was er een jaar later voor ‘t eerst. Sindsdien ben ik er vierentwintig keer terug geweest, soms voor twee dagen, soms twee weken; soms alleen, meestal met drie, een cameraploeg. De fascinatie voor de stad die Piet nog steeds heeft – getuige zijn boek – had ik toen ook. Ik deed soms letterlijk aan spoorzoeken, vooral rond het Anhalter Bahnhof (of wat ervan overbleef, de portiek) en de Potsdamer Platz, toen nog een stuk niemandsland dicht tegen de Muur. Op zoek naar schuldige landschappen. Ik kwam in de greep van de gevoelsmachine die Berlijn voor mij was. En ik vond er telkens weer, al was het maar voor eventjes, leegte en deugddoende eenzaamheid.
Soms schreef ik iets over Berlijn. Bijvoorbeeld dit, in ‘De Nieuwe Maand’ van februari 1989: ‘De Oost-West-scheidslijn door Europa die Berlijn zo absurd in tweeën deelt, is een onvermijdelijkheid, allicht nog voor zeer lang.’ Zo zie je maar wat voor een belabberde profeet ik was. Acht maanden later valt de Muur. Piet de Moor is erbij, op het moment suprême, in de nacht van 9 op 10 november ’89. Ik kom met twee dagen vertraging aangesneld met mijn cameraploeg, op 12 november, net op tijd om de chaotische opening mee te maken van een geïmproviseerde grensovergang aan de Potsdamer Platz.
Het zou niet mogen en ik ben er niet trots op, maar met het verdwijnen van de Muur is mijn Berlijn-obsessie langzaam beginnen af te kalven. Dan is Piet, mijn zielsverwant, veel standvastiger. Hij voegde een jaar of zes geleden de daad bij het woord: de ‘randmens en verburgerlijkte bohemien’, zoals hij zichzelf noemt, verhuist naar Berlijn; in de thuisstad van de thuislozen heeft hij een huis gevonden.
Drie jaar geleden, bij de voorstelling van het al genoemde ‘Lettergrepen’, besloot ik de presentatie van zijn boek met de retorische vraag: ‘Wie anders dan Piet de Moor zou ooit het definitieve boek over Berlijn kunnen schrijven?’ Dat waren dan, voor één keer, wél profetische woorden. (Hoewel, ‘definitief’ is allicht nooit iets.)

Op 26 augustus noteert Piet in zijn Berlijnse blog: ‘Nu is het monster wellicht fit genoeg om zijn hok te verlaten. Het scharrelt op 413 pootjes, de voetnoten. Het is nog onwennig in zijn gelede bestaan van halve, nieuwsoortige duizendpoot met schild, spitsneus en facettenoog.’
Dat monster van Piet, dat me even aan Kafka’s Gregor Samsa doet denken, heet ‘Berlijn – Leven in een gespleten stad’. Toen hij die notitie op zijn blog postte, was ik net aan de laatste pagina’s bezig van het manuscript dat Piet mij in pdf had doorgemaild, en ik wist het toen al zeker: dit caleidoscopische Berlijn-boek, dames en heren, is niet alleen een prachtig boek, het is ook een belangrijk boek.

 

Liefdeslied

18 oktober 2016

amper ben ik van Gent in Eupen

of ik hunker naar je heupen

zodat ik rechtsomkeer wil maken

langs Laken recht naar ’t laken.

 

alle landschappen moeten verbleken

kleuren geven het bij voorbaat op

bij het witsel van je schoonste streken

die ik opbleek met mijn vingertop.

 

het geuren, vloeien, trillen, beven,

het weven van je benen, ach, je web,

ik beeld me in al wat me is gegeven

alsof ik het nog niet gekregen heb.