Vlucht

31 mei 2015

Vlucht naar Berlijn. Vlucht?

Een zetel tussen twee andere, geklemd tussen twee brede, bleke, pafferige mannen die de krant lezen, zodat ik met mijn linkse oog de linkse krant en met mijn rechtse oog de rechtse krant meelees. Het gevoel hun aggregaat  te zijn, een gecomprimeerd circuit, één en gespleten, geplet en afgetapt.

Gedurende de hele vlucht ben ik K. uit ‘Het proces’: ‘Ze vormden nu alle drie een dusdanige eenheid, dat ze, als men een van hen had verbrijzeld, alle drie verbrijzeld geweest zouden zijn.’

 

Gevoelsniveaus

 

De zon zonk, rooskleurig, oranje. De zee

donker, blauwgroen. In de verte een schip –

een zwarte schommelende punt. Iemand

stond op en riep: ‘Een schip, een schip.’

De anderen in de taveerne stonden op uit hun stoelen,

keken ernaar.

Werkelijk, een schip was het. Maar de roeper,

schuldbewust nu, onder de woedende blikken

van de anderen, liet het hoofd zakken

en zei beteuterd: ‘Ik heb jullie voorgelogen.’

Jannis Ritsos, 1909-1990. Uit ‘Getuigenverklaringen’.

Vertaling Piet de Moor

 

Neus

30 mei 2015

Michalis, zaakvoerder van het pension waar ik verblijf, heeft werkelijk een grote, scherpe neus. Vanochtend stapte een man op hem af die zijn rechteroog met een hand had afgedekt, met de wijsvinger van de andere hand naar de neus van Michalis wees en zei: ‘U maakt mijn oog kapot.’

 

Vergankelijk

28 mei 2015

Maar liever dan te vertellen over de oude en de nieuwe vesting, over Venetiaanse, Franse en Britse veroveraars, over teruggeslagen Turken, over de luchtaanvallen van de Italianen, over de heilige Theodora, het muizeneiland, de afbladderende gevels met hun groene luiken en de streng van stegen en pleinen die zich boven de haven van Kerkyra verheft, heb ik het over de halve tomaat die een kraamster me op de markt in mijn mond stopte, hoe dat rijpe vuur mijn dorst leste en de smaak uitwiste van alle tomaten die ik ooit at. Ze kwam uit Arillas, ze was zoet, rood en verzadigd van eigen vlees. Ik zou eeuwig onthouden dat ik het binnenste van de vergankelijkheid had geproefd.

 

Duik

26 mei 2015

Vanmorgen op de steiger. Onder mij de zwarte vissen, geschoold om uit elkaar te stuiven als ik duik, alsof ik de sleutel van hun compositie ben.

 

Lucht

25 mei 2015

Op weg van Notos naar Petriti valt mijn oog altijd op een peperkoeken huisje op de heuvelkam. Vooral op hete dagen sla ik mijn blik neer, want dat huisje is zo frêle dat het in een oogwenk smelt. Maar als ik opkijk staat het er weer. Misschien loopt het allemaal niet zo’n vaart en hoef ik me geen zorgen te maken en is het van lucht gebakken.

 

Dies Irae

24 mei 2015

De honden van Notos en Agios Nikolaos, van Petritis en Perivoli, van Vitalades en Agia Varvara, ze blaffen niet meer als ik eraan kom. Zelfs Tito, de gemeenste hond uit de buurt, wiens ogen scherper dan zijn tanden zijn, neemt geen notie meer van me als ik zijn pad kruis. Wat een onverschilligheid! Al die honden, ik heb ze door de kunst van mijn passages getemd, door gewenning, niet door mijn stok.

Ik maakte mijn wandelingen zonder het straathondje Ira, mijn kleine begeleider die er een hele week verlamd bij lag. Een trap? Een aanrijding? Maar net toen ik overwoog om hem in Kerkyra in te laten slapen, krabbelde hij overeind, huilde en jankte niet meer, kwispelstaartte alsof er nooit iets aan de hand was geweest en ligt nu weer aan mijn voeten en siddert alleen nog in zijn dromen.

Wat een hondendag! Uit Berlijn belde mijn ontroostbare buurvrouw, die op mijn flat past, dat haar hondje Lara, geplaagd door een tumor, een paar dagen geleden het finale spuitje heeft gekregen.

Dat gebeurde allemaal vandaag en uitgerekend op de dag dat ik het mooie verhaal ‘Kapitanios’ van Stratis Myrivilis had gelezen: een hond redt een schipper van de verdrinkingsdood op zee, het trouwe dier wordt jaren later aangevallen en gebeten door een dolle hond, zodat de schipper zich uit zorg voor zijn kinderen genoodzaakt ziet om Kapitanios met een kogel af te maken. Een gezinsdrama.

Ik heb ‘Kapitanios’ heel graag gelezen. Het verwonderde me geen beetje dat de schrijver van ‘Het blauwe boek’, waaruit dit verhaal afkomstig is, een groot bewonderaar was van zijn landgenoot Alexandros Papadiamantis, wiens zwartgallige meesterwerk ‘De moordenares’ een verpletterende indruk op me heeft gemaakt. Een grootmoeder doodt haar kleinkind, een meisje, maar hoe en vooral waarom! Na lezing moet iedereen het betreuren een mens en zelf geen hond te zijn.

 

Gestroomlijnd

23 mei 2015

Nog altijd ben ik verbaasd over het voorkomen van de Korfiotische elektriciteitsmeterkastjes onderweg. Ze hangen allemaal  buiten aan de gevels, de meeste in een betonnen nis: postmoderne heiligdommen voor goden die in hun cyclopenoog rode en zwarte cijfers laten rollen, als eenarmige bandieten zonder arm. Sommige meters zitten achter glas, andere trotseren weer en wind, sommige zitten in hun harnas als gegoten, andere kijken door een benauwde spleet. Voor sommige huisbewoners moeten die kastjes een kostbaarheid met brandkastwaarde zijn, voor anderen waardelozer dan de draden waarin ze zich als levensmoeë marionetten hebben opgehangen. Ik kan niet genoeg krijgen van deze opstand tegen de eigen gestroomlijndheid. Sommige liggen obsceen te zoemen achter kapotgeslagen glas, andere kastijden hun romp in een bloemenkrans. Allemaal dragen ze een nummer, wat geen afbreuk doet aan hun individualiteit. Ik heb de meteropnemer ze bij hun naam horen noemen: ‘Loop naar de bliksem, Elli!’, ‘Een groot licht ben je nooit geweest, hé Stratis?’, ‘Geef gas, Kostis!’, ‘Uit mijn zon, Helios!’

 

Vuur

22 mei 2015

Het olijfhout: zelfs het vuur, door passie verteerd, moet er zich wond aan likken.

 

Zand

21 mei 2015

Notos. Waar de tropische Panorama-tuin van Euthanasios ophoudt, begint het strand: keien tot bijna aan de waterlijn. Kinderen gooien de stenen in het water, ze zijn trots op het plonzen en het spatten. Hun speelgenoten duiken ernaar en brengen de keien weer aan land, zodat alles herbegint.

En plots moet ik hier op Korfoe denken aan een tafereel dat Joseph Roth in zijn reportage over het Berlijnse Schillerpark in Wedding beschrijft. Of beter, Roth probeert in 1921 de betekenis te doorgronden van het spel dat de kinderen spelen in de zandgrond van het Schillerpark:  ‘Het zand heeft Onze-Lieve-Heer speciaal voor de kinderen uitgevonden, opdat ze in de wijze naïviteit van het spelen doel en bestemming van aardse bezigheden verzinnebeelden. Ze scheppen het zand van één plek in een blikken emmer, zeulen ermee naar een andere plek en storten de emmer daar leeg. Daarna komen er andere kinderen, die het opgehoopte zand weer in hun emmer scheppen en naar de plek brengen waar het vandaan gekomen is. En dat is het leven.’

En door die associatie van het keienspel op het strand van Korfoe en van Roths zandkinderen bijna honderd jaar geleden in het Berlijnse Schillerpark, krijg ik plots heimwee naar de barre zandgronden van Brandenburg en bedenk ik dat er voor spelende kinderen aan zandbergen waarlijk geen gebrek is in Mecklenburg, Pommeren en Berlijn, dus waarom niet ook voor het kind in mij?

Pruisenvorst Frederik de Grote was trots op de zandbak waarin hij heer en meester speelde. In 1776 schreef hij aan Voltaire: ‘Ik erken dat met uitzondering van Libië slechts weinig staten er zich op kunnen beroemen ons te evenaren wat zand betreft.’ ‘Dat verdomde zand,’ citeerde Theodor Fontane zijn vader in zijn herinneringsboek ‘Kinderjaren’. Het Berlijnse zand bleef de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann obsederen: het overal opwaaiende zand, de bomen met ‘woestijnervaring’, in het zand gestrande villa’s. Haar hopeloze advies: ‘Het beste is: met de ogen vast in het zand kijken.’

Eindeloos zou ik het Brandenburgse zand in eigen ogen kunnen strooien om me weer te verzoenen met Berlijn. Maar ik vergeet niet dat Stendhal in zijn dagboek  waarschuwde dat je al de duivel in je lijf moest hebben om in de Pruisische ‘zandzee’ een stad als Berlijn te bouwen. En om erin te wonen? Als een zwerfkei in een zandkasteel?