Wie is Textor?

31 oktober 2012

Wie is Textor? Zou hij de houtvester (Oberförster) uit Ernst Jüngers Marmerklippen kunnen zijn? En als hij de houtvester uit de Marmerklippen niet is, is hij dan misschien B. uit Hans Keilsons In de ban van de tegenstander?

Vader zei: ‘Als B. ooit aan de macht komt, dan zij God ons genadig! Dan zullen wij pas wat beleven.’

Advertenties

Goebbels’ smoel

31 oktober 2012

Gisteren diende ik me opnieuw aan in het Anti-Oorlogsmuseum in de Brüsseler Strasse, waar ik heel vriendelijk werd onthaald. Aangezien ik er helemaal alleen was, werd ik door een man die ik maar de suppoost zal noemen rondgeleid. Er zijn twee zaaltjes voor beide wereldoorlogen en verder is er een originele schuilkelder uit de Tweede Wereldoorlog. Op een houten deur heeft een vrouw met een boekhoudkundige precisie de dagen en uren genoteerd die ze vanaf het eerste luchtalarm van september 1939 tot de geallieerde bommenregen van 20 april 1945 in de kelder heeft doorgebracht (meer dan vierhonderd data).

Onder de vele klassieke voorwerpen die er geëxposeerd zijn (bommen en granaten) trekken er een paar mijn aandacht: een sierbord (voor de schoorsteenmantel?) met daarop de afbeelding van een krijgsgevangenenkamp in Erfurt (1914), een indrukwekkende (Goyaanse) foto van het West-Vlaamse slagveld Merkem op 18 april 1918 (Photo Antony d’Ypres), een zwart geschilderde Luftschutzlampe met bijbehorende doos van Osram (Berlijn 1945), een Volksempfänger (radio) die door de volksmond Goebbelsschnauze werd genoemd (die kostte toen 76 Reichsmark, wat met ca 310 euro overeenkomt), een originele gele jodenster, een Feldpostausgabe van Goethes Faust (deel I), een Luftschutz-Hausapotheke, een ‘gasbedje’ dat zuigelingen tegen gasaanvallen moet beschermen (een hoes in de vorm van een schoendoos met een kijkgat erin, waarop een zuurstofslang aangesloten is).

In het gruwelijke boek Krieg dem Kriege (Ernst Friedrich) staan foto’s van verminkte oorlogsslachtoffers uit Wereldoorlog I, ook een foto van een terechtstelling (kogel) met het Nederlandstalige commentaar ‘De zegen van de kerk’: ‘Onze schuld is het niet, wanneer wy in het bloedwerk van den oorlog ook nog beulswerk moeten verrichten. Den soldaat wordt het konde (sic, koude) yzer in de hand gegeven. Hy moet het gebruiken zonder afschuw; hy moet den vijand de bajonet tusschen de ribben stooten; hy moet zyn geweer op hun schedel stukslaan; dat is zyn heilige plicht; dat is zyn godsdienst’ (Dominee Schettler).

Zoals gezegd was de stichter van het museum, Ernst Friedrich (1894-1967), in de winter van 1933 met een deel van zijn museum (drukplaten) voor de nazi’s uit Berlijn naar Tsjechoslowakije gevlucht en vandaar naar Zwitserland, waar hij in 1935 na de publicatie van zijn boek Vom Friedensmuseum zur Hitlerkaserne wegens belediging van een bevriend staatshoofd werd uitgezet.

Met de steun van de Belgische Socialistische Partij en de vakbonden krijgt Friedrich asiel in België, waar hij zijn museum weer opbouwt. Op 4 oktober 1936 wordt het tweede Anti-Oorlogsmuseum in het Brusselse vakbondshuis geopend. Friedrich houdt een speech, in de ene hand een Hitlerdolk (met de gravure Blut und Ehre), in de andere een granaat, ‘twee voorbeelden van Hitlers vredeswil’.

De opening valt samen met de Brusselse Vredesweek van 4 tot 11 oktober 1936. In 1937 organiseert Friedrich verscheidene reizende tentoonstellingen, ook in Aalst en Gent. De Belgische pers noemt hem de ‘vredesapostel’. Volgens de Belgische kranten wordt de tentoonstelling in Gent door zesduizend mensen bezocht, en velen schrijven een opdracht in het gigantische Vredesboek. In 1937 volgt in de week van 28 maart – 4 april een gelijkaardige tentoonstelling in Aalst (in Friedrichs minibiografie door zijn kleinzoon Tommy Spree staan een aantal foto’s die de manifestaties in Gent, Aalst en Brussel documenteren, o.a. een foto in Le Peuple van 4 oktober 1936).

Na de Duitse inval in België wordt Friedrich in mei 1940 door de Belgische autoriteiten naar Frankrijk geëvacueerd, samen met zijn zoon Ernstl. Zijn tweede zoon, Buschi, overleeft in België in de clandestiniteit. Zijn vrouw Ella wordt door de nazi’s in de gaskamer vermoord. Ernst Friedrich en zijn zoon Ernstl worden door de Vichy-regering in de kampen van St.-Cyprien en Gurs geïnterneerd. De pacifist Friedrich sluit zich na zijn ontsnapping aan bij het Franse verzet.

Na de Duitse capitulatie richt hij zich tot hij de Berlijnse burgemeester Ernst Reuter met het verzoek om zijn derde anti-oorlogsmuseum te installeren in de ruïnes van de Kaiser-Wilhelm-Gedächtniskirche op de Breitscheidplatz, maar in Berlijn woedt inmiddels de Koude Oorlog en zijn voorstel wordt afgewezen. Friedrich overweegt om zijn anti-oorlogsmuseum in de buurt van Parijs op de sleepboot Arche Noah te installeren, maar dat is financieel niet haalbaar. Op een eiland in de Marne sticht hij in 1959 de Île de la Paix. Echte erkenning krijgt hij pas in 1965, twee jaar voor zijn dood, als hij op de Duitse ambassade in Parijs door Willy Brandt wordt geëerd.

Als ik het museum verlaat is het donker. Ik maak foto’s van de verlichte gevel, daarna ook van café Brüsseler Eck, een Eckkneipe op de hoek van de Brüsseler en de Genter Strasse. Daarna de paarse U6 van Seestrasse tot Leopoldplatz, de oranje U9 van Leopoldplatz tot Steglitz, de rode S1 van Steglitz tot Sundgauer Strasse. In de U-Bahn leest een vrouw tegenover me Victims van Jonathan Kellerman en de man naast mij Deep State van Walter Jon Williams. Thuis boterhammen met Parmesaanse kaas, vier vruchten, yoghurt en Sandy.

Schervengericht

30 oktober 2012

Ik slaap graag met het venster open. Een paar dagen geleden werd ik overdag zo moe dat ik geheel tegen mijn gewoonte in wat op bed ging liggen en meteen insliep. Ik werd gewekt door rinkelend glas, want ik woon boven een glascontainer waarin de bewoners van deze nederzetting zich van hun lege flessen ontdoen. In die heldere en koele slaapkamer, die uitkijkt op het noorden, hoor je overdag de onafgebroken geboorte van de scherven, die hun leven te danken hebben aan hun val. Als het klopt dat scherven geluk brengen, kan ik maar beter niet meer verhuizen.

Maar die namiddag wenste ik dat ik doof was voor wat de scherven beloofden. Ik vluchtte naar de woonkamer om de aankondiging van mijn al te grote geluk te dempen. Daar ging ik voor de manshoge spiegel staan om te controleren of ik nog intact was, of er geen barsten waren die zeven jaar ongeluk beloofden.

Hoe dan ook, zelfs met de vensters open ben ik er nog altijd beter aan toe dan Samuel Pepys met de vensters dicht aan boord van het schip Naseby. In een passage die ik niet meteen terugvind, beschrijft Pepys hoe ingenomen hij is met zijn kajuit, die immers twee vensters heeft, waarvan er een uitkijkt op het water en het ander op het dek. Maar in de nacht van 13 op 14 april 1660 regent het zo hard binnen dat zijn bed helemaal nat wordt en hij zijn toevlucht moet zoeken bij een andere slaper in een droger bed. Die nattigheid overkomt hem nog een keer op 19 april: als hij in bed wil stappen, merkt hij dat het weer helemaal doorweekt is van de regen, en dit keer wikkelt hij zich in een droog laken om de slaap te kunnen vatten. Maar Pepys’ nachten aan boord van het schip zijn doorgaans van een kwaliteit waarvan de beddenverkopers alleen maar kunnen dromen: door het wiegen van het schip slaapt hij als een roos. En verder is zijn humeur uitstekend omdat hij gedurende deze dagen op zee alleen maar voor zichzelf moet zorgen.

Ik vermoed dat mijn voornemen om de duizenden bladzijden van Pepys’ dagboek helemaal door te nemen, zonder ook maar een pagina over te slaan, ook dient om mezelf moed in te spreken opdat ik niet zou versagen. Terwijl aanhouder Pepys geen benul heeft van de afloop van zijn onderneming, geniet ik immers het voordeel dat ik dagelijks naar eigen goeddunken een paar splinters uit mijn dagboek aan de openbaarheid kan prijsgeven, zodat die meteen ook in de buitenwereld dringen.

Een torso van een tekst. Want natuurlijk vertel ik hier niet alles, het spreekt vanzelf dat ik een dubbele dagboekhouding voer en graag met dubbel krijt schrijf, zodat de dagboeklezer slechts de kop te zien krijgt van het paard dat ik berijd, en slechts een fragment van het achterlijf. De volle maan waartegen ik blaf is haast onzichtbaar voor de buitenwereld, zoals van mijn wolvengehuil alleen een zwakke echo hoorbaar is. En de lezer moet maar leven met de verduistering die ik hier onthul. Schrijvend leid ik een dubbel, en niet-schrijvend nog een derde leven dat alleen maar op het schrijven is gericht. Gabriel García Márquez had natuurlijk overschot van gelijk toen hij zijn biograaf inpeperde: ‘Een man heeft een openbaar leven, een privéleven en een geheim leven.’ En elke dag eet ik mijn schervengerecht.

Imitatio Textoris Teutonica

29 oktober 2012

Ik heb er geen bezwaar tegen dat de leider het voorbeeld van de Duitsers volgt, als de Duitsers het maar niet in hun hoofd halen om het voorbeeld van de leider te volgen.

Van suiker tot Zyklon-B

29 oktober 2012

Gisterennamiddag in de Noord-Berlijnse arbeiderswijk Wedding, Brüsseler Strasse, waar het kleine Anti-Oorlogsmuseum gevestigd is naast café Brüsseler Tor, een van de weinige resterende hoekkroegen (Eckkneipe) in de Brüsseler Kiez van Wedding. (Het woord Kiez, dat vooral in Berlijn gebruikt wordt voor een centrale plek die wat nestwarmte uitstraalt, stamt waarschijnlijk uit het Slavisch: een veilige plaats boven het vloedwater, een visserseiland).

Maar ik ben te vroeg, het museum, dat uit slechts één kamer (en een oorlogsschuilkelder) bestaat, gaat pas om 16 uur open. Ik maak buiten foto’s van een kleine sculptuur (gebroken geweer) in het tegenoverliggende postzegelparkje en van de gevel van het onopvallende rijhuis waarin de permanente tentoonstelling gevestigd is. Een honderdtal meter verder, in de Amrumer Straße 32, is het Zuckermuseum ondergebracht. Zo veel zuur en zoet op zo korte afstand van elkaar, denk ik, maar dat blijkt niet helemaal correct te zijn, want ook in het Suikermuseum valt er voldoende zuurs te beleven: uit een afvalproduct van ontsuikerde melasse werd de grondstof (Schlempe) gewonnen waarmee het Zyklon-B werd aangemaakt dat door de firma Degesch (Deutsche Gesellschaft für Schädlingsbekämpfung mbH) werd afgenomen van o.a. de Dessauer Zuckerraffinerie. In een brief van 21 maart 1944 bedankt SS-Oberscharführer Dr. G. Kunike zich bij Degesch voor de informatie in verband met de stand van zaken in een of ander gasprocedé. De context waarin de brief geschreven is, is moeilijk te achterhalen. De SS’er Kunike wenst een zekere Dr. Rasch, waarschijnlijk een manager van Degesch, snelle beterschap: ‘Ich begrüsse den Vorschlag des Herrn Dr. Rasch, gelegentlich beim Referat über Schädlingsbekämpfung der Waffen-SS und Polizei in Auschwitz vorzusprechen. Vor allem wünsche ich ihm baldige Wiederherstellung seiner Gesundheit. Heil Hitler.‘ Roerend. Boven de brief in de glazen kast staat een stevig blik Zyklon-B.

Er is ook andere informatie. Rembrandt gebruikte het hout van suikerkisten om op te schilderen, en uit de duigen van de suikervaten werden ook violen gemaakt. Als liefhebber in de filologie ben ik geïnteresseerd in de geëtaleerde suikerwoordenlijst: in alle talen overal in de wereld vind je het stamwoord ‘sarkad’ (Sanskriet) terug, zelfs in het Hongaars (cukor), het Lettisch (cukurs) en het Kiswahili (sukari), alleen niet in het Chinees (táng) en het Herero (oudji).

Bij een blik in het gastenboek ontdek ik dat dit museum volgende week definitief gesloten wordt. Het wordt overgeheveld naar het Technikmuseum in Kreuzberg, waar het in 2014 (ik schreef eerst per abuis 1914) weer voor het publiek toegankelijk wordt gemaakt. Ik heb dus geluk dat ik deze mooie collectie voor het laatst kan bezichtigen in het oudste museum van zijn soort, want het werd geopend op 8 mei 1904 in een prachtig pand van het Institut für Lebensmitteltechnologie. Ik maak een praatje met de vrouwelijke suppoost, die me vertelt dat slechts een selectie van de verzameling de verhuizing zal overleven. Ook de sinistere afdeling melasse? vraag ik me af. Ze is het helemaal met me eens dat die verhuizing een jammere zaak is, want de overheveling kadert in de grote trend om zo veel mogelijk bezienswaardigheden uit de rand van Berlijn naar het centrum over te brengen, een concentratie ten gerieve van de gepamperde toeristen. Wie zal nog naar het onbekende Wedding gaan als daar geen bezienswaardigheden meer zijn? Hoe lang zal het Anti-Oorlogsmuseum in de Brüsseler Strasse nog overleven?

Het Anti-Oorlogsmuseum (met beelden en schilderijen van Otto Dix en Käthe Kollwitz), dat in 1923 door de anarchist en pacifist Ernst Friedrich (Krieg dem Kriege) werd gesticht, bevond zich aanvankelijk in de Parochialstrasse, in de buurt van Alexanderplatz. Het werd in 1933 door de nazi’s geplunderd en vernield. Ernst Friedrich opende in 1936 in Brussel een nieuw museum, dat echter meteen na de Duitse bezetting van België opnieuw door de nazi’s werd vernietigd, terwijl het vroegere Berlijnse pand als Sturmlokal van de SA in gebruik werd genomen en een van de beruchtste Berlijnse folterkelders van de nazi’s werd. Het huidige Anti-Oorlogsmuseum bevindt zich sedert oktober 1984 in de Berlijnse Brüsseler Strasse.

Maar na de bezichtiging van het Suikermuseum keerde ik niet meer terug naar het Anti-Oorlogsmuseum, dat ik wellicht later deze week bezoek. Het was een mooie herfstdag. Ik wandelde tot het begon te schemeren, en dat was rond vijf uur. Ik nam in de Seestrasse tram M13, en via de Osloer Strasse reed ik over de Bornholmer Brücke de Bornholmer Strasse in. Een beetje verder stapte ik uit aan de Schönfliesser Strasse, die ik volgde om verder rechtsaf de interessante Gleimstrasse in te slaan, tot aan de tunnel waar tot 1989 de grens (de Muur) tussen oost en west verliep. Dan liep ik door het druk gefrequenteerde Mauerpark, waar ik foto’s van de volle maan maakte, dan rechts de Bernauer Strasse in en dan te voet tot aan de Chausseestrasse. (Het was koud en de panden van mijn zwarte hemd waren veel te kort, ik moest ze telkens opnieuw achter mijn broeksriem proppen, tevergeefs.) Vandaar met de U6 tot Friedrichstrasse en dan met de S1 naar de Sundgauer Strasse, verdiept in een editie van Die Welt die in station Friedrichstrasse gratis werd uitgedeeld. Thuis meteen in pyjama, brood met paté en geitenkaas, vier stukken fruit, yoghurt en Faust.

PS: De Belgische wijk ligt in het Weddingse vierkant dat afgebakend wordt door Seestrasse, Müllerstrasse, Luxemburger Strasse en Amrumer Strasse.

Vermageringskuur

29 oktober 2012

Van varkenskop tot rattenstaart.

Zondag in Berlijn

28 oktober 2012

Ik ging gisterenavond laat naar bed, nadat ik tot ver in de nacht enkele verwaarloosde kranten met de schaar had doorploegd, wat ook een vorm van aandacht is. Nu is het een prille zondagochtend en een uur vroeger dan gisteren dezelfde tijd, tot mijn vreugde toch wel, want het belooft een prachtige dag te worden, nee, hij is het al. De geraniums op het balkon staan nog altijd in bloei, al met een huivering in het blad, niet meer zo zomerdorstig. Ik heb het zonnescherm op het balkon uitgezet om niet door het felle licht verblind te worden. Alles ademt vrede en rust uit. De dubbele deuren naar het balkon staan open, zodat ik het treintje van de S-Bahn al vanuit de verte hoor naderen, op zijn zondagse wieltjes. Er is geen zuchtje wind, alles is roerloos onder de stralen.

Als het treintje richting Wannsee koers heeft gezet, valt er een moeilijk te beschrijven stilte over het ondiepe decor dat nu mijn kleine wereld is en waar alleen het gekwetter van de vogels verraadt dat er achter de coulissen ook nog figuranten schuilen die zich met geen stokken op scène laten jagen. Misschien is dat wel het geluk, het vermoeden te kunnen genieten van een toestand die even niet voorbijgaat, want zo’n constellatie waarin het innerlijk in harmonie is met de schoonheid van een intens waargenomen buitenwereld verdient het gekoesterd te worden, omdat het bezit is dat niet bezeten kan worden, dat geen speciale plaats in het geheugen bezet en dat misschien juist daardoor unieker is en dieper gaat dan al datgene wat we niet meer kunnen vergeten, hoe aangenaam ook.

Niettemin, het leven is mooi, ook omdat ik het in grote eenvoud en soberheid leid. Ik doe mijn werk graag, het wordt kritisch gewaardeerd door diegenen die het talent hebben het te beoordelen, ik heb goede vrienden die me niet vergeten en mijn kinderen, die me ondanks hun volwassenheid toch het gevoel geven dat ik als vader nog fit genoeg ben om hun iets bij te brengen – alleen al door hun ontvankelijkheid leer ik van hen, en blijf ik jong – zijn volop bezig zich de wereld toe te eigenen, waarmee ik bedoel dat ze hun voelsprieten behoorlijk ver uitsteken.

Hoe is dan de toestand waarin ik verkeer? Ondanks de afstand ben ik overal dichtbij – het treintje voor mijn deur rijdt noord- en zuidwaarts en het staat me vrij erin te springen – ik ben vrij, wat wil zeggen dat ik niet de gevangene ben van het beeld dat anderen zich van me vormen, want hier, in Zehlendorf, aan de rand van Berlijn, geniet ik een haast perfecte anonimiteit, en ik geniet er ook van. En ja, het maakt me ook gelukkig dat ik hier een beeld kan schetsen van de clandestiene toestand waarin ik me bevind, dat ik door hem te beschrijven eruit kan treden zonder mezelf prijs te geven, dat ik in het besef verkeer dat het ouder worden misschien alleen al de moeite loont om tot dit inzicht te komen, waarmee ik zeker niet bedoel dat de jeugd een stoofpot is die alleen maar dient om ervaringen voor later gaar te koken. Want elke dag is en heeft zijn eigen gerecht.

PS: Als Jan Fabre die varkenskop in de tuin van de leider heeft gedeponeerd, kan die laatste hem misschien aan Wim Delvoye geven om er stront van te maken.

کریم‎ Van Overmeire

27 oktober 2012

کریم‎ is de Arabische schrijfwijze van Karim, de voornaam van de gedoodverfde genereuze NVA-schepen die Aalst onder de leeuwenvlaggen wil verstikken.
Want: ‘Karim (alternatively spelled Kareem, or Kerim) (Arabic: کریم‎) is a common given and surname of Arabic origin. Karim is one of the 99 names of Allah, meaning Generous.’

Gelukkige omstandigheden zorgen ervoor dat ik een uitgebreide correspondentie voer. Heel wat vrienden en kennissen vragen me waarom ik mijn blog (ik heb het liever over mijn dagboek), gedurende meer dan een jaar zo verwaarloosd heb. Als ik er goed over nadenk – maar ik ben niet zeker of het klopt – moet ik die drooglegging toeschrijven aan de dierbare Hans Keilson, van wie ik in opdracht van uitgeverij Van Gennep meer dan een jaar lang een groot aantal essays vertaalde die eerder in het Duits bij uitgeverij Fischer verschenen waren.

Toen ik de essays van Keilson in Berlijn begon te vertalen, moest ik aan mezelf ervaren dat vertalers levende doden zijn en dat ik geen uitzondering was, want het leek wel alsof ik tijdens het vertalen niet één maar een dubbele dood gestorven was, iets wat me zeer verward zou hebben als ik mezelf niet had beloofd dat ik uit die dode – in het enkelvoud, aangezien het om mij ging – zou opstaan. Het was een pijnloze, en daardoor onaangename vorm van dood-zijn. Want wie vertaalt – en in mijn geval verkeerde ik in de rare toestand dat ik als dode tegen de klok werkte, wellicht was ik daarin een precedent – concentreert zich zodanig op zijn zinnen dat hij in een soort trance verzeild geraakt die alleen door zijn onmiddellijke omgeving, door de roep dat het eten klaar of het bed opgewarmd is, verbroken kan worden. Daar is de breuk voor één keer de navelstreng. Maar hier, verscholen in mijn Berlijnse stulp, was er geen omgeving meer, ik had net zo goed twintigduizend mijlen onderzee of in het neusgat van het mannetje in de maan kunnen werken. Die afzondering kwam de kwaliteit van mijn werk wel ten goede, maar ze ging ook gepaard met de voor niemand zichtbare en voor mezelf nauwelijks voelbare afbraak van mezelf. Er waren immers geen prikkels van buitenaf meer, terwijl ik toch ook naar Berlijn was gekomen omdat het me in L. aan stimuli – niet te verwarren met sensaties – ontbrak.

Toen het vertaalwerk na een maand of acht was voltooid, duurde het een hele tijd voor ik weer voldoende bij mijn positieven was om in de wereld van de levenden overeind te krabbelen. Ik verkeerde niet in de comfortabale situatie van Lazarus die zijn bed opnam en wandelde, maar ik moest me bevrijden uit het harnas waarin ik mezelf had ingesnoerd, wat me des te zwaarder viel omdat ik verzuimd had het bijtijds te oliën, waardoor ik de verroeste onderdelen – vooral de maliënkolder – maar moeilijk los kon maken.

Tijdens mijn werkzaamheden overleed Hans Keilson, 101, met wie ik bij hem thuis in Bussum op zijn honderdste (in het Duits, zijn intieme taal, de taal waarin hij droomde en dichtte) de selectie voor de essaybundel had gemaakt. Na zijn dood schreef ik nog de inleiding (‘Rijden op twee ongezadelde paarden’) bij het leven en het werk van de schrijver en kreeg het daardoor tot mijn verrassing aan de stok met zijn weduwe, die zich naar mijn gevoel opwierp als de cipier van haar dode man. Want ja, postuum zijn de doden vaak nog onvrijer dan de levenden. De weduwe nam het de uitgever overigens kwalijk dat hij haar mijn inleidend essay niet eerder had voorgelegd, maar dat had hij ook niet gekund, want ik had mijn introductie een paar dagen voor de publicatie van het boek geschreven.

De weduwe was verbolgen omdat ik Hans Keilson reeds in de eerste zin van mijn inleiding een ‘Duitse jood’, en niet, zoals zij dat wilde, ‘de Nederlandse arts Hans Keilson’ had genoemd (want hij was in 1946 tot Nederlander genaturaliseerd, aldus de weduwe). Maar als ik hem dan toch een Duitse jood wilde noemen, dan had ik hem volgens haar als ‘de voormalige Duitse jood’ moeten omschrijven. Maar hoe had ik hem een voormalige Duitse Jood kunnen noemen toen ik in mijn introductie schreef: ‘Hoe groot was mijn verbazing toen ik ontdekte dat de Duitse Jood Hans Keilson, die voor de nazi’s uit zijn land had moeten vluchten, niet alleen vraagtekens had geplaatst bij de geallieerde bommenregen op nazi-Duitsland, maar dit al vóór het einde van de oorlog had gedaan. Nog vóór de Duitse capitulatie worstelde Keilson als Joodse balling in Nederland met de gewetensvraag: “Welke houding moeten wij – wij die met Hitler-Duitsland op voet van oorlog staan – aannemen tegenover de massale verwoesting van de Duitse steden?”’ Het citaat komt uit het essay ‘Een licht onbehagen’. Toen Hans Keilson het in 1945 in Nederland schreef, was hij nog altijd een Duitse jood, niet eens een voormalige.

Nog irritanter vond ik het dat, wat de behandelde joden betreft, de weduwe zich ergerde aan mijn zin: ‘Het was Keilsons ambitie om de scherven te lijmen, het leven van de slachtoffers te normaliseren en de betrokkenen indien mogelijk wat gelukkiger te maken.’ Wat dat ‘gelukkiger maken’ betreft, meende ze me zo te moeten corrigeren: ‘De betrokkenen… “wat gelukkiger maken” kan volgens mij nooit zijn ambitie zijn geweest; hun leven iets dragelijker maken, misschien.’ Daarop repliceerde ik met een citaat uit Keilsons essay ‘Zeven sterren’ uit 1999: ‘Ook zij die zich aan mijn zorgen toevertrouwen leren naar hun invallen te luisteren, de een wat vlugger dan de ander. Op die manier leert men hoe men zijn levensgeschiedenis in taal kan transformeren om er zich zo enigszins van te vergewissen wie men is en hoe het zover gekomen is, en om, als dat nodig is, correcties aan te brengen om een beetje gelukkiger te zijn.’ Of geldt die zin soms niet voor de joden? Is het omdat ze in de kampen gezeten hebben dat de overlevende joden alleen nog recht hebben op een draaglijk leven, en niet op een beetje geluk?

Kort daarop legden de weduwe en ik het allemaal bij, naar mijn mening toch omdat ik het soepelst was en accepteerde dat ‘de Duitse jood’ uit de eerste zin van mijn inleiding verdween. Ik aanvaardde de verzoenende hand die de weduwe naar me uitstak. En nu ben ik door allerlei associaties die Hans Keilson wel zouden bevallen tot een thema gekomen dat ik aanvankelijk helemaal niet wilde aanraken, maar wie eenmaal begint te graven hoeft zich niet te verbazen dat hij ook dingen vindt die hij niet heeft gezocht.

Om het af te ronden: de vertaalde essaybundel verscheen onder de titel Liever Holland dan heimwee, hoewel ik mijn oorspronkelijke titel, Waar de taal niet bij kan, nog altijd veel geslaagder en treffender vind. Maar nu moet ik natuurlijk ook nog vertellen hoe ik het werk van Hans Keilson ontdekte en hoe en waarom ik het aanprees bij een verstandige uitgever die er warm voor liep, overigens tot zijn eigen voordeel en tot dat van de vele verknochte lezers die Hans Keilson al veel vroeger had verdiend. Maar dat is voor een volgende keer, want ik was de hele dag op stap, en fotografeerde in Berlijn de weerschijn van de dingen, waarover later ook nog meer.

Afgrond

26 oktober 2012

Wie nooit aan de afgrond stond, heeft nooit vleugels gehad.