Weert of remt of bijt Berlijn me af? Vorige woensdag op het perron in Gent. Naar Berlijn met twee tussenstops. De trein loopt binnen met een half uur vertraging, zodat ik in Brussel de trein naar Keulen net niet mis. Op weg naar Duitsland hetzelfde lied, zodat ik in Keulen ternauwernood neerplof in de trein die zich meteen bij zoveel tegenwind oostwaarts in beweging zet. Is dat geen duidelijke taal? Kan ik maar niet beter voor altijd terugkeren naar de schoot waaruit ik gekropen ben, mijn vochtig vossenhol in Vlaanderen, klein genoeg voor mijn eigen Waterloo? Of toch maar naar het zuiden? Het zuiden misschien in plaats van het al te kille Pruisisch blauw, waarin ik al te ingewikkeld ben? Zou er een perron in Napels zijn? En dan toch uit mijn dagdromen ontwaakt, kom ik stipt aan in Berlijn, kleiner en vetter dan ik ooit ben geweest, niet met een steek op mijn hoofd, maar in mijn hart. Nooit kwam het perron in Hauptbahnhof me leger voor, ik stond er als magere klaver in een met ijs geschrobde serre, reikhalzend naar de snavel die me voor altijd uit mijn dorre grond zou rukken. Waar zijn de open armen van weleer? Geen havens meer, alleen nog het gehavende? Waarom (alsof ik het niet wist) hebben de straatnamen van Kreuzberg me de oorlog verklaard, zeg het me, Herren Gneisenau, Yorck en jij verdomde Blücher, heb ik soms iets misdaan tussen Hasenheide en Hermannplatz, waar ik mijn slag verloor: ma belle, mon alliance? (Als ik daar een mens heb vermoord, dan toch alleen maar mezelf?) Zelfs in mijn kamer is het nu donkerder dan in vorige winters en de luchten trekken hun schorten niet meer uit. Alleen in de keuken bloeien de kerstrozen ongegeneerd op de vensterbank, driftig, schaamteloos, hun kroezende bloesems zeggen me dat ze uit mijn vergetelheid om hen te begieten hun kracht en lust hebben geput. Zie hoe ze hun roze snavels opensperren en hoe ze hun heupen en bekkens schudden alsof het cimbalen zijn. Alsof ik al op een vochtig eiland ben gestrand. Dan hangen de bloeddoorlopen toppen van hun trossen verzadigd neer omdat ik er geboeid naar kijk.

 

Advertenties

Maisonne

28 november 2014

Meizon. Het Duitse ‘Maisonne’. ‘Seine Erscheinung flirrte in der Maisonne wie das Urbild eines Traums.’ (Hanns-Josef Ortheil, ‘Blauer Weg’). Maar ik las het woord ‘Maisonne’ verkeerd, ik ‘verlas’ het. Ik las ‘maisonne’ als een (onbestaand) Frans woord, een dochter van ‘maison’ en ‘maisonnette’, zeker een vrouwelijk huis, zowel naar geslacht als naar betekenis, een huis van geborgenheid. Mijn fout was associatief, omdat de verschijning in Ortheils meizon wel degelijk een huis is, en wel het huis van zijn dromen, waarin hij zijn intrek neemt.

 

Liefde

28 november 2014

Het moeilijkste: je liefde betuigen door ze te verbijten.

 

 

Niet alleen voor seks

27 november 2014

De lust gaat gelijk op. Maar het ware genot is dat van de ander.

 

Melancholie

26 november 2014

Omdat ik er geen ring voor vind, kan ik niet opboksen tegen de melancholie.

 

Topofobie II

25 november 2014

Enige tijd geleden schreef ik het stukje ‘Topofobie’, de angst voor plaatsen. Dat stukje zou Franz Kafka wel bevallen hebben, denk ik, niet alleen atmosferisch, ook omdat er in mijn Italiaanse verbeelding een associatie meespeelt met zijn angst voor ongedierte. Het Italiaanse ‘topo’ betekent immers ‘muis’. In december 1917 laat Kafka in een brief aan Max Brod zijn ‘banale angst voor muizen’ de vrije loop en analyseert hij zijn vrees voor het ‘met geheime bedoelingen geladen verschijnen van deze dieren’ die ‘door hun nietigheid zo ver van ons staan en daardoor nog minder grijpbaar zijn’. Franz doet een beroep op de kat, met wie hij meteen ook op voet van oorlog leeft omdat ze de donkerste plek heeft uitgekozen om hem haar aanhankelijkheid te bewijzen: het binnenste van zijn pantoffel.

 

 

Herfst op het palet.

24 november 2014

Wat een heerlijke herfst in Vlaanderen. Zoveel tinten dat het palet het schilderij al is.

 

– Mag ik binnenkomen, vroeg E., met een zware koffer in het deurgat.

– Ik heb ook maar twee handen (om je op te dragen), zei ik.

 

Puin

22 november 2014

Over vijf jaar ligt Europa weer in puin. Misschien kunnen we preventief al een glas melk drinken.

 

Café ’t Geheim

21 november 2014

In W., waar ik helaas geboren werd, het café ’t Geheim. Oeroud. Altijd vol met noeste kaartspelers, krijt en strepen, geen kostuums. Een banaal café dat zich elke dag verbaast over zijn weergaloos succes. Ik kwam erop toen ik bij vrienden bij wie ik logeer buiten op de muur een oud straatnaambord zag hangen: Bookmolenstraat. Café ’t Geheim bevindt zich op de hoek aan de overkant, waar Molenstraat en Collegiebaan samenkomen. Het is voor iedereen een raadsel, maar iedereen kent het Geheim.