Verraad

8 september 2014

De kosmos is een dwangbuis voor wie zich verraden voelt.

 

Londen, mobiel

7 september 2014

Kingsway Hall Hotel, 66 Great Queen Street, Covent Garden, Londen. Met z’n drieën in de lift, een Britse dame, een Italiaan, ik. Allemaal gezwind naar de vierde verdieping, restaurant. De Italiaan spreekt met zijn stentorstem in zijn mobieltje, hard. De dame gaat frontaal voor hem staan, steekt beide wijsvingers hoog in de lucht en dan diep in haar oren. Aangekomen.

 

Landing in Sheerness-On-Sea

6 september 2014

Sheerness-On-Sea. Schier aan zee. Maar ik voel geen eiland (Sheppey), misschien omdat ik geen voeten heb. Marine Parade, een promenade. Als ze konden, rezen mijn haren nog hoger te berge dan de Muur die zich weert tegen de Thames – of is het al de zee?

Seaview heet het café in de Alma Road, maar er is wijd en zijd geen zee te bekennen, maar goed dat de kroeg gesloten is. Marine Parade – wie zou hier willen paraderen? Een dode vrouw duwt een kinderwagen voort in de schaduw van de drie maal manshoge Muur, die hier geplaatst is omdat God tijdens het scheiden van de elementen zijn hand heeft afgehakt. De Muur ziet eruit als breiwerk, stekeblind, een bruine pull, met symmetrische Führermotieven. This area is likely to be flooded.

Voor het huis nummer 26, dat zoals andere marineparadehuizen een spitse villa probeert te zijn, staan een blauwe en een groene vuilnisbak op een ommuurd koertje met smerige tegels tegen elkaar geschurkt, vrolijker kleuren verrotten erin. De huizen verdrijven de tijd door aan elkaar te palen. Allemaal zijn ze on sale. Ze hebben steile trappen met zeven treden opwaarts die naar een ander voorgeborchte leiden. Hier moeten mensen wonen.

Op het vasteland ziet het schroot er deftig uit, opgevreten door neerslachtig zout dat zich op de staalfabriek heeft afgezet. Tegenover huis nummer 26 schittert een ambulant stadstoilet met muntgleuf en lijnt een parkeerplaats voor een invalide. De bewoner van de Marine Parade die de zee wil zien, ligt met een fles gin in bed, met braaksel in zijn oog. Want het is onmogelijk om de zee te willen zien, die loden wieg. Tegenover de Seaview staat een al even gesloten kroeg, de Napier, achter sperhout. Wat zien de stoelen achter het bestofte vensterglas er bekrompen uit, hoe roze bloeien de plastic stengels achter het bord met het vertwijfeld opschrift Sunday Roast.

En dan buiten, boven de voordeur van de Napier, het balkon dat urbi et orbi et mari op twee gele zuilen steunt. Ik wil dat allemaal niet opschrijven, ik had toch op Capri moeten zijn en zie me hier nu staan met mijn macchina da scrivere die nergens onderdak vindt. Wat een leegte links en rechts van de Marine Parade, links in de verte de spits van een kerk of kapel die weer eens in de ruimte priemt, rechts een weg die overgaat in een andere weg waarop het regent. Wat is de eindeloosheid hier volwassen. Wat heeft ze het karakter van een blind alley zodra ik mijn ogen open.

Er is geen ontkomen aan de vlucht die ik in een zwarte mantel onderneem, een dubbele wodka met tomatensap, ijs en citroen in de rechterhand en in de linkerhand een bus met peper om in eigen kont te strooien als ik vaart verlies. Ik heb mijn opvoeding stevig in de hand.

Ik ben op weg naar het Halfway Cemetery waar ik tussen Sheerness en Queenborough met lichtjes in mijn ogen veilig land.

 

Maanstonde

5 september 2014

Een rechtstreekse spoorwegverbinding Victoria Station-Sheerness is er sedert 1973 niet meer. Tussen Newington en Sittingbourne valt de nacht. Nu gaat het strak met het peillood in mijn schoenen naar het noorden. Zodra de brug over de Swale in zicht komt hangt de maan erbij alsof ze met hagel is doorzeefd. Ze druipt in een gaas van bloed en lymfevocht.  Ik kijk ernaar met een chirurgisch oog. Alles is rond en gewond nu het doel op mij afschiet.

 

Pravda

4 september 2014

13 Kensington Palace Gardens W8 4QX. Londen. De hele dag een interview met de Russische diplomaat Joeli Kvitsinski over de Berlijnse Muur. Het bijzondere is niet dat het gefingeerde gesprek tot in de details met de werkelijkheid strookt, maar dat ik het postuum heb gevoerd.

 

In de buurt van The Deep eet ik een taart die op een amfitheater lijkt in een amfitheater dat op een taart lijkt. Straal x straal x pie.

 

 

Bleu

30 augustus 2014

Mijn geluk en mijn ongeluk zijn beiden blauw. Het ene is het van nature, het andere omdat ik er de vroedvrouw van ben. Misschien heeft het niet genoeg lucht gekregen, het is blind en doof en van het gestorte bloed blauw tot in zijn vingernagels. Toch ransel ik het af, en als het niet meer bont is, is het nog altijd blauw. Ik noem het bij zijn bijnaam mijn malheur, maar het scheldt me uit voor bleu.

 

Narrenschip in Friedenau

27 augustus 2014

A. noem ik Dr. Sonne, omdat hij, net zoals Avraham Ben Yitzhak in Canetti’s Ogenspel, alles weet, alles gelezen heeft, elk muziekstuk kent, alle muziekinstrumenten heeft bespeeld, en omdat hij – ein Gebildeter – een  vrouwenkenner is, een branche waarin hij me adviseert, zoals hij me ook in de letteren wegwijs maakt, zodat ik nu zeker wel Anton Reiser van Karl Philipp Moritz lees. Hij heeft Samuel Beckett nog ontmoet en is een en al leergierigheid. A. is 67, connaisseur en grandseigneur. Als de rijzige dienster van 18 strak langs hem heen loopt, zucht hij vertwijfeld, maar niet zonder ironie: ‘Ze heeft me geen blik waardig gekeurd.’ En dan bestelt hij ijs. M. is psychoanalytica en vertelt me uit haar leven. Omdat ze geen tijd heeft om te lezen luistert ze naar vertellingen op cd, onlangs Jahrestage van Uwe Johnson, nu Ulysses van Joyce. Ze is een vrolijke vrouw, die twee dingen tegelijk kan doen, iets waarin de mannen falen, zegt ze met een glimlach die maakt dat ik haar geloof. S. is in 1968 uit Tsjechië naar Berlijn gekomen, hij is een cineast wiens droom – een film over Kant – niet is uitgekomen. Zijn informatie is niet altijd even betrouwbaar, want hij probeert me wijs te maken dat Leopold II in Congo eigenhandig foto’s heeft gemaakt en dat Conrads Hart der Duisternis zich in Vietnam afspeelt. G. schrijft zijn biografieën en romans eerst in het Frans, Engels en Italiaans om ze dan in het Duits te vertalen, maar zijn manuscripten blijven onuitgegeven. Hij geeft een tijdschrift uit. En dan is er E., even goudblond als de Victoria op de Siegessäule, die met haar amandelogen de woorden uit mijn mond eet en me doet rillen als ze haar hand op de mijne legt. Ook is er de dame van wie ik de naam wel nooit zal kennen, maar die me altijd Der Tagesspiegel overhandigt omdat ze weet dat ik die krant graag als eerste lees. Al die mensen maken deel uit van het podium dat het terras van het S-Café in Friedenau is, waarop een stuk wordt opgevoerd dat zo lang de zon schijnt duurt. En die blijft maar schijnen in Berlijn en Brandenburg: DDR-weer noem ik het, Pools weer zegt A., weer dat tussen Elbe en Oder heerst, droog, zonnig, verstandig weer, weer dat weet wat mensen nodig hebben. Een leerschool is het S-Café, soms der liefde, soms gewoon een school waar de bel nooit gaat. Alles sprankelt, is wijsheid en schoonheid in die aula, waar de linde zich in een zalig groen heeft gehuld en waar het grote huis uit de Gründerzeit aan de overkant als een machtig schip ligt aangedokt, een narrenschip dat zijn loopplank al heeft uitgegooid voor de hele kwettercompagnie.

 

Van Gogh

25 augustus 2014

Natuurlijk sneed van Gogh zijn oor af. Had hij zijn oog moeten uitrukken misschien?

 

Schurken etc.

24 augustus 2014

Ik ga liever om met schurken dan met gefrustreerden. De gefrustreerden zijn er immers van overtuigd dat de bron van hun frustratie hun het recht geeft om hun misdaden te begaan. Ze berekenen. Ze gebruiken. Ze lopen nooit strafrechtelijke risico’s. Ze vinden er plezier in anderen te beschadigen omdat ze zelf beschadigd zijn. Ze schitteren in hun vermoorde onschuldrol en dragen onder hun schmink de sporen van het witsel waarmee ze hun graf hebben gekalkt.