Op donderdag 4 juli 1996 overkwam me iets vreemds in Boedapest. Ik was naar de Hongaarse hoofdstad gereisd met het vage plan om er Imre Kertész en György Konrád te interviewen. Mochten ze niet thuis zijn, zou ik wel iets anders verzinnen in Boedapest, die roetige, vitale stad waar altijd wel iets te beleven valt. Van Konrád had ik het adres en het telefoonnummer. Ik belde hem, hij nam op en stelde voor dat ik ’s avonds bij hem thuis langs zou komen. Van Imre Kertész had ik alleen het telefoonnummer, maar omdat het niet meer bleek te kloppen, kreeg ik bij hem geen gehoor. Hoe dan ook, die avond vergiste ik me van adres. In Boeda stond ik voor een huis in Török ut 3 waar ik tot mijn verbazing geen naambordje van Konrád vond, maar wel van een Imre Kertész. Later bleek die Imre Kertész van Török ut 3 inderdaad de schrijver Kertész te zijn die ik ook wilde spreken. Het lot had me in de miljoenenstad tot vlak voor de deur gebracht van de schrijver naar wiens adres ik op zoek was, al was dat niet de schrijver met wie ik die avond een afspraak had. Die avond was ik veel te laat op mijn afspraak met György Konrád, die kon lachen om mijn verhaal.
Een paar dagen later was ik bij Kertész op bezoek. In ‘Lettergrepen’ heb ik die eerste ontmoeting beschreven: ‘Na een lange treinreis ontmoette ik Kertész voor het eerst op 8 juli 1996 in Boedapest. Het was hartje zomer. Kertész zat te werken in een bloedhete kamer – ik weet niet meer op welke verdieping – een naakte kamer, de kamer van een asceet, nee, de ascetische kamer van een vitale, levenslustige man, de kamer die zo vaak in zijn werk terugkeert. (Terwijl ik dit schrijf sla ik “Ik, de ander” nog eens open en omdat het lot me gunstig gezind is, lees ik op pagina zesentwintig de toepasselijke zin: “In mijn veel te warme kamer lees ik ‘Wat niet in het dagboek staat’ van Marai.”) Ik herinner me dat Kertész ergens schrijft dat hij in die flat van achtentwintig vierkante meter vijfendertig jaar gewoond heeft, en dat zijn werk tot stand is gekomen in wat hij dat “noodlottige” appartement noemt. Het scherpst herinner ik me de onbeschrijflijke hitte, het zweet dat hij met een zakdoek van zijn gezicht wiste. Ik vroeg me af hoe hij in die omstandigheden kon werken, maar hij werkte onafgebroken, “als een roofdier dat zich op zijn prooi stort”. Die hitte was voor mij toen de genius loci van de plaats. (Ik vermoed dat Kertész zichzelf met muziek op de been hield, want toen ik hem later, na zijn onderscheiding met de Nobelprijs, in de zomer van 2003 in het bloedhete Berlijn ontmoette, niet bij hem thuis, maar in het Wissenschaftskolleg in de Wallotstrasse, zei hij, terwijl het zweet van zijn hoofd gutste, dat hij tot niets anders in staat was dan het beluisteren van muziek.) Veel meer dan een tafel, een paar stoelen en een wastafel stond er niet in die kamer in Boedapest. Ik herinner me dat het er sjofel was ingericht en dat ik onder de indruk was van de grenzeloze vriendelijkheid van een man wiens alter ego in zijn werk doorgaans een uitgesproken barse toon aanslaat. Ik herinner me ook nog dat hij het uitvoerig had over het operetteachtige karakter van het Horthy-regime en dat we spraken over zijn vertalingen van Canetti en Nietzsche naar het Hongaars. Ik herinner me verder dat hij opgetogen was met de stukken die ik destijds in de krant over “Kaddisj voor een ongeboren kind” en “Onbepaald door het lot” geschreven had, want hij wees me erop dat hij in Hongarije zo goed als onbekend en verstoken van waardering was, een thema dat ook in zijn werk terugkeert. Ik was van meet af aan geïmponeerd, vooral door de toon van zijn werk en de volstrekt onconformistische benadering van zijn onderwerp, dat de kern van zijn joodse leven en werk is: Auschwitz als een gebeurtenis die onbegrijpelijk zou moeten zijn, maar het niet is.’
Ik onderscheid drie soorten schrijvers. De schrijvers die ik verwerp, die ik bewonder en van wie ik houd. Kertész behoorde tot de laatste categorie. Zijn beste boek is het ‘Dagboek van een galeislaaf’.
Ik heb nooit begrepen waarom Kertész in 2014 uit de handen van de reactionaire premier Viktor Orbán de Stefaansorde aanvaardde, een decoratie (ook Hermann Göring kreeg ze) waarmee Orbán overigens een eerbetoon uit het Horthy-tijdperk had gereactiveerd. Horthy was in het interbellum een bondgenoot van Hitler. Ik was diep ontgoocheld. Het was alsof Kertész door het aanvaarden van die orde deel ging uitmaken van de perversiteiten die hij zijn hele leven had bestreden. Konrád had die Nobelprijs moeten krijgen, dacht ik toen.

 

Advertenties

Hagel

30 maart 2016

Onderweg naar huis begint het na een donderslag te hagelen. Ik heb mijn hoed op en hoor de kogels op het vilt inslaan, niet het decente aankloppen van bent u soms thuis, maar het harde kloppen van ik wil erin.

 

Vandaag weer eens een oproep van een uitgever om een boek te lezen dat mijn leven zal veranderen. Hij moet daarin wel iets positiefs zien. Hij lijkt niet te begrijpen wat een wrede belofte, wat een dreiging uit zijn woorden spreekt. Hij beseft niet wat een ravage ik bij vrienden en geliefden aanricht als ik mijn leven verander. Dat verandering niet noodzakelijk een verbetering hoeft te betekenen wist het personage van de Zorgenlast in Goethes ‘Faust II’ overigens al: ‘Vormveranderlijk en schimmig/ heers ik altijd even grimmig.’

 

‘Heb je in de laatste “Spiegel” gelezen hoe Bart de Wever onze kanselier Merkel de mantel uitveegt,’ zegt I.
‘Ja,’ zeg ik, ‘al is het een slecht artikel. Het interview met De Wever dateert van vier weken voor de aanslagen. Wie wil daarmee nu nog uitpakken? Dat de redactie van “Der Spiegel” dat gesprek – eigenlijk is het maar een citaat – al die tijd heeft laten liggen, pleit niet voor de geïnterviewde. Maar goed, in dat gerecycleerde interview noemt De Wever de vluchtelingenpolitiek van Merkel “ein epochaler Fehler”.’
‘Wat is dat eigenlijk voor een man, die De Wever?’
‘Zijn bekrompenheid is grenzeloos, als hij niet dik is van rancune, is hij dun van ressentiment, al is hij natuurlijk ook wel leep. Al in november voorspelde hij het spoedige politieke einde van Angela Merkel. De Wever verwees daarbij naar de opinie van de “Neue Zürcher Zeitung”. Maar in werkelijkheid had de NZZ daarover op die dag geen mening, het gaat niet om een redactionele commentaar. Die oerdegelijke Zwitserse krant had op 2 november 2015 wel een opiniestuk gepubliceerd van Hans-Hermann Tiedje, de ex-hoofdredacteur van de Duitse sensatiekrant BILD die het spoedige einde van Merkel profeteerde. Die persoonlijke mening van die Tiedje probeerde De Wever in “De Morgen” van 14 november als de opinie van de NZZ te verkopen, om de degelijkheid van zijn eigen standpunt te onderstrepen uiteraard. Wacht even, ik neem het interview van De Wever in “De Morgen” er even bij en citeer: “[Angela Merkel] heeft een historische fout gemaakt in de asielcrisis, en ze durft ze niet recht te zetten, waardoor de fout alleen maar erger wordt. Ik las in de ‘Zürcher Zeitung’ dat dit haar politieke ondergang wordt. Ik geloof dat ook. Ze heeft haar eigen graf gegraven. Ze heeft nog de keuze om er zelf in te springen of om er zich in te laten duwen. Ofwel gaat ze door het stof, met excuses op tv en dan is ze politiek dood, ofwel schuift Schäuble haar opzij. Dat is nog een kwestie van weken.” Einde citaat. Iets onnozeler en arroganter over dat thema heb ik nog maar zelden van een politicus gelezen. Bovendien een voorspelling die als een stenen tafel op zijn tenen valt.’
‘Die meneer De Wever heeft zich dus vergist?’
‘Ja, De Wever gaf Merkel halverwege november nog enkele weken. Maar Merkel zit steviger dan ooit in het zadel. Kijk eens, Duitse politieke leiders als de Beierse christendemocraten Horst Seehofer en Edmund Stoiber zijn ook bekrompen mensen, maar ze hebben het excuus dat hun horizont door hun ligging in een Alpendal beperkt is. De Wever kan dat excuus niet inroepen.’
‘Je bent een Merkel-fan?’
‘Nee, maar toch hebben het beleid en de persoon van Merkel, een domineesdochter, me bijna met het christendom verzoend, al blijf ik wel een ketter,’ zeg ik met waarschijnlijk een blos.
‘Nee toch, am deutschen Wesen soll die Welt genesen?’
‘Maar ze is ook problematisch. Zonder dat te willen, heeft ze het in de Duitse grondwet verankerde partijstelsel uitgehold. Ze was nooit een overtuigde christendemocrate, maar een door morele richtsnoeren gevormde pragmatica. Als overtuigde Europeaan heeft ze het postpartijpolitieke tijdperk in Europa ingeluid, althans toch dat van de klassieke volkspartijen. Haar aanhang bij groenen en sociaaldemocraten is bijna onrustwekkend.’

 

Mystiek

27 maart 2016

‘Het gotische kathedraalgevoel moet je in Berlijn wel derven. De Nikolaikerk verrijst tussen de DDR-kitsch, de Marienkriche met haar verblekende dodendansfresco wordt door de televisietoren overmand. Waar moet een ongelovige met hunker naar wat mystiek met Pasen heen in Berlijn?’ klaag ik bij I.

‘Wat is een kathedraalgevoel?’ vraagt I.

‘Dat is het gevoel dat bij mijn weten Heinrich Heine in ‘De romantische school’ het best heeft verwoord toen hij de gotische kathedralen beschreef als tere giganten, zo ragfijn uitgehouwen dat je ze voor Brabantse kant van marmer houdt, bouwwerken die je de kracht van een tijdperk laten voelen, een tijd “die zelfs de steen zozeer meester wist te worden dat hij op bijna spookachtige wijze met geest bezield lijkt, dat zelfs deze hardste materie uitdrukking geeft aan het christelijke spiritualisme”.’

‘Hm. Als hout goed genoeg is voor wat mystiek, gaan we naar het park achter het slot van Charlottenburg,’ zegt I., ‘daar staat de bij mijn weten oudste eik van Berlijn, op de wei naast de vijver, een Quercus petraea, een “Traubeneiche”, hoe zeg je dat in jouw taal?’

‘Een wintereik, geloof ik, zullen we dan maar eens gaan?’

 

Manuscript

26 maart 2016

‘Ben je tevreden met je manuscript,’ vraagt I., want ik heb het wel degelijk ingediend.

‘Omdat ik het alleen maar heb herschreven, kan ik me niet meer herinneren dat ik het ooit geschreven heb,’ antwoord ik. ‘Maar ik ben wel benieuwd om het te lezen.’

 

De tweede inenting

25 maart 2016

I. spreekt me nog eens aan over de executie van de schrijver en criticus Erich Knauf, die door de nazi’s werd onthoofd omdat hij zich in het openbaar denigrerend over Hitler had uitgelaten.*
‘We kunnen ons hemel en hel voorstellen,’ zeg ik, ‘en zelfs het
eeuwig leven, maar niet dat we nu nog gezond zijn en leven en over tien seconden door de ingreep van een ander al niet meer. We kunnen ons dat niet voorstellen, omdat het ons aan de wil ontbreekt om het te kunnen. Kun je je voorstellen dat je allerlaatste indruk de plof is waarmee je bebloede hoofd in een emmer valt?’
‘Ik las in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van gisteren een hartverscheurend verhaal over de duizenden Bosnische moslims, mannen en jongens – niet eens soldaten – die in 1995 door de Servische troepen van Ratko Mladić en Radovan Karadžić in en om Srebrenica zijn vermoord,’ zegt I. ‘Slechts een paar gevangenen, die zich onder de bergen van lijken hadden verscholen en zich voor dood hielden, hebben de massa-executies overleefd. Ze ontsnapten ternauwernood aan wat de moordenaars “de tweede inenting” noemden, het genadeschot. Die paar overlevenden konden later getuigen. Ze vertelden dat ze wisten dat ze gingen sterven. In hun verhalen speelt hun dorst de hoofdrol. Een van hen zei met de dood voor ogen: “Geef ons water, daarna kunnen jullie ons ombrengen.” Het was de grootste wens van veel slachtoffers om niet dorstig doodgeschoten te worden.’

 

* Blog van 10 maart.

 

Donderdag

24 maart 2016

Vandaag vol ijver gezocht naar de veren waarmee ik het oorkussen van de duivel had willen vullen.

 

Scheren

23 maart 2016

‘Werner Sombart (1863-1941) was een Duitse econoom die heel droevig werd omdat een Berlijnse verslaggever aan het front (WOI) bewondering opbracht voor het feit dat sommige Engelse soldaten in de loopgraven over een scheerapparaat beschikten. Sombart daarover in “Händler und Helden” (1915): “Dat is treurig: midden in een zo grootse gebeurtenis aandacht besteden aan het verwijderen van baardstoppels uit een knap gezicht. Elk scheerapparaat in de loopgraven lijkt mij een akelig teken van de holle, Engelse kruidenierscultuur te zijn”.’

‘Wat wil je met dat citaat aantonen?’ vraagt I.

‘Dat we intellectuelen nooit genoeg kunnen wantrouwen,’ zeg ik, ‘vooral omdat hun invloed vaak veel groter is dan hun verstand.’

(Citaat van Sombart uit ‘Nacht over Europa’, Ernst Piper, Bezige Bij)

 

De Iden van maart

22 maart 2016

‘Europeanen zijn nog nooit zo eensgezind geweest: ze zijn het kotsbeu.’ Dat was de titel van een ontspoord opiniestuk van de algemeen secretaris van de N-VA, Louis Ide, verschenen op 17 maart. Helemaal in overeenstemming met Shakespeare dacht ik toen: ‘Beware the Ides of March’.