Brandweer

29 februari 2016

Ik leer I. wat Nederlands, maar een al te goede leraar wil ik niet zijn. Ik ben immers dol op de foutjes die ze maakt.
Zondag zei ze nog: ‘Je laatste mail zal ik nooit blussen.’
Maar zo heet was die nu ook weer niet.

 

Een spelbreker

28 februari 2016

‘Enige tijd geleden vertelde je dat Goethe zich ook onweerstaanbaar aangetrokken voelde tot de achternaam van zijn geliefde. Vulpius, weet je nog?’ vraagt I.
‘Zeker,’ zeg ik, ‘Goethe zei toen toe dat hij de “piramide van zijn bestaan voortaan zo hoog mogelijk in de lucht wilde spitsen”. Hm.’
‘Je dacht dat je een grote ontdekking had gedaan, een diepere blik in het onbewuste van de dichter had geworpen…’
‘Ja…,’ zeg ik, nu al op mijn hoede.
‘Je vergist je,’ zegt I., in ‘De man zonder eigenschappen’ noemt Robert Musil haar de vrouw met de “half onfatsoenlijke naam”.’
‘Die verdomde Oostenrijker,’ zeg ik knarsetandend.

 

(Zie blog van 12 februari)

Impasse

27 februari 2016

‘Wat nu?’ vraagt I. ‘Tevreden?’

‘Geblokkeerd door alle richtingen die ik uit kan,’ zeg ik droog.

En verzwijg, alsof ik al gevangen ben, dat ik de vrijheid die ik krijg weliswaar waardeer, maar toch liever zelf verover.

 

Klaar en weg

16 februari 2016

Toen I. vandaag langskwam, zei ze: ‘Hé, je manuscript is klaar?’
Dat had ze goed gezien. Want ik had opgeruimd. En hoe! Niets lag of stond nog waar het had gestaan of gelegen. Eigenlijk was het nu een heel ander huis.
‘Eigenlijk is het nu een heel ander huis,’ zei I. En daarna, toen ik niets zei: ‘Je wilt zeker dat ik zeg: er staat geen steen meer op de andere?’
‘Juist,’ zeg ik, ‘er is zelfs geen grond meer om te blijven.’

 

De paus van de armoede en de patriarch van de luxe zijn in Havanna in elkaars armen gevallen. Maar de kans is klein dat ze na duizend jaar hun horloges gelijk hebben gezet. Kyrill draagt ‘oeri’ van de betere soort, Zwitserse. Toen hij eens met een peperduur model aan de pols werd gefotografeerd – betrapt dus – besloot hij in de toekomst gebruik te maken van de probate retoucheermethode. Maar in 2012 blunderde de fotoretoucheeridioot van dienst: hij toverde weliswaar het horloge aan de pols van Kyrill weg, maar vergat hetzelfde te doen met de weerspiegeling ervan in de gladgeboende tafel waaraan de patriarch aanzat. In de reflectie identificeerden experts een Breguet van 55.000 euro. Gods wegen zijn wonderbaar, zijn wijzers ook.

PS: Het klopt niet dat de ontmoeting een duizendjarig schisma overwint. Dat gebeurde al in 1964, toen Paulus VI de oecumenische patriarch van Constantinopel Athenagoras in Jeruzalem ontmoette. Kyrill, die overigens de rechterhand van Poetin is, staat wel aan het hoofd van de grote Russisch-orthodoxe kerk, maar Constantinopel (Istanbul) is nog altijd het leidinggevende tweede Rome in de orthodoxe geloofswereld, en Moskou, dat graag het derde zou zijn, is daarvan nog altijd een filiaal. De huidige oecumenische patriarch heet Bartholomeus, die met de ontmoeting van Rome en Moskou moest instemmen voor ze kon plaatsvinden.

 

… tot ze barst

14 februari 2016

Een lezeres is verbolgen omdat ik Charlotte von Stein eergisteren ‘zo hard aanpak’. Werkelijk? Charlotte wil Goethe voor zich alleen, maar hij mag haar niet aanraken. De 38-jarige, die geen oog voor andere vrouwen heeft, dreigt er kapot aan te gaan: ‘Ach beste Lotte, je weet niet welk geweld ik me heb aangedaan en nog aandoe en dat de gedachte je niet te bezitten me toch – hoe ik het ook wend of keer – sloopt en ondermijnt.’ (Brief van 21 februari 1787). Daarom noem ik haar een geharnast wijf. Geen wonder dat zijn kruik kort daarna in een ander barst.

 

De Russische Berlijner Vladimir Kaminer is in het genre van het komische stukje de beste schrijver die ik ken. Op een dag heeft hij een perceeltje van een ‘Schrebergarten’, een volkstuintje, gehuurd. Als hij daar eens aan het werk is, passeert een vrouw. ‘Hallo,’ zegt ze, ‘kent u me niet meer? Onze tuintjes liggen naast elkaar! Kijk maar, kijk maar!’ en ze draait zich om en wiebelt met haar achterwerk. ‘Ach, u bent het,’ zegt Kaminer.
Ik vertel dat verhaal uit mijn hoofd (het komt uit ‘Mein Leben im Schrebergarten’) omdat ik eraan moest denken toen ik een tijd geleden in het dagboek van R. B. Bandinelli een gelijkaardig verhaal las, maar nu een voorkantverhaal, dat ik ook uit het hoofd vertel.
Op een dag in 1938 moet Bandinelli, een beroemd kunstcriticus, Hitler uitleg geven bij de kunstschatten van Florence. (Bandinelli, die geen vriend van het fascisme is, is dus voor de duur van de rondleiding de Führer van de Führer). Voortaan is de Italiaanse geleerde ervan overtuigd dat hij Hitler ook aan de voorkant van zijn onderkant zou herkennen, zonder zijn bovenkant of zijn gezicht te hebben gezien.
Hoe dat komt? Plots staan ze voor Michelangelo’s ‘Tondo Doni’. Daar neemt Hitler een diepzinnige houding aan die zijn gids uit de duizenden zou herkennen: de Führer legt zijn beide handen op zijn onderbuik, een voor hem typisch gebaar dat Bandinelli innerlijk becommentarieert met de gedachte: nu heeft hij de enig overgebleven werkloze in Duitsland bedekt.
Maar Bandinelli geeft ons ook Hitlers commentaar bij het beroemde schilderij. ‘Michelangelo, Michelangelo,’ murmelt de Führer vanuit de diepte van zijn keel, ‘als het bolsjevisme gekomen zou zijn…’.
Waarop Mussolini, die natuurlijk ook van de partij is, Hitlers gedachte afmaakt in zijn Romeins gekleurde Duits: ‘Alles zerstèert.’

 

‘Misschien is over Goethe nog niet alles gezegd,’ zeg ik tegen I.
‘Vooruit dan maar,’ zucht ze.
‘Misschien niet direct over Goethe, maar over zijn “Bettschatz”, Christiane Vulpius. Hij was bij de veertig, zij een jaar of drieëntwintig. Hij zag er goed uit, hij was net uit Italië terug in Weimar, gebruind. Hij had haar nooit eerder gezien, zij stond hem op de drempel van zijn woning am Frauenplan op te wachten met een smeekbrief voor haar broer, die ze graag ergens geplaatst had gezien. Ze sprak hem aan. Ze moet een sensueel mirakel zijn geweest, de bliksem sloeg in, ze gingen meteen naar bed, dat bed moest sindsdien telkens weer worden gerepareerd, erg stevig zal het wel niet geweest zijn, maar toch. Het ging heel snel, zegt Goethe zelf ergens geloof ik, niet het bedrijven van de liefde, maar het naar bed gaan.’
‘Is dat dan allemaal nieuw?’ vraagt I.
‘Nee, nee, wat ik wil zeggen: hij was natuurlijk meteen stapel, voor altijd, maar ik denk dat de indruk die haar naam op hem maakte altijd al is onderschat. Ik weet niet of een biograaf daaraan al aandacht heeft besteed. Maar het kan niet anders of hij was ook door haar naam bekoord en gefascineerd. Christiane Vulpius: daarin klinkt de onheilige alliantie door van christelijke hocus pocus en klassiek heidendom. Maar wat heeft hij zich niet allemaal voorgesteld bij de naam Vulpius? Zeker ook wel voluptas, wellicht ook vulva. Haar naam, een comparatief, droop van de seks. Hij heeft hem op zijn tong laten smelten. Ook dat wilde hij peilen.’
‘Hm,’ zegt I.
‘Hij hield veel van haar, ook al las ze bijna niets van hem, alleen iets als ze zich stierlijk verveelde, wat haast nooit gebeurde. Want ze kookte voor hem, hij werd wat dik, ze was goed in bed. Wat kan een man meer verlangen van een vrouw, toch niet dat ze elke avond naar het theater gaat? En als hij op reis was, hunkerde hij naar zijn eroticon.’
‘Werkte ze niet in een soort bloemetjesfabriek?’
‘Ja, dat zal hem ook wel aangesproken hebben, hij die in zijn gedichten zo graag heideroosjes plukt of viooltjes door tere voetjes laat vertrappen. We weten niet zeker of Vulpius naast Faustina, die hij in Rome beminde, niet ook in zijn “Römische Elegien” binnendrong: “Und belehr’ ich mich nicht, indem ich des lieblichen Busens/ Formen spähe, die Hand leite die Hüften hinab?”’ *
‘Was hij eigenlijk seksueel wel trouw?’
‘Ik denk het wel,’ zeg ik, ‘al ben ik er niet zeker van. In een brief aan Herder – wacht ik neem hem er even bij, 10 oktober 1788, toen kende hij Vulpius nog maar pas – in die brief schrijft hij dus aan Herder: “Er gaat toch niets boven de hoeren, daar kan geen eerlijk man, geen eerlijke vrouw, geen eerlijk meisje tegenop.” Zijn brieven zijn soms aangebrand als hij ze naar mannen schrijft, geen wonder dat hij zijn correspondent dan vraagt om ze te verbranden.’
‘Ben je rond?’ vraagt I.
‘Zijn koude vlam, Charlotte von Stein, was versteend van de schok toen ze hoorde dat hij wild samenleefde, zo heette dat toen, Vulpius had de naam een hoer te zijn, maar daar haalde Goethe zijn neus voor op. Maar Charlotte was dan ook een geharnast wijf, een ijspegel van hier tot Tokio, ze wilde niet met hem, haar verdiende loon,’ zeg ik nog vol leedvermaak.

 

* Met de ‘telkens als ik een…’ in de overigens al te gecompliceerde vertaling van Geert van Istendael (Lannoo/Atlas) kan ik me niet verzoenen:

‘Trouwens, leer ik niet, telkens als ik een lieflijke boezem
Zie, dat de hand naar de heup glijdt, onweerstaanbaar omlaag?’

Ik probeer even tussendoor:

‘En leer ik niet bij, als ik van haar boezem de lieflijke vorm
viseer, door mijn hand langs haar heupen naar omlaag te leiden?’

 

Enige tijd geleden stond er in het ‘Kulturkaufhaus’ Dussmann in de Friedrichstraße voor mij aan de kassa een man aan te schuiven die ik ergens van kende. Het was Thomas de Maizière, de grijsdoorgroefde minister van Binnenlandse Zaken. Nu, de kans om te achterhalen wat hij daar kocht wilde ik me niet laten ontgaan. Het was geen boek, het was ‘House of Cards’. ‘Bijscholen, excellentie?’ – was de vraag die op mijn lippen brandde.

 

Een kopstoot met Goethe

10 februari 2016

Gisteren verwierp ik een tekstje dat ik niet goed genoeg vond. Dat gebeurt wel meer. Maar achteraf had ik er spijt van. Ik herinner me de tendens wel, maar niet de formulering. Ik kan ze niet meer achterhalen. Maar het kwam hier op neer: oermensen begonnen op rotsen te schilderen omdat dit een onschuldiger tijdverdrijf was dan met hun hoofd tegen de granieten wand lopen. Een soort van gesublimeerde kopstoot dus. Maar uiteindelijk vond ik het nogal flauwtjes. Maar kijk, vanmorgen las ik een brief van Goethe aan zijn oervriend Karl Ludwig von Knebel (Milaan, 24 mei 1788), waarin hij zijn terugkeer naar Weimar via Como en Chur aankondigt: ‘Daar zal ook menig stuk graniet betreden en weer eens geklopt worden. Ik koop hier een hamer en zal op de rots kloppen om de bitterheid van de dood te verdrijven.’ Dat is toch precies wat ik ook bedoelde.