Humeur

31 december 2017

De goede luim is een vrucht van het ongenoegen. Dat kan niet anders, aangezien het leven één grote bezwering is van het ongeluk, waarvan we hopen dat het ons in de beste omstandigheden treft.

 

Advertenties

De Italiaan

29 december 2017

Toen ik een paar dagen geleden in de late namiddag het metrostation Ku’damm richting Meinekestraβe verliet, sprak een vrouw me aan op straat: ‘Bent u de Italiaan?’ ‘Dé Italiaan?’ antwoordde ik, ‘ik ben niet eens een Italiaan.’ Dat was nadat ik van mijn verbazing bekomen was. Ik was gevleid. Italiaans waren alleen mijn nonchalance en mijn schoenen. Ze glommen zwart. Op dat glanzen hebben ze recht, de zolen weten waarom. (Door ze te poetsen geven we zin aan hun bestaan. Ze belonen ons door niet te knellen.) Ik had mijn hoed op, geen borsalino, een stetson. Maar wie ziet op dat uur het verschil in Berlijn? Toch geen Berlijner? Mijn jas was van het ruwe soort, goedkoop. Dat is in orde zolang niet dof is wat moet blinken en mat is wat niet glanzen mag. Ik had me niet geschoren, maar dat maakte van mij nog geen Italiaan. Het subtiel versleten sjaaltje misschien? De vrouw die me had aangesproken keek me nog een tijdje na. Ze wilde nog altijd niet geloven dat ik de Italiaan niet was. Misschien dat ik een volgende keer mijn rugzak thuis laat staan. Dan ben ik wel de Italiaan.

 

Toen ik gisteren onderweg was verdiepte ik me weer in ‘Hotelmens. Reportages en brieven’ van Joseph Roth, in de congeniale vertaling van Els Snick. Roth schrijft daarin niet alleen over dingen die de moeite waard zijn, maar de dingen worden vooral de moeite waard omdat hij erover schrijft, om het even of het gaat om een wit plafond of een vuile handdoek in een sjofele hotelkamer: ‘Toch wast de arme man zich net als op dinsdag en woensdag en hij probeert nog een schone hoek te vinden aan de handdoek om zich mee af te drogen. Maar een handdoek heeft slechts vier hoeken, en alle vier zijn ze vuil. Om over het midden maar helemaal niet te spreken’ (‘Het bittere brood’, Pariser Tageszeitung, 3 januari 1939). In het genre van het journaal kan alleen iemand als Sándor Márai zich meten met Roth. Márai zou het over de hotelkamer van Roths arme man kunnen hebben als hij schrijft: ‘Een onbekende kamer betreden was even opwindend als een moordenaar of de ouders van het slachtoffer interviewen’ (‘Bekentenissen van een burger’).

 

Habermann

26 december 2017

Enkele dagen geleden sloeg ik in het Literaturhaus een praatje met Efraim Habermann, die in de wintertuin in een pittige discussie gewikkeld was over een andere ophanging van zijn Berlijn-foto’s, die tot het decorum van het huis in de Fasanenstraβe behoren.

Efraim Habermann (°1933) is Berlijns-joods Urgestein. In november 1939 vluchtte hij, een kind van zes, met zijn ouders, die in de Friedrichstraβe een schoenwinkel hadden, via Triëst met de boot naar Palestina, weg van de nazi’s. Zijn grootouders werden in Auschwitz vermoord. Hij diende bij het Israëlische leger, keerde in 1957 naar Berlijn terug, waar hij als graficus en technisch tekenaar aan de kost kwam. In Berlijn ontpopte hij zich meteen na zijn terugkeer tot een gepassioneerd fotograaf, wiens ‘strooptochten’ door de stad goed vergelijkbaar waren met de mijne, hij met zijn fotoapparaat, ik met mijn pen, subtiele jagers allebei.

Efraim Habermann, een keurige heer, een gentleman, altijd met zijden sjaaltje, vlieger of das, smetteloos en onberispelijk gestreken hemd, krijtpak, glimmende schoenen waarin de wereld zich spiegelt, eeuwige sigaret, leerde ik kennen op een zonderlinge manier. Afgelopen zomer, tijdens de lectuur van ‘Heimkehr der Unerwünschten. Eine Geschichte der Juden in Deutschland nach 1945’ van de Fransman Olivier Guez, (met een voorwoord van Jorge Semprún, Piper, München, 2011) stuitte ik op het portret van een man, Efraim Habermann. Dat geschreven portret intrigeerde me meer dan de andere talrijke persoonsbeschrijvingen en biografieën in het boek van Guez. Ik had de indruk dat ik die meneer Habermann van ergens moest kennen. Ik googelde zijn naam. De bijbehorende foto bekrachtigde mijn vage vermoeden dat het ging om de bejaarde heer die het Literaturhaus geregeld frequenteerde, waar ik hem al een paar keer de ruimte had zien doorkruisen, heen en weer dribbelend van buiten (om te roken) naar binnen (om te eten).

Toen ik een paar dagen later weer eens in het Literaturhaus was en hem zag arriveren, wenkte ik hem en sprak hem beleefd aan. Ik had het bewuste boek natuurlijk bij me en toonde hem de bladzijden waarin Guez hem had geportretteerd. Habermann kwam aan mijn tafeltje zitten, verdiepte zich in de lectuur en foeterde dat hij het boek, dat toch al een paar jaar oud was, niet eerder onder ogen had gekregen. Hij vertelde me brokstukken uit zijn woelige leven, ik kocht zijn fotoboek (‘Berliner Stilleben’, Lehmstedt, 2011), hij signeerde het en nodigde me uit voor een retrospectieve van zijn oeuvre in Hotel Abba, op 4 juni 2017, waar ik overigens present was en zijn superbe foto’s van Venetië bewonderde. Wat houdt hij van die stad!

In Berlijn maakte Habermann, die nu niet meer fotografeert, harde, korrelige zwart-witfoto’s waarin schaduwen (Schloβ Charlottenburg, 1987, Literaturhaus Berlin 1993) en abstracte vormen een prominente rol spelen, maar uit zijn talrijke vrouwenportretten blijkt ook de erotische scherpzinnigheid van zijn Leica. Nergens anders dan op een foto van Habermann heb ik een viertal naast elkaar staande vuilnisbakken (Wilmersdorf, 1972) het verhaal van hun leven zo aanschouwelijk tegen een kale muur zien vertellen.

 

Voorlopige balans

25 december 2017

​Bijna acht jaar in Berlijn. De balans is goed. Ondanks inzinkingen heb ik naar behoren gewerkt. Ik heb goede vrienden, die weten dat ze ook op mij kunnen rekenen. In al die tijd is er maar één mens die me verraden heeft, en die haat ik niet eens, die moet met mijn verachting genoegen nemen. Want nog erger dan het verraad zelf is de weigering ervoor uit te komen: een verdubbelde laagheid, die het verraad bezegelt.

Schreddern

23 december 2017

Heel wat mensen begrijpen de betekenis van het dagboek niet. Mijn vriendin M. was enigszins geïrriteerd toen ik in het S-Café mijn dagboek bovenhaalde en haar confronteerde met haar uitspraak dat ze haar consumptie van eieren voortaan beperkte uit protest tegen het schreddern (versnipperen) van mannelijke kuikentjes, alsof ze zich door die uitspraak belachelijk had gemaakt. Dat klopt natuurlijk niet. Wie een dagboek bijhoudt, hoeft zich niet bij elke notitie af te vragen wat zijn motief is om ze op te schrijven. Die vrijheid is juist het overheersende motief om een dagboek bij te houden. Een dagboek is een ‘koppejager’ (je neemt niet alles mee met de ragebol), een geheel van fragmenten; het is geen fraai landschap, geen vertoon van metaforen, maar een bord vol gebroken, afgekloven botten. Het eten is op. Het dagboek boert.

 

Dilemma

21 december 2017

Mag je als lid van de #metoo-beweging nog naar een manifestatie van ‘Behoud de begeerte’ gaan?

 

Paranoia in de Volksbühne

6 december 2017

Misschien liet Frank Castorf destijds de stoelen uit de Volksbühne verwijderen omdat hij in DDR-tijden zelf de toneelfanaat was die – luidens de grap die toen circuleerde – naar de psychiater trok met de klacht: ‘Telkens als ik in de Volksbühne zit, heb ik het gevoel dat er iemand achter me zit.’

 

Gisteren bij een goede vriendin thuis. Een vertoning van Lubitsch’ ‘To be or not to be’ uit 1942, hetzelfde productiejaar als ‘Casablanca’. Naar aanleiding van de film hadden we een discussie over het regietheater. Mijn mening dat heel wat regisseurs alleen maar op goedkoop effectbejag uit zijn. Zij: ‘Niet veralgemenen!’ Ik vind een bondgenoot in Jean Cocteau, die in zijn dagboek, in tempore non suspecto (november/december 1942) de volgende notitie maakt over de ongeletterdheid van de ‘artistieke’ kringen waarin hij verkeert. Cocteau schrijft dat ze geen tijd hebben om te lezen: ‘Dat verklaart trouwens waarom cameralieden en regisseurs nooit een toneelstuk zien en nooit een boek lezen.’ Lubitsch bewijst dat er inderdaad toch uitzonderingen op die treurige regel waren/zijn, dat veeleisendheid (het vergt enige inspanning om de intrige van ‘To be or not to be’ te volgen) niet tegenstrijdig met geestig en spannend hoeft te zijn. ‘To be or not to be’ is hoogstaand entertainment, iets wat je in het regietheater vergeefs zoekt. We praatten ook over de Volksbühne. Ik: ‘Een stuk wordt er niet beter op omdat je met je kont op de grond moet gaan zitten in een tijdperk waarin de stoelen al een tijdje uitgevonden zijn.’