Vignetten

30 november 2018

Gisteren grasduinde ik in de Vignetten van H.M. Enzensberger, geschreven met de natte vinger, onnauwkeurig, arrogant van toon, maar toch onderhoudend, soms sympathiek, en niet helemaal onbruikbaar. Het zijn mini-portretjes van schrijver-overlevers. Over de joodse Rus Joseph Brodsky: ‘Seinen Vornamen verdankt er absurderweise Stalin.’ De Albanees Ismail Kadare krijgt zijn vet als draaier van kromme metaforen in De schemering der steppegoden en als opportunist, ‘Wendehals’, windhaan. Tegelijk begrijpt H.M. niet dat sommigen zich druk maken over Ryszard Kapuściński’s contacten met de Poolse geheime diensten, want hoe had de schrijver van De Keizer en Lapidarium anders als reporter zo vlotjes naar al die buitenlanden kunnen reizen? Maar in vergelijking met Hoxha’s Albanië was de Volksrepubliek Polen een liberaal paradijs. Waarom bij H.M. geen woord over het feit dat de geportretteerde Imre Kertész in 2014, op de drempel van zijn dood, uit de handen van Viktor Orbán de Sint-Stephansorde ontving, een aangebrand lintje uit het Horthy-tijdperk dat door de entourage van Orbán uit de mottenballenkist van het fascistisch tijdperk was gehaald? Hoe komt het dat de ene schrijver op het begrip kan rekenen dat de ander wordt ontzegd? Ismail Kadare wordt overal gehaat (al vindt H.M. hem uiteindelijk toch wel sympathiek). Aan het Balatonmeer verdedigde ik ooit de Albanees bij György Konrád die hem lichtjes verachtte en hem ‘een sluwe Levantijn’ noemde, en ik nam Kadare in Berlijn in bescherming bij de uit het Banaat geëmigreerde schrijver Richard Wagner (de ex-man van Nobelprijslaureaat Herta Müller) toen die de Albanees aanviel als een stalinistische collaborateur. Ook Herta Müller brengt geen enkel begrip op voor informanten van de Securitate (destijds de Roemeense geheime dienst), tenzij die tot haar eigen vriendenkring behoren (bijvoorbeeld de in 2006 in Berlijn overleden dichter Oskar Pastior). Nog eens: waarom de ene wel en de ander niet? Verre van mij om hier de informanten wit te wassen die handelden uit boosaardigheid en carrièrezucht of op persoonlijk voordeel uit waren. Alleen: volstaat het dat een informant niet tot je vriendenkring behoort, of zelfs dat je zijn motieven niet kent (of niet wilt kennen) om hem te veroordelen?

 

Advertenties

Op de laatste pagina van Less than one is Joseph Brodsky weer het jongetje dat zichzelf over de bevroren Neva in Leningrad ziet lopen. ‘Daarbij dacht hij er de hele tijd over na wat de vissen onder dat zware ijs wel deden.’ Natuurlijk moest ik bij die woorden denken aan Salingers Holden Caulfield, die zich in New York de hele tijd afvraagt waar de eendjes blijven als het wateroppervlak van de vijver in Central Park helemaal bevroren is. In zijn Reader’s Companion to J.D. Salinger’s “The Catcher in the Rye” heeft Peter G. Beidler uitgerekend dat The Catcher in the Rye zich moet afspelen halverwege december 1949. Dat zou best het tijdstip kunnen zijn waarop de kleine Brodsky zich, op weg naar school, op het ijs van de Neva liet glijden en twintig, dertig stappen naar het midden liep.

 

De laatste stap

28 november 2018

De laatste wegstervende stap… Iemand heeft ooit eens gezegd of geschreven dat er geen grotere beproeving bestaat dan te kijken naar de rug van een geliefd iemand die voorgoed weggaat. Maar zelf denk ik dat de ergste kwelling die een mens kan ondergaan het ingespannen luisteren is naar de wegstervende stap van een geliefd iemand die je misschien ooit nog wel eens tegen het lijf zult lopen, maar die dan iemand anders zal zijn, niet meer de mens die er toen geen benul van had dat een van de stappen die hij deed voor iemand die er met wanhopige scherpte naar luisterde de laatste was: die wegstervende, tere stap die je nog hoorde toen de mens aan wie hij toebehoorde al was opgeslokt door het vijandige, viltige donker dat hem voor altijd dempte.

 

Zwitsers

27 november 2018

Eindelijk heb ik een bevredigend antwoord gevonden op de vraag waarom de Zwitsers zulke meesterlijke horlogemakers geworden zijn: ze verveelden zich te pletter tussen hun bergen (die daarvoor dienden). Ze zonnen op een middel om de tijd dood te slaan. Nog meer dan door instrumenten uit te vinden waarmee ze de tijd konden meten, doodden ze die tijd door klokken te maken die ze eindeloos konden perfectioneren. De conclusie is dat de Zwitsers het fijn vonden elk kwartier door de bron van hun verveling, die ze volgens een hardnekkig misverstand de gedaante van een koekoek hadden gegeven, te worden opgeschrikt. De hele wereld bewondert hen daarvoor.

 

Leve de bureaucratie

26 november 2018

In de jaren van de terreur werden de slachtoffers van Stalin in de kelders van de Loebjanka-gevangenis met een nekschot vermoord. Tot die ongelukkigen behoorden ook enkele hoogstaande schrijvers die waren gearresteerd op grond van de boeken die ze nog in een recent verleden hadden gepubliceerd. Het rare was dat geen enkele directeur, ondervrager of bewaker op het idee was gekomen om die boeken uit de gevangenisbibliotheek te verwijderen. Sterker nog, voor ze werden terechtgesteld, konden de veroordeelde schrijvers de boeken ontlenen die hun het hoofd zouden kosten, boeken die ze zelf geschreven hadden, aangebrande werken die in de Sovjetboekhandel en de openbare bibliotheken al lang weggezuiverd waren. Solzjenitsyn, die de binnenkant van de Loebjanka wél overleefde, was onthutst over de rijkdom van de gevangenisbibliotheek. In de rekken stonden de werken van Zamjatin, Meresjkovski en Pilnjak. Hoe was dat mogelijk? Onverschilligheid en bureaucratische routine, meent Karl Schlögel in zijn monumentale Das Sowjetische Jahrhundert. Leve de bureaucratie!

 

In Gunzenhausen staat een fragment waarin mijn ik-persoon (Salinger) de volgende zin op zijn stilistische merites wikt en weegt: ‘Op een mooie morgen in mei reed een slanke amazone op een prachtige vosmerrie door de bloeiende lanen van het Bois de Boulogne.’ Misschien heeft een al te belezen lezer ontdekt dat deze zin afkomstig is uit De pest van Albert Camus. Het is de zin die de stedelijke ambtenaar en romancier in spe Joseph Grand even eindeloos herformuleert als verwerpt. (Waardoor Grand niet verder komt dan die eerste zin). Maar dat doet er hier allemaal niet toe, want Gunzenhausen puilt nu eenmaal van dergelijke referenties, knipoogjes, toespelingen, onzichtbare voetnoten, onderstromen. Belangrijk is wel dat mijn Salinger die openingszin van Grand citeert om hem eveneens te verwerpen, en hem met argumenten af te maken (en ook afmaakt) door alle adjectieven in die zin te schrappen.
Geen wonder dat ik gisteren getroffen werd door een fragment in het Boek der omzwervingen, waarin de aankomende schrijver Konstantin Paustovski een verhaal, dat hij op de redactie van De Sirene zit te schrijven, voor het oog van de binnenkomende Isaak Babel onder een krant probeert te moffelen. Maar Babel heeft hem door en schoorvoetend geeft Paustovski zijn vel papier te lezen aan de meester. Babel leest die eerste zin hardop. Die zin luidt: ‘Vindt u overigens niet dat deze zonsondergang de verre bergen als een lamp verlicht?’ Babel prijst de kwaliteit van Paustovski’s openingszin, maar merkt ook op dat er twee overbodige woorden in staan. ‘Babel haalt een potlood tevoorschijn, streept zonder te aarzelen de woorden “overigens” en “verre” door en verandert “deze” in “de”.’ Dan leest Babel de gecorrigeerde zin opnieuw voor, die nu zo luidt: ‘Vindt u niet dat de zonsondergang de bergen als een lamp verlicht?’ En als Babel aan Paustovski vraagt of de zin zo niet veel beter klinkt, antwoordt die: ‘Ja, dat is beter.’

 

Een fijngevoelige kreet

23 november 2018

Hoewel er eerlijk gezegd niet veel in te lachen valt (blasé als dat kapittel is), heb ik vandaag toch hartelijk moeten lachen om een fragment in het vierde hoofdstuk van Nabokovs roman De gave waarin de schrijver vertelt over de jonge Toergenjev die op een schip waarop brand was uitgebroken een matroos had toegeroepen: ‘Red mij, red mij, ik ben mijn moeders enige zoon.’

 

Gunzenhausen

21 november 2018

Gunzenhausen: een ‘roman van de feiten’ (Truman Capote), van de leemten tussen de feiten die ik met ‘de solide stof van de verbeelding’ (Danilo Kis) heb gedempt.