Herfst in Brandenburg

30 oktober 2014

wat een mooie dag

om te vallen

voor een blad

 

(op zondag 19 oktober)

 

 

 

Advertenties

Klanken

29 oktober 2014

Gisteren schreef A. me dat hij getroffen was door het klepperen van de geldstukjes in de munttelefoon in Truffauts ‘La peau douce’ (1964). Soms keer ik zelf  met gemengde gevoelens terug naar de tijd van de verdwenen klanken: het ratelen van de ratel van de mosselman, van de mosselschelpen op de kade, van de kolen in schop en kolenemmer, het hijgen van de hond in het broodkargareel, het brommen van de priktol, het krabbelen van meikeverpootjes in luciferdoosjes van Union Match, het sissen en fluiten van de stoomtrein, het neerploffen van de appels in de boomgaard, het tikken van breinaalden,  het schrapen van het scheermes, Verdi’s slavenkoor in ‘Opera en belcanto’ in de zondagnamiddagradio, het stuiteren van de knikkers, het loeien van de scheepshoorn op de Schelde, het hoesten in de kerk, de cadans van het maïskorrelkoor in de bus van de duivenmelkers, het krassen van de kroontjespen, het denderen van de met de voet aangedreven naaimachine, de beddenlakens die van het stijfsel kraken en het waken van de dunne stilte tussen gordijn en vensterglas.

 

Levensdoel

28 oktober 2014

Me niet in mijn graf omdraaien, maar erin roteren.

 

 

Als altijd – Wie immer

27 oktober 2014

De lamp is er nog,

de tafel is er ook nog,

en ik ben nog in de kamer,

en mijn hunker, ach,

zucht nog als altijd.

 

Lafheid, ben jij er nog?

en, leugen, ook jij?

Ik hoor een donker ja:

het ongeluk is er nog,

en ik ben nog in de kamer

als altijd.

 

 

Die Lampe ist noch da,

der Tisch ist auch noch da,

und ich bin noch im Zimmer,

und meine Sehnsucht, ah,

seufzt noch wie immer.

 

Feigheit, bist du noch da?

und Lüge, auch du?

Ich hör’ ein dunkles Ja:

das Unglück ist noch da,

und ich bin noch im Zimmer

wie immer.

 

(Robert Walser, vertaald door mezelf)

 

Droom

26 oktober 2014

Gedroomd, onder de invloed van ‘Het proces’? Een bedlegerige mens, zo zwak, dat hij niet eens de kracht heeft om te sterven.

 

 

 

Kafka en het leven

24 oktober 2014

Gisteren in het Literarische Colloquium Berlin (LCB), Wannsee, Reiner Stach over het pas verschenen derde en laatste deel van zijn Kafkabiografie, Stachs levenswerk: ‘Kafka, Die frühen Jahre’ (Fischer). Een Kafkadebat met Iris Radisch (‘Die Zeit’, biografe van Camus) en Rüdiger Safranski, zelf biograaf (Goethe, Schopenhauer, Nietzsche etc).

 

Ik noteer niets meer, probeer te onthouden wat raakt.

 

Radisch over Stachs Kafka als iemand die opdoemt als een spook en via almaar scherpere contouren een afgelijnd silhouet krijgt waarin het individu zich ontplooit. Safranski over Kafka als de schrijver die tot aan de grenzen gaat van wat in taal mogelijk is en daardoor alleen in het schrijven zelf gelukkig is, maar wat voor een geluk, en wat voor een prijs die ervoor betaald moet worden. Stach zelf: Kafka die door ijskoud water waadt, tevergeefs op zoek naar de warme golfstroom van het leven. Eigenlijk niets dan kilte en kou in het werk.

 

‘Es war spät abends, als K. ankam. Das Dorf lag in tiefem Schnee.’

 

En ik denk: zo is het maar. Kafka’s geschriften: koude golfstromen, die nergens uitmonden omdat ze stokken waar ze in ijs overgaan. Zo beschouwd maakt dit beeld een einde aan de zinloze en onzinnige discussie over de vraag waarom Kafka zijn romans niet afmaakt. Er is geen vraag, er rijst geen vraag naar het slot. De romans breken niet af, het zijn kille stromen die in een fijnmazige delta van vrieskou stollen.

 

Maar de ijsschotsen ontstaan in de koude extase van de schrijver. Zolang het water stroomt is het een bron van geluk voor de schrijver, die weet dat er geen bestemming is, geen terugkeer, niet voor hem, niet voor K., die zijn lot bezegelt door met drie woorden (‘Dann ging er’) over de houten brug te gaan. Er is alleen maar vloed op weg naar het kruiend ijs, nooit eens ebbe.

 

Het is geen toeval dat Kafka in 1904 aan Oskar Pollak schreef: ‘Ein Buch muß die Axt sein für das gefrorene Meer in uns.’ Een boek moet de bijl voor de bevroren zee in ons zijn.

 

En die kou in Kafka’s eigen leven dan? Alleen heel op het einde wordt de koude golfstroom even gestremd door zijn geluk met Dora Diamant. Eventjes met de tenen in het randschuim van de warme golfslag, misschien even een vermoeden wat een onderdompeling in die warmte zou kunnen zijn. Maar in dat schuim al bloed, ziekte en dood.

 

 

Reis door mijn potlood

23 oktober 2014

Afgeschrikt door de gevolgen van een trip door mijn slijper, maak ik een reis door mijn potlood, afgestompt, uitgegomd, over de hele lijn gebroken, bedolven onder hard grafiet en zonder inspiratie voor de regels op mijn grafschrift uiteraard.

 

Het gebeurde in de periode – ze duurde acht maanden en sleept nog aan – dat ik te ziek en depressief was om deel te hebben aan de deelachtigheid. Een ongelukkige liefdesgeschiedenis had me geveld, zodat ik op mijn rug lag, op mijn buik de sterretjes tellend die ik zag. De extreme wisseling van stemmingen – droefheid en razernij – had me zo uitgeput dat mijn tong droog en roze was en vooral tot op de grond hing van vernedering. Ik sleepte me naar de put, die ik de eerste drie dagen met gin en whisky had gevuld, maar zeeg ineen voor ik de rand had bereikt: een ontnuchterende ervaring. Zelfs om aan lagerwal te raken moest er een oneffenheid zijn die helaas nergens voorkomend was. Me concentreren was onmogelijk, want hoe had ik in de eeuwige nacht de schaduw van mezelf kunnen zijn? Toen drong het tot me door wat het betekende een spook te zijn. Nu was alles onmogelijk, zodat ik de deuren en de vensters liet openstaan omdat ik de kracht niet vond om zelf de kaarsen uit te blazen. Ten einde raad ging ik op mijn hoofd staan. Met het laatste bloed dat naar mijn hersens zakte kwam ik tot het inzicht dat ik me moest ontdoen van de ronde kei, die mijn verloren geliefde me geschonken had, een steen die in de hel was geaard. Die kei was het oog van het kwaad dat zich aan mij had vastgezogen. Gedurende twee dagen verzamelde ik mijn laatste krachten, al waren dat afgezaagde krukken die zelf ondersteuning behoefden. De buitenlucht woog als lood op mijn borst, vooral toen ik na al die weken weer probeerde te ademen. Ik ging in het midden van een grasperk met purperen kuiven staan, onder het gras waarin ik gebeten had. Ook de kei was loodzwaar. Ik legde hem in mijn handpalm en gooide hem met verenigde krachten achter me, zoals gelovigen een handvol erwten achter zich werpen om van hun ongelukken, hun zonden, hun nierstenen – in één woord hun aambeien en hun vrouwen (en hun geloof) – af te komen. Nooit had ik gedacht dat er nog zo veel kracht in me was, want achter mij ging een venster aan scherven. Maar in de vensteropening stond geen man met gebalde vuist en bloeddoorlopen ogen, maar een vriendelijke kater die zijn laarzen al had uitgetrokken. Met zijn snorharen wenkte hij me om naderbij te komen en maakte me erop attent dat scherven niet altijd geluk brengen, maar wel als je, zoals ik, je eigen ruiten ingooit. En hij vertelde me dat Goethes carrière was begonnen met een orgie van kapotgeslagen potten die het verwende jongetje in de Frankfurter Hirschgraben onder aanmoediging en jolijt van de buren over het hek op straat was blijven gooien. Het hele servies ging in ‘Dichtung und Wahrheit’ aan diggelen tijdens die lawaaierige openluchteenakter waarin de knaap solo optrad voor zijn eerste publiek. Toen rolde de kater zijn staart uit en trok me naar binnen, op eigen kracht had ik het niet klaargespeeld. De boekenrekken in de lege kamer waren leeg, behoudens één boek, dat een dichtbundel bleek te zijn die ‘Even dit’ heette. Inmiddels hoorde ik een krachtig gehinnik achter me, zodat ik niet verbaasd was dat de kater een gedaanteverandering in een machtig paard had ondergaan. Het toonde me zijn vriendelijk gebit, waarin ik me spiegelde terwijl ik de bundel opensloeg op het gedicht dat ‘Traktaat’ heette, omdat het paard zei dat het daarin de hoofdrol speelde.  En ik las in dat gedicht hoe de Amerikaanse dichter William Carlos Williams zijn stadgenoten leerde hoe ze een begrafenis moesten regelen, en vooral hoe ze de met paarden bespannen lijkwagen moesten trakteren: ‘Sla het glas eruit!/ Goeie god – glas, stadgenoten!/ Waarvoor? Moet de dode erdoor/ naar buiten kijken of moeten wij zien/ hoe goed behuisd hij is of/ hoeveel bloemen hij al dan niet heeft – / of wat?/ Om hem niet nat te laten regenen of sneeuwen?/ Hij zal ras zwaardere buien te verduren hebben:/ kiezelstenen en modder en weet ik veel.’ Ik barstte uit in een onbedaarlijke lach, schokken die mijn lichaam vulden als truffels de kerstkalkoen. Zo kwam ik mijn depressie te boven dankzij een poëem, dankzij een kater die een paard was en vooral dankzij de vermaledijde kei die via het gebroken venster in dat opbeurende begrafenisgedicht van William Carlos Williams was beland om er het water van mijn gitzwarte poel te breken, zodat ik toch geboren werd.

(‘Even dit’, gedichten van William Carlos Wlliams, vertaald door Huub Beurskens, Meulenhoff, 2006).

 

Verlies

21 oktober 2014

Toen E. me vroeg naar mijn belangrijkste bezit, zei ik:

‘Mijn verlies.’

En toen ze vroeg waarom, antwoordde ik:

‘Omdat niemand het mij kan afnemen, niemand.’

 

Nog eens het purperen gras

20 oktober 2014

Onlangs schreef ik over het gras, dat purper is omdat het van pijn niet meer kan groeien. Helaas, niemand sprak me tegen. Maar op een andere manier kon ik achterhalen dat ik me misschien heb vergist, ik hoop het (want pijn en hoop schieten goed op met elkaar). Mijn hoop kreeg voedsel toen ik gisteren de slotregels van het gedicht ‘Primrose’ van William Carlos Williams las: ‘Purperen graskuiven vlekken de groene weide en wolken de hemel’ (‘Tufts of purple grass spot the green meadow and clouds the sky.’) Ja, zo moet het zijn, dacht ik: de pijn zit alleen maar in de kuiven. Het gras is groen.