Potentiewet

31 oktober 2011

Gemiddelden deugen niet, althans niet altijd. Veronderstel dat u en 48 andere passagiers in de bus zitten. En plots stapt Carlos Slim Helú op. Als we aannemen dat Slim Helú 200 kilo weegt (zwaarder mag hij niet zijn, hoe zou hij anders kunnen instappen?), zal dan het gemiddelde gewicht van de 49 reizigers drastisch toenemen? Nauwelijks. Het berekenen van het gemiddelde gewicht blijft in dit geval een onderneming die niet indruist tegen het gezond verstand.

Ik denk niet dat Slim Helú – hij bestaat wel degelijk – 200 kilo weegt. Wat wél klopt: hij is behalve Mexicaan, ook de rijkste man ter wereld. Het vermogen van de telecom-tycoon wordt op 53 miljard euro geschat. In tegenstelling tot zijn (fictief) gewicht speelt zijn (echte) rijkdom hem bij het instappen geen parten.

Nemen we aan dat u en de 48 andere reizigers elk 50.000 euro bezitten. Heeft het zin om het gemiddelde vermogen van de passagiers te berekenen nadat Slim Helú is ingestapt? Nee, want het gezond verstand verwerpt de redenering dat het gemiddeld vermogen van elke passagier door het instappen van de tycoon plots iets meer dan 1 miljard euro bedraagt.

Samengevat: als de 49 passagiers samen 3430 kilo wegen, dan wegen u en de anderen elk gemiddeld 70 kilo. Als Slim Helú met zijn 200 kilo instapt, neemt het gemiddelde gewicht van elke reiziger met 2,5 kilo toe. U aanvaardt dus dat u in dit geval 72,5 kilo weegt, om het even of u veertig of negentig kilo weegt. Maar beweren dat u en de andere reizigers na het instappen van Slim Helú gemiddeld 1 miljard euro bezitten, is onzin.

In de taal kunnen we wel iets zinnigs over de waarde van het gemiddelde zeggen. Als extremen de verdeling domineren, wordt het concept van het gemiddelde nietszeggend. Dat is de logica van wat in de wiskunde de potentiewet wordt genoemd. In elk geval: gemiddelden kun je berekenen, maar je kunt er niet op rekenen. Daarom is het beter nooit een rivier over te steken die gemiddeld een meter diep is.

Advertenties

Strandbad Sachsenhausen

27 oktober 2011

Tijdens een bezoek aan Sachsenhausen (Oranienburg) constateerde ik dat de zwartwit gespikkelde vloeren in de afdeling pathologie (‘Sezierraum’ en ‘Leichenkeller’) van het concentratiekamp daar identiek zijn met de primaire mozaïekpatronen in de badkamer en de keuken van mijn flat in de Sundgauer Strasse. Beide dateren van midden jaren dertig. Andere parallellen: het opengewerkte gebouw dat toegang geeft tot het KZ Sachsenhausen roept dezelfde sfeer op als de entreepoort van Strandbad Wannsee (met aan de overkant de ‘Endlösungvilla’). Hetzelfde geldt voor de ingang van menig villa-achtig S-Bahn-station in Berlijn.

Mozes in Berlijn

26 oktober 2011

‘Ik breng een döner mee naar jullie begrafenis,’ schreeuwde de man naar het duo dat zich naar buiten repte. Hij was uit de achterste rijen naar voren gestormd en stond nu trillend naast het doek waarop de film liep. Het leek wel alsof hij uit het scherm gevallen was. Want het gebeurde allemaal in de kleine bioscoop waarin ik gisteren was beland.

De film was al begonnen en toonde een roeiende man die in een homerische woede uitbrak omdat zijn gezellin een verkeerde vraag had gesteld. Daardoor leek het alsof de man op het doek en de man naast het doek hun woede-uitbarstingen met elkaar afgesproken hadden.

Maar de explosie van de man naast het doek gold de laatkomers die beiden een döner kebap hadden meegebracht, wat je had kunnen ruiken met je ogen dicht als het niet al donker was geweest.

‘En dan wagen jullie het ook nog om met jullie zilverpapier te knisteren,’ schreeuwde de man naast het doek, waarvan iedereen de blik had afgewend. Daar stond hij, die woedende man, groot, wijdbeens, dik, kaal, met zijn rug naar het doek en met een stem die iedereen verpletterde, een Mozes zonder stenen tafelen.

(Bijna) zonder woorden

26 oktober 2011

Soms ga ik alleen maar weg om terug te keren.

Honderd jaar geleden overleed de Duitse schrijfster Hilde Spiel (1911-1990). Ze schreef de klaarste journalistieke taal. Als Joodse vluchtte ze voor de nazi’s uit Wenen naar Londen. Eind jaren zestig publiceerde ze haar fameuze memoires Return to Vienna. Ze zei dat ze zonder Engeland niet kon werken, zonder Wenen niet kon leven. Haar zoon, Felix de Mendelssohn, een psychoanalyticus, vroeg zijn moeder op haar sterfbed wie ze na haar dood het liefst wilde ontmoeten. Zonder te aarzelen noemde ze de naam van de schrijver Friedrich Torberg, met wie ze het grootste deel van haar leven in bittere vijandschap had geleefd.

Christa Wolf (°1929), de representatieve schrijfster van de in 1989 ondergegane DDR, moest begin 1993 toegeven dat ze vanaf 1959 tot 1961 voor de Oost-Duitse staatsveiligheid (Stasi of Staatssicherheit) had gewerkt. De onthulling was des te pijnlijker omdat Wolf in haar novelle Wat blijft (1990) uitvoerig had gerapporteerd over de manier waarop de Stasi haar had bespioneerd. Maar waarom verzweeg Christa Wolf in dat verhaal dat ze zelf IM (inofficiële medewerker) van de staatsveiligheid was geweest?

Toen Wolf door de Stasi aangeworven werd, was ze redactrice van het tijdschrift Neue Deutsche Literatur. In die hoedanigheid had ze contacten met talrijke Oost-Duitse schrijvers over wie ze onder het pseudoniem Margarete literaire en politieke informatie aan de Stasi doorgaf, zo blijkt uit haar dossier dat ze onder de druk van de omstandigheden in 1993 onder de titel Akteneinsicht Christa Wolf publiceerde.

In Stad der engelen of The Overcoat of Dr. Freud probeert een vrouwelijk alter ego van Christa Wolf zich larmoyant – er wordt nogal wat afgehuild – te rechtvaardigen. Ze beweert dat ze zich haar aanwerving door de Stasi niet kan herinneren. Vanuit Los Angeles, waar ze begin jaren negentig een tijdlang in het Gettycentrum verblijft, belt ze een vriend in Zürich op met de vraag – ‘u als psycholoog moet dat weten’ – of het mogelijk is dat men zoiets ingrijpends kan vergeten. De psycholoog, die met Freud in de hand vertelt wat ze wil horen (‘zonder vergeten zouden we niet kunnen leven’), treedt op als een pseudo-objectiverende autoriteit bij wie Wolf troost en bescherming zoekt en vindt. Maar van een aanbevolen therapie wil ze niets weten. Ze wil op eigen houtje met haar verleden in het reine komen.

Toch blijft ze een beroep doen op haar talrijke vrienden en kennissen aan wie ze het probleem van haar vergetelheid voorlegt. ‘O my goodness. But then you were another person,’ meent Sally, die van Wolf verneemt dat de bedrukkende feiten drieëndertig jaar oud zijn. Ook haar vriendin Kätchen balsemt haar ziel: ‘Maar dat is toch al zo lang geleden!’

Christa Wolf vertelt hoe haar de haren te berge rijzen als ze na de ineenstorting van de DDR in haar ‘daderdossier’ haar eigen handschrift herkent, wat haar niet belet rechter in eigen zaak te spelen. Ze rechtvaardigt zichzelf met de mededeling dat ze alleen maar een ‘blijkbaar onschuldig rapport’ over een schrijver-collega heeft opgesteld, een bundeltje dat qua omvang niets betekent tegenover de 42 lijvige dossiers die de Stasi later over haar persoon heeft aangelegd, aldus de schrijfster. Om haar engagement voor de Stasi te bagatelliseren, voegt ze eraan toe dat ze geen enkel document ondertekend heeft. Dat argument is een zwaktebod. In een bericht dat op 25 januari 1993 in het weekblad Der Spiegel over de affaire verscheen, werd melding gemaakt van een Stasi-richtlijn (1/58) die intellectuelen van een verplichte handtekening kon ontslaan, wat in Wolfs geval (‘wegens haar mentaliteit’, aldus de Stasi) gebeurde.

Met dit boek bewijst Christa Wolf zichzelf geen dienst. Een van haar beste vrienden typeert haar nog het best door haar een ‘gemiddeld mens’ te noemen, die wil dat iedereen van haar houdt, ‘ook de autoriteiten’. Door haar verslag een roman te noemen, zoekt Wolf een distantie tot zichzelf die er helemaal niet is. Door zich te plaatsen in de traditie van het ‘Weimar onder de Palmen’, zoals Los Angeles werd genoemd toen voor de nazi’s gevluchte schrijvers zoals Thomas Mann, Lion Feuchtwanger en Bertolt Brecht er in de jaren dertig een schuilplaats zochten, stileert ze zichzelf tot een politiek slachtoffer van een verenigd Duitsland dat haar nooit heeft bedreigd. Zoveel opgeblazen zelfmedelijden is al te kras.

Toch ontbrak het Wolf sporadisch niet aan moed. Nadat ze in 1976 een petitie had getekend ten gunste van de kritische zanger Wolf Biermann, die door het DDR-regime was ‘ausgebürgert’, viel ze in ongenade bij de leiding van de dictatoriale staat waaraan ze tot op het laatste moment loyaal bleef. Daarom valt het des te meer te betreuren dat Christa Wolf in Stad der engelen niet wat kritischer in de spiegel kijkt. De zelfanalyse waaraan ze scherpe contouren had moeten geven, vervaagt in een wolk van onbenulligheden die van de essentie afleiden. Dat is een van de vele redenen waarom deze moraliserende ‘roman’ over bijna de hele lijn taai, ongenietbaar en ongeloofwaardig is.

Christa Wolf, Stad der engelen of The Overcoat of Dr. Freud, vertaald door Gerrit Bussink, uitgeverij Van Gennep, 376 blz., 19,90 euro, ISBN 978 94 6164 024 6.

Draken

20 oktober 2011

Vier maanden geleden schreef ik mijn laatste notitie. Mijn excuus: behalve dat ik in die periode vier draken met elk dertig koppen bestreed, had ik in een zee van tijd af te rekenen met de nazaten van Moby Dick.