Cyprus

27 maart 2013

Too small to fail.

Joodse vraagbak

25 maart 2013

Leoor Engländer, 30 jaar, is een Duitse jood uit Heilbronn, maar nu zit hij in een open vitrine in het Joods Museum in Berlijn. Je mag hem alles over de joden vragen, ook of ze kromme neuzen hebben. Van zichzelf zegt Leoor dat hij klein is, een grote neus heeft en met ros haar begiftigd is, maar dat er ook joden met andere uiterlijke kenmerken zijn. We wagen het erop. Wie is een jood? ‘Iedereen die gek genoeg is er zich een te noemen.’ Engländer zit in de vitrine naar aanleiding van de speciale tentoonstelling (tot 1 september) ‘Die ganze Wahrheit. Was Sie schon immer über die Juden wissen wollten.’

Vlak in de buurt van het Berlijnse S-Bahn-station Grunewald bevindt zich de Auerbacher Strasse. Hoe onschuldig klinkt die straatnaam, die naar het stadje Auberbach in het Vogtland verwijst. Ware het niet dat die straatnaam een uitvinding van de nazi’s is: een perfide ingreep. Want vóór de nazi’s aan de macht kwamen, heette de Auerbacher Strasse anders: Auerbachstrasse. Want naar de joodse schrijver Auerbach was die straat genoemd. Dat konden de nazi’s natuurlijk niet hebben. Daarom gaven ze die draai aan die straatnaam. Maar over een paar maanden wordt het onrecht ongedaan gemaakt en zal de Auerbacher Strasse weer Auerbachstrasse heten.

Vanuit het idyllische station Grunewald werden vanaf oktober 1941 meer dan 50.000 Berlijnse joden naar de uitroeiingskampen gedeporteerd, vanaf perron 17, dat nu een monument is.

Niet ver daarvandaan, in Steglitz, hebben de bewoners in een referendum wel tegen de naamswijziging van de Treitschkestrasse gestemd. Van de historicus Heinrich von Treitschke stamt de zin die altijd opnieuw in de Völkischer Beobachter van Julius Streicher werd geciteerd: ‘Die Juden sind unser Unglück.’

Notre-Dame de Paris

23 maart 2013

Onder hun glanzende rokken
slaan ze hun bronzen eierstokken
tegen wanden die deinen in de toren
de klokken, de klokken, horen, horen
de wind vertrapt het zilveren koren
op het eiland, eierland
rapen, rapen, het valt uit hoge sferen
de Dame, duifgrijs sproeiend uit haar spits
waarmee ik haar heb ingebeeld
meer mans dan de heren
eerst het dronken geel van dooier en daarna iets wits.

Waarom ook niet?

22 maart 2013

‘Waarom ook niet?’, antwoordt de rabbijn op de vraag waarom rabbijnen vragen altijd met een tegenvraag beantwoorden.

Café Stresemann, ondergebracht in het Deutschland Haus op het Askanische Platz, is helaas al weken dicht. Renovatie. Sinds mensenheugenis heb ik dat ietwat morsige café met zijn krakende trappen gefrequenteerd. Ik zat er graag te staren naar het Anhalter Bahnhof, of wat er nog van overblijft: een hoektand in een mond waarvan het gebit is weggeblazen. Hier, vanuit de Berlijnse ‘poort naar het zuiden’, vertrokken vóór de oorlog de treinen naar Dresden, Praag en Triëst (vanwaar de reis met het luxeschip naar Alexandrië, richting Kaïro, kon worden voortgezet).

Honderd jaar geleden stapte hier op 21 maart 1913 om 22.30 u, omstreeks de tijd dat ik dit stukje schrijf, een slanke man met zwarte haren in de stationshal uit de trein. Hij was bijna dertig jaar. Via de Königgratzer Strasse, nu de Stresemannstrasse, begaf hij zich naar het naburige hotel Askanischer Hof. ’s Morgens had hij nog vanuit Praag een telegram gestuurd naar de vrouw met wie hij sinds augustus vorig jaar een drukke correspondentie onderhield en met wie hij hier afgesproken was: een vrouw naar wie hij wellicht verlangde, maar die hij misschien toch liever in andere omstandigheden weer fysiek had ontmoet. ‘Nog altijd onbeslist,’ had hij haar ’s morgens vanuit zijn woonplaats in Praag getelegrafeerd. De ochtend van zijn geplande vertrek wist hij nog altijd niet of hij werkelijk zou gaan.

Op 16 maart had de man aan de vrouw nochtans in een brief gevraagd of ze met Pasen misschien een uurtje tijd voor hem kon vrijmaken. De vrouw was op dat voorstel ingegaan. Daarna had de man vanuit Praag een batterij brieven naar Berlijn gestuurd waarin hij haar meedeelde dat er misschien toch nog hindernissen konden opduiken waardoor zijn reis in het gedrang zou kunnen komen. Uiteindelijk vertrok hij toch naar Berlijn. Maar bij zijn aankomst in het Anhalter-station stond niemand hem op te wachten.

De volgende dag, Pasen, belt hij de vrouw op om haar te zeggen dat hij om vier uur weer naar Praag vertrekt. Ze komt. Het is de eerste keer sedert hun Praagse ontmoeting in de zomer van vorig jaar dat ze elkaar weerzien. Ze wandelen samen in Grunewald en zitten een tijdje op een boomstam naast elkaar. De ontmoeting is kort. Dan verlaten ze elkaar. Misschien heeft de man de vrouw op het laatst omhelsd, want hij vermeldt later de geur van haar hals. Vanuit zijn hotel belt hij haar nog één keer op, maar ze spreken niet meer af. De man blijft langer dan voorzien in Berlijn. In café Josty op het Potsdamer Platz ziet hij de Praagse kennissen terug met wie hij op 21 maart uit de Tsjechische naar de Duitse hoofdstad is gereisd. Dan vertrekt de man weer naar Praag.

Het beeld dat de man en de vrouw zich aan de hand van hun brieven van elkaar gevormd hadden was natuurlijk niet congruent met de sprekende mensen die ze in Berlijn waren. Zelfs met elkaar telefoneren is nog iets anders dan naast elkaar lopen. Afstanden dienen niet altijd om overbrugd te worden.

PS: Omdat café Stresemann gesloten was, heb ik thuis de foto’s bekeken die Margaret Bourke-White in de zomer van 1945 van het Anhalter Bahnhof heeft gemaakt. Honderden jonge mensen zitten op de sporen te wachten. Ze lachen, ze zwaaien naar de fotografe. De schaarse bagage is in kartons met touw verpakt. Het is zomer, de zon schijnt door het weggeblazen dak van de kolos, maar voor de rest geeft het station met zijn massieve pijlers en rondbogen de indruk dat het de bombardementen goed heeft doorstaan.

Ontsteld over het niet eens meer sluipend staatsautoritarisme in de rand van de Europese Unie (Roemenië, Hongarije) dat de constitutionele substantie van de hele EU aantast, gaf ik zondag de liberale fractieleider in het Europese parlement een sneer. Maar die neem ik, gedeeltelijk, graag terug nu ik in Knack lees dat Guy Verhofstadt artikel 7 van het Verdrag van Lissabon tegen Hongarije en het autoritaire optreden van Viktor Orban gaat inroepen. Dat is een opluchting, al zou Verhofstadt een stuk geloofwaardiger overkomen als hij het even corrupte Roemenië van Victor Ponta eveneens met artikel 7 zou viseren. Krachtens artikel 7 kan het lidmaatschap van een EU-land gesuspendeerd worden. Verhofstadt: ‘Als Hongarije nog geen lid was van de Unie, zou het niet eens mogen toetreden.’ Werkelijk? Hoe kwamen Bulgarije en Roemenië er dan bij? Hoe dan ook: affaire à suivre.

Zonder motief

20 maart 2013

Zoveel sneeuw en het Berggruen-museum is heropend, in mijn hoofd is dat al een schilderij, broccoli op een bed van rapen. Ik haast me om me aan de kleuren van Klee, Picasso en Matisse te warmen: Etretat zal nog huiveren, maar waarom zouden Nice en Saint-Raphael niet al stralen? In mijn rugzak 1933 van Philip Metcalfe, want het is een heel eind van de Sundgauer Strasse naar Charlottenburg. Maar kijk, in het museum val ik als een engel in Klee’s Im alten Stadtteil, Numero 33, een donker werk uit 1923: dat duistere huis met het nummer 33 lijkt alleen maar uit hakenkruisen te bestaan. Het hangt naast een ander werk van Klee, dat Galgenhumor heet. Als ik een uur later via de Otto-Suhr-Allee oostwaarts stap, kruis ik plots de Loschmidtstrasse, een verrassing: over die straat las ik vanmorgen dat ze begin vorige eeuw Rosinenstrasse heette en dat op nummer 3 een sociaaldemocratisch Volkshuis gevestigd was dat in 1933 gewelddadig werd ingenomen door de SA, die het een andere bestemming gaf: een concentratiekamp. Maar behalve een bord dat daaraan herinnert, valt er niets meer te zien, het pand is door de oorlog opgegeten. Is dat nu allemaal toeval, coïncidentie, een samenloop van omstandigheden? Om het even wat het is: ik weef almaar aan hetzelfde tapijt, en als ik er niet aan weef, weeft het aan mij. Mijn excuus dat ik geen motief heb, wordt niet aangenomen, erin verweven word ik toch.

Gaten

20 maart 2013

Peter Ensikat, een (Oost-)Duitse satiricus die gisteren overleed, herinnerde er vaak aan hoe snel en hoe graag het burgermannetje zijn aandeel in het handhaven van dubieuze maatschappelijke systemen verdringt en vergeet. Het mooiste aan het geheugen zijn de gaten luidt dan ook een van Ensikats boektitels.

Wensdroom

19 maart 2013

Christo verpakt Vaticaanstad, vacuüm.