Zwarte jaren

30 november 2015

Gisteren in Hamburger Bahnhof: een verzameling doeken uit de zwarte jaren, ‘Die schwarzen Jahre’, 1933-1945. Niet alleen ‘Entartete Kunst’, maar allerlei doeken  en sculpturen uit die periode, schilders die in Duitsland bleven en emigreerden, Joodse en Duitse kunstenaars, communisten, nazi’s en meelopers, geëngageerde en apolitieke schilders, landschapsschilders en portrettisten. Degenen die uit nazi-Duitsland weggingen waren meestal, maar niet altijd, anti-nazi’s, degenen die bleven daarom nog geen aanhangers van het regime.

Ik heb vooral oog voor de ‘verdubbelingen’, doeken die om uiteenlopende redenen twee keer geschilderd werden.  Karl Hofers doek ‘Die schwarzen Zimmer’ (1943) is een nieuwe versie van ‘Der Trommler’ (1928), een doek dat in het atelier van de schilder door bommen werd vernield. Hofer schilderde het gehaast opnieuw. Hofers doek  als een verzetsdaad? De trommelaar als waarschuwing? Maar waarom dwong hij zijn joodse vrouw Mathilde, die later in Auschwitz omkwam, om in 1934 van hem te scheiden opdat hij en zijn carrière ‘niet te lijden zouden hebben’?

Verder twee bijna identieke zelfportretten van Hofer. Het ene, uit 1935, werd door de nazi’s in beslag genomen en geveild in Luzern. Meteen schilderde Hofer in 1937 dat zelfportret opnieuw. Op het tweede doek neemt hij precies dezelfde houding aan als op het eerste, alleen is de schilder nu plots stukken ouder, zijn  lichtende hoofd (op het eerste doek) is (in de nieuwe versie) verduisterd, een wisseling van licht naar donker. Versombering. Wonderlijk dat deze twee zelfportretten hier nu weer naast elkaar hangen.

Ik bleef een hele tijd staan voor Erwin Hahs’ ‘Grosses Requiem’, (1944), een groot doek. Een naakte man met vervaarlijke knots, omringd door drie smekende, wanhopige, gruwende vrouwen, op een achtergrond van brandende huizen en ruïnes. Daarnaast hangt een röntgenfoto van dit doek, waaruit blijkt dat Hahs het overschilderd heeft. Onder de overschildering, zichtbaar op de röntgenfoto: de beeltenis van Hitler, die de centrale positie inneemt. Men zou Hahs in Stendal, waar hij leraar was,  gedwongen hebben om een Hitler-portret te schilderen voor de aula van zijn school. Maar de gouwleider liet het resultaat snel weer verwijderen, want een Hitler die zich op een achtergrond van ruïnes vertwijfeld vastklampt aan zijn spreekgestoelte, dat ging toch wat ver. Hij had dus wel lef, die Hahs, die al in 1933 door de nazi’s ontslagen werd als professor schilderkunst aan de Kunstgewerbeschule van Burg Giebichenstein (Halle). (Ook later, in de DDR, zat het hem niet mee).

In de expositieruimten van het Hamburger Bahnhof houdt de morele zwartwit-wereld op te bestaan.

De expositie toont ook werk van kunstenaars die in nazi-Duitsland bleven, maar die zich door de aard van hun werk van de Zeitgeist distantieerden: Renée Sintenis (met haar bronzen sculptuur van een springerig ‘Vollblutfohlen’) en Louise Stomps met haar on-heroïsche beeldhouwwerk ‘Das Paar’: een man en een vrouw die op elkaar leunen of steunen, die elkaar nodig hebben.

Intrigerend: het doek de ‘Empörkommlinge’ (1939) van Bernhard Kretzschmar, haast een genretafereel. Op het eerste gezicht: gewoon een boekhandel, vanaf de straatkant gezien. Bij nader toezien liggen er boeken van Hitler en Mussolini in de etalage, waarin de kaart van Europa hangt en waarin een wereldbol de blikvanger is. Twee mannen op ladders schilderen de gevel in het bruin. Een beeld voor de situatie waarin Duitsland verzeild is geraakt? In de deuropening de contouren van wellicht de boekhandelaar. Hij laat een zelfverzekerde dame uit. Die vrouw doet me denken aan een ander geschilderd portret dat deel uitmaakt van de tentoonstelling: ‘Mademoiselle Yvonne’, die er met opgeheven hoofd een stevige pas inzet, ook uit 1939, een doek van Max Lingner, een portret van een Franse communistische verzetsstrijdster die in 1943 omkwam in Auschwitz.

De terugblik op de kunst van de ‘Schwarze Jahre’ (associatie met Heideggers ‘Schwarze Hefte’?) schudt de overgeleverde meningen over kunst en kunstenaar in de periode 1933-1945 grondig door elkaar. Slechts weinig is wat het lijkt. De lijnen verliepen niet volgens ‘entartet’ of ‘niet-entartet’, een wat het oordeel van de nazi’s betreft nogal willekeurige en zelfs voor revisie vatbare categorie. Zie Nolde, expressionist en nazi, zie Alexander Kanoldt, een gloeiende NSDAP’er wiens nazi-overtuiging niet kon verhinderen dat zijn werk in 1937 als ‘entartet’ uit de expositiezalen werd verwijderd. Enz.

 

Advertenties

Beton

30 november 2015

Met de voeten op de grond blijven staan? Zeker, ja, maar het hoeft niet altijd beton te zijn.

 

Ruïne

29 november 2015

Berlijn-Steglitz. Beymestrasse. Een doodgewone straat. Tot je plots voor een verwilderde tuin staat waaruit de ruïne van een villa oprijst. Nummer 16. Bomen en struiken groeien door dak en venstergaten, bij nader toezien staan alleen de uit rode baksteen opgetrokken muren nog overeind. Hier is sedert de bommennacht van 23 maart 1944 niets veranderd. Alleen vlecht de natuur haar eigen kransen. Ik hoef niet eens een impressie te schrijven. ‘De aantrekkingskracht van ruïnes is wonderbaarlijk, je kunt erop rekenen, ze beloven dat alles ooit eens vervalt: slechte behuizing, grenzen – zelfs de staat. De hele coulisse.’ (Gabriele Goettle, Deutsche Bräuche).

 

Smart

28 november 2015

In zijn uiterste consequentie is de smart van de mens die niet langer wordt bemind het besef dat zijn fantasieën geen betekenis meer hebben.

 

Grondverf

27 november 2015

Gisteren in het Kaffeehaus aan de Weidendammbrücke, Friedrichstrasse, mannengesprek in het Kaffeehaus, wij, twee Vlaamse schrijvers van in de zestig onder elkaar, de ene al beroemder dan de ander, beiden overtuigd dat het ware genot van de oudere man – want van middelbare leeftijd waren we volgens de Oxford English Dictionary al een tijdje niet meer – de aanblik is van het genot dat hij de jongere vrouw verschaft. Een tussen mannen eerder ongewone conversatie over oudere mannen en hun erotische relatie met jongere vrouwen, vrouwen tussen de dertig en veertig dus. Wat jonger en ouder is, komt niet in aanmerking, want jonger is té jong, en ouder is té oud. We verlieten de zaak als de heren van de schepping. Niettemin, al was ik opgetuigd met hoed en das, toch zag ik huiswaarts kerend de waarheid onder ogen. Met een baard van drie dagen ben je nog presentabel, maar alles wat zich onder de halsboord bevindt ziet er toch uit als een geopende pot met grondverf die te lang in een keldergat heeft gestaan, zo’n potje met een stokje om te roeren erin. En dat visioen deed me besluiten dat kleren de man niet afmaken.

 

Collateraal voordeel

27 november 2015

Duitsland als Sehnsuchtsland, daarop kan politiek Berlijn trots zijn. Op lange termijn zal Duitsland dankzij Merkels humane vluchtelingenbeleid de hoofdrol spelen in de heropbouw van Syrië. Een collateraal voordeeleffect, menselijkheid als motor van de Duitse economie.

 

Poetin mag ze hebben

26 november 2015

In Polen regeren de marionetten van de mandarijn Jaroslaw Kaczynski weer. Ze gaan het Hoge Constitutionele Hof zo snel mogelijk naar hun hand zetten, ze gaan Polen modelleren naar het Orban-Hongarije. De nieuwe Poolse regering heeft de Europese vlaggen laten verwijderen uit de zaal waar ze haar wekelijkse persconferenties na de kabinetszittingen pleegt te houden. Daar staan nu weer alleen maar Poolse vlaggen in het gelid. In een kwaaie bui zeg ik over de Midden-Europese xenofoben wel eens: Poetin mag ze weer hebben, incluis Hongarije, Tsjechië en Slowakije. Als ze de Europese lente niet willen, dat ze dan maar gaan schaatsen in de Siberische kou.

 

Safranski etc.

25 november 2015

Afgelopen zondagmiddag  een boeiend gesprek met Rüdiger Safranski op Deutschlandfunk. Over zijn West-Berlijnse studentenjaren. Hij maakte Kennedy mee op het Schöneberger stadhuis, juni 1963. Naast Kennedy leek Adenauer op een ‘alte Indianerfrau,’ aldus Safranski, die daarmee niet alleen een nationale (Adenauer/Brandt), maar ook een globale politieke en maatschappelijke paradigmawisseling beschreef. Destijds was er nog geen sprake van anti-amerikanisme onder de jonge Duitse intellectuelen. De nieuwe Freie Universität in West-Berlijn was overigens een campusuniversiteit naar Amerikaans model. Er waren go-ins, sit-ins en teach-ins, het woordgebruik was Amerikaans. De studenten droegen T-shirts, parka’s en turnschoenen uit de Amerikaanse PX-winkels (Post Exchange). De Club International, waar de GI’s vertoefden, was een geheime amusementstip. De jongeren luisterden naar Dylan, Baez en de Stones. Het anti-amerikanisme stak pas de kop op door het Amerikaanse aandeel in de Vietnamoorlog: toen ontstond de kreet USA-SA-SS en de Mao-cultus. Toen behoorde het libertaire stadium van de studentenbeweging al tot het verleden, een overgang die misschien nog het best beschreven wordt door de toenmalige even populaire als dogmatische machoslogan ‘Wer zweimal mit derselben pennt, gehört schon zum Establishment’ (‘Wie twee keer met dezelfde slaapt, behoort al tot het establishment’).

*

Een mooie Safranski-term voor de media: observatieprothesen.

*

Later in de Berlinische Galerie: Max Beckmann in Berlin. Rondleiding. Mijn gezellin vertelt me achteraf bij de koffie over haar tante  die zich na de dood van haar man op haar 88ste haastig opmaakte om de wereld rond te reizen: ‘Stel je voor dat ik morgen een arm breek!’

 

‘We kunnen niet meer buitenlanders verteren, daarvan komt moord en doodslag.’ Dat is een uitspraak van de sociaaldemocraat en toenmalige Bondskanselier Helmut Schmidt, 1981, op een syndicale bijeenkomst.

De christendemocratische volksvertegenwoordigster Erica Steinbach twitterde het citaat direct na de dood van Schmidt.

De media nagelden Steinbach meteen aan de schandpaal. Ze namen het haar kwalijk dat ze de dood van Schmidt misbruikte om het vluchtelingenbeleid van Merkel aan te vallen. Van goede smaak getuigde Steinbachs twitter inderdaad niet.

Niettemin, de uitspraak is wel degelijk van Schmidt. Ze past natuurlijk niet in het schema van de Duitse vereringsindustrie ten gunste van de dode. Dus concentreerden de media hun woede op Steinbach en op het moment van haar twitter, alsof het tijdstip de inhoud van het citaat kon ontkrachten.

Schmidts moord-en-doodslaguitspraak staat in een Schmidt-biografie van zijn goede vriend Theo Sommer. Ze draagt de we-zijn-toffe-jongenstitel: Unser Schmidt (2010).

De achtergrond van Schmidts uitspraak was zijn vermoeden dat een meerderheid van de Duitsers de Turkse immigratie afwees. Dat althans was Schmidts uitleg op een Hamburgs partijcongres een beetje later. Schmidt: ‘Er is een onbewuste neiging bij miljoenen burgers, ook werknemers, om de buitenlanders van alles de schuld te geven’. ‘Zoals ooit de Joden,’ voegde Schmidt er duidelijkheidshalve aan toe.

Dat was typisch Schmidt: hij kon alle Duitsers beledigen in de wetenschap dat ze hem daarvoor nog zouden toejuichen ook.

Ten slotte was hij Unser Schmidt.

***

Gisteren in het minibioscoopzaaltje van de Brotfabrik, Prenzlauer Berg, eindelijk een eenmalige presentatie van Piel Jutzi’s Mutter Krausens Fahrt ins Glück (1929) gezien. (Er bestaat geen dvd en ook bij YouTube ving ik bot).

Milieu: arbeidersbuurt Wedding, huurkazernes, proletarisch Berlijn zoals de schilder, tekenaar en fotograaf Heinrich Zille het portretteerde (‘Je kunt een mens met een woning doodslaan als met een bijl’).

De oude moeder Krause is verdriet en ellende beu. Ze draait de gaskraan open en neemt het inwonend kind mee in de dood: ‘Was hast Du armet Wesen auf dieser Welt zu verlieren. Komm, Du fährst mit Mutter Krause ins Jlück.’ Zwijgende film, tussentitels in dialect. Maar de suggestieve muziek van Paul Dessau doet zelfs de dingen spreken, blaast de film zijn ziel in. Adembenemend.

Veel verslagen en behuilde gezichten na de voorstelling.

Ondanks de censuur teerden de nazi’s op Mutter Krause. In de nazi-propagandafilm Hitlerjunge Quex, 1933, draait moeder Völker ook de gaskraan open om met haar zoon in de dood te vluchten.

 

 

Schmidt

23 november 2015

Misselijk makende  toespraken over ‘de grote Hanseaat’ Helmut Schmidt, die vandaag wordt bijgezet. Ik verdenk hem ervan dat hij zijn leven zo lang getrokken heeft uit overtuiging van zijn onmisbaarheid. Maar niemand zal hem missen, want hij is gedoemd te behoren tot de categorie van Bondskanseliers van wie bijna niemand de namen nog kent: de nazi-meeloper Kurt Georg Kiesinger, bijgenaamd Häuptling Silberzunge (van wie men zich alleen herinnert dat hij een muilpeer van Beate Klarsfeld kreeg) en Ludwig Erhard, die zo weinig te vertellen had dat het debat over zijn regeringsverklaring, waarvoor twee dagen waren voorzien, bij gebrek aan gespreksstof tot één dag werd ingekort. Als historisch figuur kan Schmidt  – die dat wist en erdoor gefrustreerd was – niet op tegen Adenauer en Kohl, laat staan tegen zijn partijgenoot Willy Brandt. De geschiedenis zadelde Schmidt met Baader-Meinhof op. Schmidt offerde zijn vriend (ex-SS-Untersturmführer, ariseerder van Tsjechië en nazi-Duitsland-bevoorrader van dwangarbeiders) Hanns Martin Schleyer, voorzitter van de Duitse werkgeversbond, uit staatsraison op aan de RAF. Schmidt werd geroemd als intellectueel omdat hij een paar spreuken van Kant en Marcus Aurelius van buiten had geleerd. In feite had hij alleen maar verachting voor schrijvers en intellectuelen, zoals bleek uit zijn arrogante optreden in de redactie van Die Zeit. Toegegeven, een Bondskanselier in functie is in zijn uitspraken aan restricties onderworpen. Maar toen hij daarvan was bevrijd, hield Schmidt niet op de universele rechten van de mens (o.a. in China) belachelijk te maken met het argument dat de Bijbel en de Inca’s ook geen mensenrechten kenden. Uiteindelijk ontpopte hij zich tot een Poetinvriend die een loopje nam met het internationale recht door onder meer het bestaansrecht van Oekraïne te betwisten. Hij was in alle opzichten een hypocriet en lomperik, en wie daaraan twijfelt moet er maar eens de memoires van Klaus Harpprecht (Schräges Licht) en Zeit-medewerker Fritz Raddatz  op nalezen. Het werk van de historica Sabine Pamperrien, die in Helmut Schmidt und der Scheisskrieg  Schmidts versie van zijn soldatenleven in de oorlog in twijfel trok, is nauwelijks ter kennis genomen. Maar de Duitsers bewonderden Schmidt als een morele autoriteit, omdat ze nu eenmaal de neiging hebben om in het stof te gaan liggen voor elke goed van de tongriem gesneden korporaal. (Ironisch genoeg heeft Schmidt die Duitse behoefte aan politieke idolatrie zelf ooit eens gehekeld in een gesprek met de Frankfurter Allgemeine,  wat aan zijn verering door de Duitsers geen afbreuk deed.) Natuurlijk is mijn beoordeling hard en onrechtvaardig, maar dat moet ook wel als men de dingen weer wat in het lood wil trekken.