Keurslijf

31 december 2015

We ontsnappen niet aan onze keurslijven, ook niet aan de onzichtbare van onze afkomst. De burger Goethe – over wie Safranski zegt dat het aangeleerde en uitslovende dan aan hem opvalt – gedraagt zich onbeholpen, stijf en verkrampt in een adellijk milieu, terwijl de pas benoemde proleet-kanselier Adolf Hitler zich geen houding weet te geven tussen de burgers: ‘De panden van zijn rokkostuum hinderden hem. Keer op keer gleed zijn hand af om steun te zoeken bij zijn koppelriem. Het was duidelijk dat hij de vertrouwde steun ervan miste.’ (Bella Fromm, ‘Bloed en banketten’).

 

Advertenties

Over auteurslezingen

30 december 2015

‘Nee,’ zeg ik tegen I., op auteurslezingen ben ik nooit te zien. Ik deel de mening van Giacomo Leopardi dat zelfs de mooiste geschriften vervelend worden wanneer de schrijver ze zelf voorleest. Maar de plaag is niet nieuw, en Leopardi vermeldt dat Horatius ze al onverdraaglijk vond, en dat Martialis op de vraag van een mededichter waarom hij zijn verzen nooit voorlas antwoordde: ‘Om die van jou niet te hoeven aanhoren.’ Weg dus met dat gebruik van slechte smaak, want het publiek is toch alleen maar voor zichzelf present en de schrijver alleen maar om achteraf gevleid te worden. Maar helaas is de ziekte epidemisch en onuitroeibaar, zodat Leopardi in 1837 al bitter klaagt dat het voorlezen van eigen maaksel vandaag de dag een openbare ramp en een nieuwe kwelling voor het mensdom is geworden, zeker nu ‘iedereen literaire producten maakt en het praktisch onmogelijk is om iemand te vinden die geen schrijver is’.

 

Beatrice

29 december 2015

Na het bezichtigen van Botticelli’s tekeningen die Dantes ‘Divina Commedia’ illustreren staan we in het avonddonker op de drempel van het Gemäldemuseum, voor ons de gloed van de Potsdamer Platz, ook een Purgatorio. ‘Heb je gezien hoe Beatrice een voet hoger naast Dante zweeft?,’ vraagt I. ‘Ja,’ zeg ik, en ik leg mijn hoofd in mijn nek om haar mond te zien.

 

De kermende stad

28 december 2015

Stalins staande ovatie van gisteren klinkt ons nog in de oren, ze behoort tot de nog te schrijven geschiedenis van de geluiden, want soms komt de geschiedenis alleen via haar rumoer, haar boerende maag, tot ons. Goethe schrijft over de ellendige kanonnade van Valmy, die hij in september 1792 ondergaat, dat de oorlog vooral langs de oren tot hem doordringt, ‘want het gebulder van de kanonnen, het huilen, fluiten, knallen van de kogels door de lucht is toch de eigenlijke oorzaak van die gewaarwording’. En wat als de wapens zwijgen? Is het dan de stilte die geschiedenis maakt? Als de Brits-Oostenrijkse soldaat George Clare in 1946 naar Berlijn terugkeert, treft het hem dat elk geluid er op zichzelf staat (helemaal anders dan voor de oorlog, toen de stadsgeluiden zich met elkaar vermengden): ‘Het ontbreken van een constant stadslawaai ontstelde me meer dan de aanblik van de gebouwen die door bommen en granaten waren vernield…’ Op dat laatste was hij immers voorbereid, zegt Clare in ‘Berlin Days’, maar niet op een stad die alleen nog fluisterde. Misschien is fluisteren toch niet het juiste woord voor wat Clare in het verwoeste Berlijn hoort. Zoals hij de geïsoleerde geluiden beschrijft (het klepperen van houten zolen, het ratelen van een bolderwagen, het knarsen van een legervoertuig) gaat het eerder om het kermen en reutelen van de stad die als een gewond dier in een hoek crepeert.

 

Applausmachine II

27 december 2015

In januari 1946 schrijft Stalin een tekst voor een redevoering die hij een maand later voor duizend partijkaders in het Moskouse Bolsjoi-theater zal houden. Wat die tekst uniek maakt, zijn de regieaanwijzingen van de dictator, die op de reacties van het publiek anticipeert. De ene paragraaf sluit hij af met ‘flink applaus’, de andere met ‘gelach’, de ene met ‘daverend applaus’, de andere met ‘instemmend geroep’. Aan het slot rondt Stalin zijn script af met een ‘frenetiek applaus en staande ovaties’. En kijk, als Stalin op 9 februari zijn redevoering houdt, blijkt dat zijn draaiboek klopt als een bus.

(Zie ook ‘1946 – The Making of the Modern World’ door Victor Sebestyen, Macmillan, Londen).

 

Er komt geen eind aan het applaus voor de dictator. ‘Hoelang gaat dat nog door?’ vraagt I. ‘Het houdt nooit meer op,’ zeg ik, ‘de eerste die ermee stopt, wordt afgeknald.’

 

Nog eens Napels

25 december 2015

Goethe op 27 februari 1787 in Napels: ‘Ik neem het niemand kwalijk als hij in Napels zijn verstand verliest.’ Na Rome staat hij oog in oog met Napels zoals Einstein na de relativiteitstheorie met de kwantummechanica, alleen welwillender.

 

De greep naar de stok is al het gewapper van de vlag.

 

Gesprokkel

23 december 2015

I. spreekt me aan op mijn Napels-stukjes, ze vraagt me of Alfred Sohn-Rethel de kiem van zijn ‘Ideal des Kaputten’ (zie 16 december) mogelijk in Goethes Napels-impressies gevonden heeft. Het zou kunnen, maar ze duwt me een passage onder de neus waarin Goethe verslag uitbrengt over zijn bezoek aan de Napolitaanse markt: ‘Er is geen stukje ijzer, leer, laken, linnen, vilt enz. dat niet opnieuw als prul op de markt komt en niet opnieuw bij de een of de ander aftrek vindt.’ En omdat ikzelf graag bij I. aftrek vind, delf ik voor haar nog een recyclagepassage op, namelijk als Goethe op 28 mei 1787 observeert hoe zelfs de kleinste kinderen altijd op alle manieren bezig zijn en nering doen (en dus het cliché weerleggen dat de Napolitanen ‘lazzaroni’, leeglopers zijn). Op het strand verzamelen de kinderen zelfs de kleinste stukjes takjes en wrakhout in manden: ‘De kinderen lopen later met hun mandje verder de stad in en brengen als marktkramers hun kleine houtvoorraden aan de man. De ambachtsman, de kleine burger koopt het hout van hen, brandt het op zijn drievoet tot kooltjes om zich te warmen, of gebruikt het om zijn karig maaltje op te koken.’ En ja, I. lacht en ik verheug me dat ze door mijn gesprokkel al ontvlamt.

 

Bondskanselier Hitler

22 december 2015

Werkelijk, het staat er en I. duwt me de passage na een revisie zwart op wit onder de neus. Wat heeft je bezield om van Adolf Hitler een bondskanselier te maken? Daar heb ik met mijn stilstaand hart geen antwoord op. Alleen de reflex: wat een geluk dat het script nog geen boek is! Maar wat als het dat toch was geweest? Het toeval wil, zeg ik dankbaar tegen I., dat ik nog maar pas in een standaardbiografie las dat Goethe in Napels de Etna beklommen heeft, een fout die me zeker niet blij maakt maar die, als ze dan toch enig nut moet hebben, me misschien kan helpen om mijn eigen fouten te boven te komen als ik er – nochtans altijd een misselijk makende ervaring – in eigen werk mee word geconfronteerd. Een schrale troost weliswaar, maar toch, dan moet ik me maar behelpen met de illusie dat ik die fout om humanitaire redenen heb gemaakt, opdat degenen die haar ontdekken haar niet gebruiken om me te compromitteren, maar om hun eigen fouten te boven te komen en met mijn falen even mild om te gaan als ik met het hunne.