Een naschrift met naschrift

9 februari 2019

Veel, maar ook verdeelde reacties op mijn ‘campagne’. Een goede vriend waarschuwt me voor overkill en schrijft me dat de enige waardige reactie op ‘de kwetsende recensie’ van Alexandra De Vos (recensie in DSdL van 1 februari) op Gunzenhausen ijzige stilte is. Hij verwijst daarvoor naar Hugo Claus en diens mening over recensenten als luizen in zijn majesteitelijke pels. Hij vindt dat ik moet wachten met mijn wraak omdat De Vos zoals alle boekbesprekers ook ooit met een boek voor de dag zal komen waarop zonder enige twijfel een heleboel aan te merken zal vallen. Maar ik ben het slechts op één punt met hem eens. Hieronder een ingekorte versie van mijn repliek.

Beste Karel

Over jouw argumenten heb ik natuurlijk ook nagedacht voor ik eraan begon. Maar ik ben Claus niet. Ik ben geen majesteit en heb ook geen zin om me zo te gedragen, integendeel, ik wil het beeld van de schrijver als diva vernietigen. Waarom zou een schrijver zich als een keizer moeten gedragen? Wat maakt hem beter dan ieder ander die zijn werk naar behoren doet? Is het slikken van onterechte verwijten een vorm van majesteit, of juist van opportunisme, lafheid, conformistisch gedrag? Dat vraag ik omdat dubbelzinnigheid een thema is dat me ten zeerste boeit, en mijn boek is er zowel de kiem als het resultaat van. Kortom, ik volg niet het voorbeeld van Claus, maar heb mijn eigen kompas.

Ik beschouw mijn werk als een ambacht, en als ik een tafel met vier poten maak, voel ik me als door een wesp gestoken als iemand de mensen die die tafel nog niet hebben gezien wil wijsmaken dat hij er maar drie heeft en wiebelt. Is dat niet legitiem? Ik heb geen zin om me zomaar te laten afslachten. Het kan me niet schelen dat ik niet ‘cool’ ben. Je zou het ook anders kunnen zien. Niet-reageren zou ik laf hebben gevonden. Er zijn er genoeg die hun mond houden omdat ze hun kansen voor de toekomst niet willen verbeuren. (Die maken de andere partij alleen maar pretentieuzer en arroganter). Aan dat soort opportunisme, dat je natuurlijk ook onder het mom van morele superioriteit kunt verkopen, heb ik nooit meegedaan. En het naleven van ongeschreven regels interesseert me niet. Maar ik zie dat ik in herhaling val. Foei.

Verweer en strijd behoren tot mijn persoonlijkheid. Ik wilde van de gelegenheid gebruikmaken om iets te zeggen over de kwaliteit van de literaire kritiek, over het gebrek aan sérieux, over de uit de hand gelopen genderdiscussie. Met ‘waardigheid’ heeft zwijgen daarover niet veel te maken, vind ik. Je zou gelijk hebben als mijn bijdragen uit gejammer zouden bestaan, maar ze leveren vooral discussiemateriaal.

Het klopt: de meningen over mijn aanpak zijn verdeeld, sommigen delen jouw opinie, maar anderen vinden dat ik terecht reageer en vinden mijn blog spannender dan ooit. Ik ben er zeker van dat mijn ‘campagne’ niet zonder gevolgen blijft, en dat er op de redactie van DSdL ook wordt nagedacht over mijn bezwaren. Ik steek dus ook mijn nek uit voor mijn collega’s, en als mijn stukjes ook maar een beetje bijdragen aan een degelijker vorm van literaire kritiek, dan is dat een winst waarvan ook de andere collega’s genieten die door losgeslagen pretentieuze recensenten worden ontmoedigd en bedreigd. Op mijn werkkracht zal dat geen invloed hebben, ik ben bezig.

Je weet dat ik het zeer apprecieer dat je ongezouten je mening zegt, en ik hoop dat je dat ook in de toekomst blijft doen, want zo zijn we altijd met elkaar omgegaan, en dat is ook goed zo. Als het anders was, zou je met je opinie overschot van gelijk hebben. Overigens heb je zeker een punt als je zegt dat het nu wel genoeg is geweest. Het argument van overkill aanvaard ik zonder meer.

Heel veel groeten, en tot gauw.

Piet

Naschrift. En natuurlijk verdient zelfs Alexandra De Vos een billijke kritiek als ze ooit een boek publiceert. Ik heb niet het talent van een Dante die zijn vijanden in het inferno gooit en ook niet van een Michelangelo die zijn criticaster Biagio da Cesena tot keizer van de onderwereld maakt en hem afbeeldt met ezelsoren en een penis die wordt verslonden door een slang. Maar hadden Dante en Michelangelo zich door jouw argumenten laten leiden, dan hadden de Divina Commedia en Het laatste oordeel er wel anders uitgezien. In elk geval hulden beide meesters zich niet in ijzige majesteitelijke stilte. Zijn ze daarom in hun menselijkheid minder keizerlijk?

Over dit thema, zie ‘inwijkeling’ of Marc Reugebrink:

De Moor vs De Vos

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: