Een erudiete geschiedenisles, en een beetje feiten

7 februari 2019

Is Gunzenhausen een erudiete geschiedenisles? Ik zou daarover gezwegen hebben, ware het niet dat iemand die zich als een kritische autoriteit presenteert me noopt erover te praten. Laten we het dus hier hebben over erudiete geschiedenislessen, aangevuld met een beetje feiten. Als schrijver van mijn boek moet ik elke lezer waarschuwen: voorzichtigheid is geboden. In de ondertitel van Gunzenhausen staat niet voor niets dat het om Salingers parallelle leven gaat. Om te beginnen is Salinger, de ik-verteller, een onbetrouwbare verteller, (een ‘unreliable narrator’ volgens een nuttige term die Wayne C. Booth in 1961 heeft uitgevonden, zie zijn Rhetoric of Fiction).
De Salinger uit Gunzenhausen speldt ons dus heel wat dingen op de mouw. Maar behalve met het feit dat hij liegt (of verzint) moeten we er ook rekening mee houden dat Salinger zich soms domweg vergist of onwetend is als hij de historische feiten naar waarheid wil vertellen. Mijn Salinger verbaast er zich bijvoorbeeld over dat er in de Republiek van Weimar nog een Reichsbahn, Reichswehr en Reichspräsident bestaan en dat de hele staatkundige nomenclatuur van de Weimar-republiek nog naar het Rijk verwijst. Waarschijnlijk weet hij dus niet dat artikel 1 van de in Weimar opgestelde grondwet (Reichsverfassung!) luidt: ‘Das Deutsche Reich ist eine Republik.’
Ik zou niemand aanraden om Gunzenhausen zomaar als geschiedenisboek te gebruiken. Salinger mag zich vergissen, maar ik, als schrijver van mijn boek, moet wel weten waar hij faalt of blundert, en waar hij alleen maar verzint of slordig is. Op een bepaald moment zegt mijn Salinger dat zijn Catcher in the Rye de steen is die hij in de kikkerpoel van het naoorlogse status quo-Amerika gooit om de inerte zonen en dochters te wekken uit het larvenbestaan waartoe het Eisenhower-tijdperk hen voor de rest van hun leven heeft voorbeschikt. Ook daar vergist hij zich, want in 1951, als The Catcher verschijnt, is Harry S. Truman president. Het klopt dat in de bagage van John Hinckley, die eind maart 1981 een aanslag op president Ronald Reagan pleegde, een exemplaar van The Catcher zat. Maar de details over de aanslag zijn niet correct, want Salingers bewering dat Reagan met hagel werd doorzeefd klopt niet. Door de zesde kogel die Hinckley had afgevuurd kwam er wel een onderdeel van Reagans gepantserde wagen los, en precies dat element trof Reagan in borst en longen.
Het zijn niet altijd verzinsels en leugens, maar ook soms nonchalances die mijn Salinger zich veroorlooft, hoe nauwgezet hij op andere terreinen (bv. orthografie, lay-out) ook is. Nog een voorbeeld: het klopt dat in het tiende hoofdstuk van Hemingway’s For Whom the Bell Tolls Spaanse fascisten worden vermoord en dat hun lijken van een klif in de rivier worden gegooid. Maar in de roman van Hemingway zijn de moordenaars geen internationale brigadisten, zoals mijn Salinger beweert, maar republikeinse partizanen. Ook hier vergist mijn Salinger zich, maar dat foutje is begrijpelijk, want in 1945 is het vijf jaar geleden dat hij Hemingway’s boek gelezen heeft, en in Gunzenhausen staat er geen exemplaar van de roman in de bibliotheek. Je kunt dus zeggen dat Salinger soms de waarheid spreekt, soms liegt en soms door zijn geheugen in de steek wordt gelaten, net zoals het geheugen van zijn vlam Sylvia faalt als ze Jerry vertelt dat in Joseph Roths roman Radetzkymars vader en zoon tegen elkaar schaken, terwijl in werkelijkheid (d.w.z. in Roths roman) het districtshoofd tegen zijn vriend, dokter Skowronnek speelt. Maar in dat laatste geval wordt het misverstand wel opgehelderd op p. 98 (tweede druk).
Daarnaast hebben we in Gunzenhausen ook te maken met een Salinger die er op los fabuleert: de Stiefelstraβe in Wenen bestaat niet in het echt. Een bijeenkomst van schrijvers en artiesten als Stig Dagerman, Norman Lewis, John F. Kennedy, Teddy Stauffer en Dos Passos heeft nooit plaatsgevonden in het Gunzenhausen van vlak na de capitulatie. Een recensent die op basis van dat laatste verzinsel in alle ernst beweert dat het daar in de door de oorlog veroorzaakte puinhopen een artistieke melting pot was, valt dus in een hinderlaag. Op zich vind ik dat heel vergeeflijk, tenzij de recensent veinst dat hij dat zelf allemaal ook al wist. Zo’n recensent applaudisseert dan voor de kleren van de keizer, niet wetend dat hij, of zij – nooit eerder hebben we de gender-gap zo graag gedicht! – zelf in zijn (haar) blootje staat. En wie wil dat nu, met een priaap in de buurt?

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: