Nog eens ‘Gunzenhausen’ in ‘De Standaard’

4 februari 2019

In de openingsregels van haar Gunzenhausen-recensie* heeft Alexandra De Vos het over romanciers die een levensverhaal invullen met ‘een beetje feiten’ en heel veel eigen inspiratie. Ik neem aan dat ze daarmee ook mij en mijn werkwijze bedoelt. In haar slotregels echter noemt ze Gunzenhausen een ‘erudiete geschiedenisles’. Die twee dingen – ‘een beetje feiten’ en ‘een erudiete geschiedenisles’ – kunnen samen niet door één deur. Bovendien klinkt ‘een erudiete geschiedenisles’ nogal neerbuigend, (‘een beetje feiten’ natuurlijk ook). In zijn Dictionnaire des idées reçues vertelt Flaubert hoe de filister omgaat met de Érudition: ‘La mépriser comme étant la marque d’un esprit étroit’, wat wil zeggen: de eruditie misprijzen als een symptoom van een bekrompen geest.
In het stukje van De Vos valt geen woord over de schrijnende hunker naar tederheid in Gunzenhausen, omdat de recensente zich heeft vastgebeten in haar opzet mijn boek met een paar eenzijdig gekozen en vooral tendentieus becommentarieerde citaten uit de ongezouten seksuele sfeer verdacht te maken. Er mag veel seksisme zitten in Gunzenhausen, in Salinger, in het tijdperk waarin het verhaal zich afspeelt en in de mannen die het bevolken, maar het is geen seksistisch boek. Ik heb de Duitse arts Sylvia Welter, die in de Salinger-literatuur doorgaans nog altijd zonder enig bewijs als een nazi wordt versleten, helemaal gerehabiliteerd. Dat is De Vos helemaal ontgaan. Haar oordeel is vals, en intellectueel te kwader trouw.
Helaas, uit het stukje van De Vos kan niemand opmaken wat voor een boek ik heb geschreven. Haar drie laatste zinnen zijn zelfs volslagen onbegrijpelijk. Daarover later meer, want ik ben nog lang niet klaar met mijn analyse.
Ik wist niet dat Alexandra De Vos, die ik nooit heb ontmoet, mijn zielenroerselen en mijn fantasieën kent. Ze mag mijn boek slecht vinden, maar ze kan de fantasieën van Salinger niet als de mijne taxeren. Toch matigt ze zich dat aan. Ze identificeert het personage Salinger met de schrijver Piet de Moor, op wie ze ook nog eens een karaktermoord pleegt. Het laatste kan me niet schelen, maar het eerste is een abominabele beginnersfout, een rookie mistake in het Algemeen Beschaafd Engels, een blunder van formaat die een recensent onwaardig is. Toen Flaubert zei: ‘Madame Bovary, c’est moi’, bedoelde hij niet het personage, maar de roman. In dezelfde zin ben ik niet Salinger, maar wel Gunzenhausen. Verstandige lezers weten dat.

* Zie de blog van vrijdag 1 februari.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: