De lezer als criticus

3 februari 2019

Sommige bloglezers vinden dat ik lichtgeraakt ben. Werkelijk? Dat moeten we ophelderen. Een tiental dagen geleden ging Walter Moens, de dynamische voorzitter van Berlijnse Avonden, met mij in gesprek in het gastvrije huis van Lieve Pillen, hier in Berlijn-Zehlendorf. Er waren een dertigtal genodigden, een puik publiek, Belgen, Nederlanders, ook Duitse Berlijners. Walter Moens charmeerde me door in het publiek te verklaren dat hij Gunzenhausen – want dat was het gespreksthema – voor de derde keer ging lezen. Maar tijdens het gesprek dong ik zelf ietwat op zijn vriendelijke woorden af door voor de genodigden te verklaren dat ik bij een volgende druk een tweetal pagina’s in het derde deel zou schrappen. Mijn motief doet hier minder ter zake, maar ik denk niet dat zo’n verklaring getuigt van een gebrek aan zelfkritiek.
Mijn beschermengel (en een van mijn acht kritische manuscript-lezers) Aleid Steenman, die voor de gelegenheid uit Hilversum was overgekomen, gaf me de volgende dag zelfs een standje. Ze vond dat ik mezelf naar beneden haalde door zulke bekentenissen af te leggen. Ik was het niet met haar eens.
Via een omweg wil ik duidelijk maken wat ik bedoel. Die omweg loopt over Elena Ferrante die in september vorig jaar in The New York Times uitlegde wat literaire kritiek volgens haar zou moeten zijn. Ferrante: ‘Ik moet niets hebben van literaire kritiek die impressionistisch gekleurd is. Ik hou er niet van dat een tekst gebruikt wordt als een aanleiding om over iets anders te praten. Ik geef de voorkeur aan literaire kritieken die bij de tekst blijven, die nauwkeurig de expressieve strategieën van de schrijver analyseren. Een goede literaire kritiek richt zich tot de lezer om hem te zeggen: dit is het uitgangspunt van de schrijver, hier wilde hij me naartoe brengen, dit zijn de middelen die hij gebruikt, dit zijn de doeleinden die hij nastreeft, hier was hij schatplichtig aan de traditie, en dit zijn de redenen waarom zijn werk mij bevalt of waarom ik het verafschuw.’
Nu is het toch wel aangenaam te ontdekken dat de mening van heel wat goede lezers beantwoordt aan de normen van Ferrante. Hun kritische opinie bereikt me soms direct, maar ook vaak via derden. Neem nu de mening van de mij onbekende Nederlandse lezer (hij kende mij overigens ook niet voor hij mijn boek las) die Gunzenhausen als geschenk had gekregen en die de schenker met de volgende woorden bedankt: ‘Hoi, gisteren tijdens de sneeuw in één ruk Gunzenhausen van De Moor uitgelezen. Mijn soort boek hoor, wisselende perspectieven, getuigt van grote belezenheid – met daarom soms het gevoel naar een omgevallen boekenkast te kijken, iets minder had wel gekund – en inlevingsvermogen. En het droevige derde deel deed me meteen besluiten zijn Nine Stories weer eens te herlezen. Was erg onder de indruk van de innerlijke dialogen in het tweede deel (van Gunzenhausen, PdM). Dank je wel, een fijne leeservaring!’ Einde citaat. Die mini-recensie bevalt me, omdat de lezer-criticus argumenten aanvoert, iets wat sommige beroepsrecensenten, die al te dikwijls alleen maar iets beweren, soms verzuimen. Ik heb inmiddels een aardige collectie soortgelijke lezersreacties aangelegd. Voor zulke lezers, die elke schrijver zich wenst, blijf ik schrijven. Van zulke lezers aanvaard ik graag kritiek, en zulke lezers sporen me aan om openlijk te spreken over de gebreken die ik in mijn werk ontdek.
Inmiddels verneem ik dat de lezer die ik hierboven citeer intussen inderdaad de negen verhalen van Salinger heeft herlezen en tot de conclusie is gekomen dat Gunzenhausen daar een nieuw en onverwacht licht op werpt. En of me dat gelukkig maakt!

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: