Der Kuh im Kaffeehaus

18 januari 2017

In Reisinger’s am Salzgries ben ik op een boogschot van de Rudolfplatz 10, waar de nu 95-jarige reporter Georg Stefan Troller (zie Selbstbeschreibung) het levenslicht zag. De joodse oer-Wener die langer in Parijs heeft gewoond dat in de Oostenrijkse hoofdstad, is de uitvinder van het echte interview. Naar eigen zeggen is hij een menseneter die van het warme bloed van zijn slachtoffers leeft. Bij een Kosakenkaffee lees ik in Der Standard Trollers al te bescheiden antwoord op de vraag naar zijn literaire voorbeelden: ‘Als ik voor mezelf een galerij van stamvaders zou aanleggen, dan reken ik daartoe Joseph Roth en Anton Kuh, beiden Oostenrijkers zoals ikzelf, waarbij ik me gelukkig prijs dat ik een opvolger ben en niet tegelijk met hen heb moeten werken. Want dan zou ik wellicht wat bleekjes uitgevallen zijn. Maar dat ik hun echo nog een tijdlang kon uitdragen bevalt me wel.’
Zelf waardeer ik Troller niet minder dan Roth en Kuh. De twee laatsten sloegen in het interbellum hun tenten een tijdlang in Berlijn op, Romanisches Café. Maar in geestigheid overtrof Kuh zelfs Roth.
Niettemin, als ik eerlijk ben, was journalist en cultuurfilosoof Egon Friedell ten minste één keer geestiger dan Kuh. Dat kwam zo. De bohemien Anton Kuh was weer eens blut. Omdat hij het geld dringend nodig had, publiceerde hij een verhaal dat Friedell in een Oostenrijkse krant had gepubliceerd nog eens onder zijn eigen naam in een Berlijns tijdschrift. Daarop schreef Friedell, die de coup natuurlijk snel had ontdekt, de volgende open brief aan collega Kuh: ‘Zeer geachte heer. Verrast constateer ik dat u mijn bescheiden verhaal Keizer Joseph en de prostituee ongewijzigd, alleen met toevoeging van de drie woorden “door Anton Kuh” in het blad Querschnitt hebt gepubliceerd. Natuurlijk vind ik het een eer dat uw keuze op mijn kleine, luimige verhaal is gevallen, aangezien u immers kon kiezen uit de wereldliteratuur sinds Homerus. Daarom zou ik me graag gerevancheerd hebben, maar na het doornemen van uw verzameld werk vond ik niets waaronder ik mijn naam had willen plaatsen. Egon Friedell.’
En nu is het tijd voor een Fiaker bij Hawelka, voor ik met mijn zevenmijlslaarzen naar de Alte Schmiede trek om er Troller te horen zeggen dat zijn Fidele Grab an der Donau (een van zijn boektitels) nog wat geduld moet oefenen.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: