Ventilatie-enthousiasten en hun opponenten

27 november 2016

Wie kan zich nog een idee vormen van een beeld dat Max Frisch in zijn roman ‘Montauk’ (1975) gebruikt? De Canadese meren, verstrooid als snippers, gelijkend op een blad dat je impulsief uit de schrijfmachine hebt getrokken en dat daardoor aan flarden is? Binnenkort niemand meer, want de mensen die in de eenentwintigste eeuw geboren zijn, kennen het geluk niet van een uit de schrijfmachine gerukt blad papier. Ervaringen gaan in rook op samen met de verdwenen voorwerpen die ze vorm en bestaansrecht gaven.

In zijn essay ‘Die Groβe Wanderung’(1992) heeft Hans Magnus Enzensberger het over de kortstondige vijandigheid waarop nieuwkomers in een treincoupé worden vergast door de reizigers die er zich al geïnstalleerd hebben. Maar hoeveel treinen hebben nog een coupé? En is het verder een vloek of een zegen dat in de hedendaagse treinen de vensters niet meer opengaan sinds de airco er zijn intrede heeft gedaan?

Maar in de Berlijnse S-Bahn kun je de smalle bovenvenstertjes nog altijd openklappen. Dat doet me denken aan de verdeeldheid die ik – geen liefhebber van tocht – eens op het einde van de zomer zaaide in zo’n dichtbevolkte wagon, toen ik zo’n openstaand venster dichtklapte, met een knal die ik niet zo hard had bedoeld.

Sommige reizigers keken me dankbaar aan, in andere ogen stond een haat gegrift die aan intensiteit niets te wensen overliet. Zoveel was duidelijk: wie het raampje dichtklapt, heeft moreel ongelijk, hij voelt zich altijd in de minderheid, hoe groot het publiek ook is dat zijn ingreep steunt.

In zijn roman ‘Cécile’ (1886) viseert Theodor Fontanes verteller een kleine, dikke man die alle vensters in een treincoupé openzet, daarbij zo trots en uitdagend in het rond kijkend ‘dat me de moed ontbrak om hem in zijn moordzuchtige daad te dwarsbomen’. Een dag later ontstaat in het reisgezelschap dat die nare ervaring heeft gemaakt een discussie over wie de grootste engerd is: de ventilatie-enthousiast of de ventilatiehater. De conclusie is dat die laatste toch wel de voorkeur van de beschaafde wereld moet genieten omdat hij niet zo op het beledigen van zijn opponenten uit is. ‘De ventilatie-enthousiast gaat namelijk de hele tijd prat op zijn gevoel van absolute superioriteit, omdat hij, in zijn opinie, niet alleen het principe van de gezondheid, maar ook van de zedelijkheid belichaamt. Het zedelijke, het zuivere. Maar wie alle vensters openrukt, voelt zich juist een toonbeeld van vrijheid, dapperheid, heldhaftigheid, terwijl wie ze sluit voor eens en altijd een zwakkeling is, een lafaard, un lâche. En dat weet de ongelukkige venstersluiter ook, en omdat hij het weet, treedt hij angstig en geniepig op, zo geniepig dat hij bij voorkeur het moment afwacht waarop de tegenpartij lijkt te slapen. Maar die tegenpartij slaapt niet, en met die nooit versagende moed die nu eenmaal uit de hogere zedelijkheid opwelt, springt hij op, laat zijn toornige aders zwellen en smakt het venster weer naar beneden, precies zoals de dikke, kleine meneer gisteren. U kunt er alles op verwedden: de tegenstander van tocht en wind is altijd getekend door schuchterheid, de enthousiast echter (en dat is veel erger) staat bol van zijn drang om te affronteren.’

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: