Een esthetische missie

3 april 2016

De altijd opnieuw opgeworpen kwestie hoe het mogelijk was dat een cultuurvolk als het Duitse zich door Hitler liet beheksen, valt gemakkelijker te beantwoorden als je ziet hoe de Duitse elite voor, tijdens én na de Grote Oorlog in naam van de cultuur tegen de naburige volkeren in woord en daad ten strijde trok en de oorlog rechtvaardigde. Max Liebermann, de schilder, Georg Heym, de dichter, Karl Scheffler, de criticus, Harry Graf Kessler, de fijnbesnaarde dagboekschrijver: allemaal hebben ze de lof gezongen van de oorlog, die gerechtvaardigd werd met de suprematie van de Duitse cultuur. ‘Het mag als een daad van discreet verzet gezien worden dat uitgever Kurt Wolff nog tijdens de oorlog het boek van Auguste Rodin over de Franse kathedralen, waarvan het centrale hoofdstuk is gewijd aan Reims, in Duitse vertaling uitbracht,’ noteert de historicus Ernst Piper in zijn recent vertaalde ‘Nacht over Europa – Cultuurgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog’ (Bezige Bij).
De genoemde kunstenaars en intellectuelen waren overigens de gematigde stemmen in dat juichende oorlogskoor. We hebben het niet eens over de nationalistische, antisemitische schreeuwers als Heinrich Class die er eerst in ‘Wenn ich der Kaiser wär’’ (1912) en later in ‘Wider den Strom’ (1932) geen doekjes om wond: ‘Maar ik formuleerde vooral het uitgangspunt dat elk stuk nieuw land dat we verwerven om de Duitse landhonger te bevredigen of om de Duitse veiligheid zeker te stellen, vrij van mensen aan ons moet worden afgestaan, dat wil zeggen dat de staat die na onze overwinning land aan ons geeft, zelf de bevolking ervan moet opnemen zodat het zonder mensen wordt afgeleverd.’
In zulke teksten staat cultuur niet tegenover oorlog, maar is de cultuur de kroon op de kogel uit de loop van het kanon. Zeg maar: het bereiken van het uiterste schoonheidsideaal door doodslag en moord. En meteen zitten we op het spoor van wat de Poolse schrijver Stefan Chwin (°1949) in zijn essay ‘Mein Danzig’ (in ‘Ein deutsches Tagebuch’, uitgeverij Tapeta) een vorm van ‘sluitende Duitse cultuur’ heeft genoemd, terwijl ik me afvraag of cultuur niet in alle omstandigheden en in alle naties een ambivalent begrip is, in tegenstelling tot de term civilisatie, waarmee immers een universele waarde wordt uitgedrukt (de reden waarom Thomas Mann er in zijn ‘Betrachtungen eines Unpolitischen’ zo tegen tekeerging). Ik zou durven zeggen: de cultuur is het ongetemde paard dat door de civilisatie gezadeld wordt.
In zijn essay zegt Chwin dat de Duitsers gedurende decennia zijn opgevreten door een fanatiek, obsessief verlangen naar schoonheid: ‘De basis van de gruwelijkheden die dit volk in de twintigste eeuw beging was de droom een wereld van mooie, gezonde mensen te scheppen waarin er geen gehandicapten en waanzinnigen meer zouden zijn.’ Het nazisme dus als een beweging met een exclusief esthetische missie, waarvan niet alleen joden en Slavische volkeren, maar ook de Duitsers die niet aan dat ideale beeld beantwoordden het slachtoffer werden. Kan men zo’n bewering ernstig menen? Was het in naam van het nazistische schoonheidsideaal nodig om de joden te verbieden asperges te eten omdat dit een Arische groente was? Kon men de joden niet vergassen zonder hen dit verbod op te leggen? Want als het waar is wat Chwin beweert, dan moeten rancune en ressentiment toch de noodzakelijke sadistische stoffen zijn geweest waarmee het nazi-schoonheidsideaal tot bloeiens toe werd vetgemest?
Werden de Hitler-fanaten in het Derde Rijk daar mooier van? Werden de Duitse leiders – Hitler, Göring en Goebbels – fysiek mooier omdat ze zich parfumeerden met de gassen van IG Farben en zich hulden in de rook uit de schoorstenen van Birkenau? Is het dat wat Heidegger bedoelde toen hij op Karl Jaspers’ vraag hoe een primitieve mens als Hitler Duitsland moest regeren antwoordde: ‘Sehen Sie nur seine wunderbaren Hände an!’

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: