De pruimen van Heinrich Heine

2 april 2016

Eergisteren schreef ik dat ik een onderscheid maak tussen schrijvers die ik verwerp, andere die ik bewonder en nog andere van wie ik houd. Iemand vroeg me om dat aan de hand van Duitse schrijvers te illustreren. En natuurlijk is het zo dat ik Goethe bewonder, maar niet van hem hou zoals ik van Heinrich Heine hou. Van Heine hou ik niet alleen wegens zijn uitzonderlijk scherpzinnige, geestige, erudiete en dus onderhoudende pen, maar ook omdat hij altijd buitengewoon fair is. Eerst breekt hij iemand helemaal af, dan bouwt hij hem weer op, beide met argumenten. Aan de stok waarmee hij slaat ontspruiten al de lauwerblaadjes. Heine is nooit onrechtvaardig. Om bij Goethe te blijven: Heine catalogiseert zijn werk eerst onder de rubriek ‘dode onsterfelijkheid’. Dat is Heines sublieme manier om te zeggen dat Goethes meesterwerken steriel zijn omdat ze als kunstwerken zijn afgerond. Maar even later neemt Heine hem in bescherming tegen zijn vijanden door te zeggen dat alles wat Goethe uitbeeldt volmaakt is en dat hij in de ‘West-östlicher Divan’ het bedwelmendste leefgenot in verzen heeft gegoten. Om kort te gaan: bij Goethe gaan het zinnelijke en spirituele een formeel unieke symbiose aan. Wat volgens Heine nog meer is: Goethes werken geven ons de geneugten terug ‘die het katholieke christendom ons zo lang door de neus heeft geboord’. Maar ik wil dat onderwerp niet langer uitspinnen en meteen duidelijk maken wat ik bedoel als ik de fairness en de geestigheid van Heine prijs, en zijn vermogen om zijn appreciatie voor Goethes aardse verhevenheid samen te vatten in een zonder meer sublieme zin die hij formuleert naar aanleiding van zijn eerste ontmoeting met de ‘Jupiter van Weimar’: ‘Ik stond op het punt hem in het Grieks aan te spreken, maar toen ik merkte dat hij Duits verstond, vertelde ik hem in het Duits dat de pruimen langs de weg van Jena naar Weimar erg lekker smaakten.’

 

Advertisements

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: