Bij de dood van Imre Kertész

31 maart 2016

Op donderdag 4 juli 1996 overkwam me iets vreemds in Boedapest. Ik was naar de Hongaarse hoofdstad gereisd met het vage plan om er Imre Kertész en György Konrád te interviewen. Mochten ze niet thuis zijn, zou ik wel iets anders verzinnen in Boedapest, die roetige, vitale stad waar altijd wel iets te beleven valt. Van Konrád had ik het adres en het telefoonnummer. Ik belde hem, hij nam op en stelde voor dat ik ’s avonds bij hem thuis langs zou komen. Van Imre Kertész had ik alleen het telefoonnummer, maar omdat het niet meer bleek te kloppen, kreeg ik bij hem geen gehoor. Hoe dan ook, die avond vergiste ik me van adres. In Boeda stond ik voor een huis in Török ut 3 waar ik tot mijn verbazing geen naambordje van Konrád vond, maar wel van een Imre Kertész. Later bleek die Imre Kertész van Török ut 3 inderdaad de schrijver Kertész te zijn die ik ook wilde spreken. Het lot had me in de miljoenenstad tot vlak voor de deur gebracht van de schrijver naar wiens adres ik op zoek was, al was dat niet de schrijver met wie ik die avond een afspraak had. Die avond was ik veel te laat op mijn afspraak met György Konrád, die kon lachen om mijn verhaal.
Een paar dagen later was ik bij Kertész op bezoek. In ‘Lettergrepen’ heb ik die eerste ontmoeting beschreven: ‘Na een lange treinreis ontmoette ik Kertész voor het eerst op 8 juli 1996 in Boedapest. Het was hartje zomer. Kertész zat te werken in een bloedhete kamer – ik weet niet meer op welke verdieping – een naakte kamer, de kamer van een asceet, nee, de ascetische kamer van een vitale, levenslustige man, de kamer die zo vaak in zijn werk terugkeert. (Terwijl ik dit schrijf sla ik “Ik, de ander” nog eens open en omdat het lot me gunstig gezind is, lees ik op pagina zesentwintig de toepasselijke zin: “In mijn veel te warme kamer lees ik ‘Wat niet in het dagboek staat’ van Marai.”) Ik herinner me dat Kertész ergens schrijft dat hij in die flat van achtentwintig vierkante meter vijfendertig jaar gewoond heeft, en dat zijn werk tot stand is gekomen in wat hij dat “noodlottige” appartement noemt. Het scherpst herinner ik me de onbeschrijflijke hitte, het zweet dat hij met een zakdoek van zijn gezicht wiste. Ik vroeg me af hoe hij in die omstandigheden kon werken, maar hij werkte onafgebroken, “als een roofdier dat zich op zijn prooi stort”. Die hitte was voor mij toen de genius loci van de plaats. (Ik vermoed dat Kertész zichzelf met muziek op de been hield, want toen ik hem later, na zijn onderscheiding met de Nobelprijs, in de zomer van 2003 in het bloedhete Berlijn ontmoette, niet bij hem thuis, maar in het Wissenschaftskolleg in de Wallotstrasse, zei hij, terwijl het zweet van zijn hoofd gutste, dat hij tot niets anders in staat was dan het beluisteren van muziek.) Veel meer dan een tafel, een paar stoelen en een wastafel stond er niet in die kamer in Boedapest. Ik herinner me dat het er sjofel was ingericht en dat ik onder de indruk was van de grenzeloze vriendelijkheid van een man wiens alter ego in zijn werk doorgaans een uitgesproken barse toon aanslaat. Ik herinner me ook nog dat hij het uitvoerig had over het operetteachtige karakter van het Horthy-regime en dat we spraken over zijn vertalingen van Canetti en Nietzsche naar het Hongaars. Ik herinner me verder dat hij opgetogen was met de stukken die ik destijds in de krant over “Kaddisj voor een ongeboren kind” en “Onbepaald door het lot” geschreven had, want hij wees me erop dat hij in Hongarije zo goed als onbekend en verstoken van waardering was, een thema dat ook in zijn werk terugkeert. Ik was van meet af aan geïmponeerd, vooral door de toon van zijn werk en de volstrekt onconformistische benadering van zijn onderwerp, dat de kern van zijn joodse leven en werk is: Auschwitz als een gebeurtenis die onbegrijpelijk zou moeten zijn, maar het niet is.’
Ik onderscheid drie soorten schrijvers. De schrijvers die ik verwerp, die ik bewonder en van wie ik houd. Kertész behoorde tot de laatste categorie. Zijn beste boek is het ‘Dagboek van een galeislaaf’.
Ik heb nooit begrepen waarom Kertész in 2014 uit de handen van de reactionaire premier Viktor Orbán de Stefaansorde aanvaardde, een decoratie (ook Hermann Göring kreeg ze) waarmee Orbán overigens een eerbetoon uit het Horthy-tijdperk had gereactiveerd. Horthy was in het interbellum een bondgenoot van Hitler. Ik was diep ontgoocheld. Het was alsof Kertész door het aanvaarden van die orde deel ging uitmaken van de perversiteiten die hij zijn hele leven had bestreden. Konrád had die Nobelprijs moeten krijgen, dacht ik toen.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: