Gesandwicht in Steglitz

21 maart 2016

Ik fiets graag naar het antiquariaat Hentrich in de Plantagenstrasse in Steglitz. In die straat bevond zich vroeger het gymnasium waar in 1896 scholieren en studenten van burgerlijke komaf – Steglitz behoorde nog niet tot de stad Berlijn – de jeugdbeweging ‘Wandervogel’ oprichtten die onder de nazi’s door de Hitlerjugend werd ingelijfd. Het gymnasium bevindt zich nu in de naburige Heesestrasse.
Meneer Hentrich maakt graag een praatje als je maar naar de juiste boeken vraagt. Nu beviel het hem dat ik ‘Leben im Winter’ van Klaus Schlesinger en vooral ‘Der Weg nach unten’ van Franz Jung kocht.
‘Ik ben altijd blij als ik Franz Jung verkoop,’ zegt meneer Hentrich, die over Jungs autobiografie vertelt als over een totaal vergeten meesterwerk. Ik moest toegeven dat Jung (1888, Neisse – 1963 Stuttgart) ook voor mij een onbekende was, en dat de lectuur van ‘Schlesische Spuren an der Spree’ van Roswitha Schieb me op zijn werk attent had gemaakt.
Jung trok in 1913 naar Berlijn, meldde zich vrijwillig als soldaat in wat de Grote Oorlog zou worden, deserteerde in 1915 na de slag van Tannenberg, werd in Spandau gearresteerd en belandde in de psychiatrie (Wittenau). Na de Duitse capitulatie nam hij als lid van de Spartakusbond deel aan de Novemberopstand, werd door de communisten naar Moskou gedelegeerd en ontvoerde om mij voorlopig nog duistere motieven op volle zee een schip naar Moermansk. In de Sovjetunie richtte hij een luciferfabriek op. Tussen 1923 en 1928 leefde hij illegaal onder het pseudoniem Franz Larsz in Berlijn. Hij werkte er als journalist in de branche economie, was dramaturg onder Piscator en handelde met succes in kroonkurken, ontmuffingsinstallaties voor graan, onroerende goederen, goudmijnconcessies en aardappelen. Jung was medefinancier van Brechts ‘Mahagonny’-première en schreef zelf revolutionaire romans en drama’s in expressionistische stijl. Hij woonde een tijdje in mijn buurt, in de Apoldaer Strasse nummer 7, Lichterfelde-Oost. Onder de nazi’s vluchtte hij via Praag, Wenen en Genève naar Boedapest, werd opgesloten in het KZ Bozen waar de Amerikanen hem bevrijdden. In 1948 emigreerde hij naar Amerika waar hij over economie schreef. In 1960 keerde hij naar Europa en Duitsland terug. Hij stierf in 1963 helemaal verarmd in een hotelkamer in Stuttgart. De gedegen criticus Fritz J. Raddatz noemde hem een van de onbekendste en lezenswaardigste auteurs van de Duitse taal in de eerste helft van de twintigste eeuw. Nu verdiep ik me in de inderdaad grandioze ‘Der Weg nach unten’, en hoop dat ik voor dit weggedeemsterde meesterwerk een Nederlandse uitgever vind.
Meneer Hentrich wilde me ook een August Scholtis, nog een Sileziër, verkopen, en toonde me ‘Das Eisenwerk’ uit 1938, maar ikzelf was op zoek naar ‘Ostwind’, ‘Jaś, der Flieger’ en ‘Reise nach Polen’. Maar de druk van ‘Das Eisenwerk’ – in Fraktur – bracht het gesprek toch op lettertypes, op het feit dat onder de nazi’s het Frakturschrift voor de antiqua moest wijken, onder meer omdat Fraktur te moeilijk leesbaar en dus ongeschikt was voor een regime dat de wereld wilde veroveren en dat een pragmatisch druklettertype wilde verspreiden dat alle slaven in alle KZ’s over de hele wereld konden lezen. De onderwerping van de wereld vereiste een gemakkelijke letter.
Van de Plantagenstrasse fiets ik altijd even naar de Hünensteg, een steegje langs het kerkhof van Steglitz. In de Hünensteg woonde Ruth Friedrich, medeoprichtster van Onkel Emil, een verzetsbeweging tegen het Hitler-regime. Friedrich schreef vanaf 1938 tot 1948 haar Berlijns dagboek, dat nu weer eens in Nederlandse vertaling bij Balans verschijnt. Friedrich, die in 1977 uit het leven stapte, heeft in Steglitz ook een naar haar genoemd parkje dat grenst aan de Botanische Garten.
Vandaar fietste ik naar de Markusplatz, een plein ten zuiden van de Steglitzer Damm dat ik wilde bekijken na de lectuur van Dorota Danielewicz’ lezenswaardige impressies ‘Auf der Suche nach der Seele Berlins’. Danielewicz is een Poolse die zestien jaar was toen ze in 1981 met haar ouders en tienjarig zusje uit Posen in West-Berlijn arriveerde en woonde op plaatsen in de buurt waarvan ikzelf in de jaren zeventig heb geleefd, o.a. in de Steinmetzstrasse, een parallelstraat van de Potsdamer Strasse in Schöneberg, ook een parallelstraat van de Mansteinstrasse, waar ik destijds mijn nachten sleet in de kroeg Leydicke die ik haast dagelijks frequenteerde (ik woonde toen in de Hohenstaufenstrasse 6, vlak tegen Winterfeldtplatz, het huis is gesloopt en er is nu een kinderspeelplaats).
Na Pasen ben ik afgesproken met Danielewicz die nu aan de Markusplatz woont. Ze raadde me ook de lectuur aan van haar ‘Berlin. Polnische Perspektiven, 19.-21. Jahrhundert’, een turf over de Poolse dimensie van Berlijn. Danielewicz had me fascinerende lectuur beloofd en ik ben dat boek, voor 10 euro antiquarisch op de kop getikt, nu inderdaad met rode oortjes aan het lezen, want het is een goudmijn en in dit geval is het weer eens boeiend om een stad, waarin de geschiedenis van de Russische aanwezigheid bijna mythisch is, ook eens onder een andere oostelijke, verwaarloosde belichting en dus met een Pools oog te leren kennen.
Met veel profijt over hetzelfde onderwerp gelezen: Uwe Rada, ‘Berliner Barbaren – Wie der Osten in den Westen kommt’ en vooral, ondanks de krioelende spelfouten, ‘Der Schmugglerzug – Warschau – Berlin – Warschau’, een onvolprezen ongehoord spannend veldonderzoekboek van Malgorzata Irek over het aandeel van de Polen in de Berlijnse ‘informele economie’ eind jaren tachtig, begin jaren negentig: een reportage van amper 100 bladzijden waarvoor ik een hoop non-fictielectuur van de laatste vijf jaar cadeau doe. Het flinterdunne boekje is in 1998 uitgegeven bij het Arabische Buch, een filiaal van uitgever Hans Schiler in de Fidicinstrasse in Berlijn. Toen ik wat meer informatie inwon over de uitgever ontdekte ik dat een FUB-oud-studente van me, Cornelia Essner, er in 2014 het essay ‘Antisemitische Bruchstücke’ heeft gepubliceerd. Daar moet ik de komende dagen maar eens naartoe, en ik verheug me nu al op een – na 40 jaar – hopelijk weerzien met Cornelia, die nu een autoriteit in het Derde Rijk is, ik bedoel dat ze over dat onderwerp met gezag publiceert.
Zo is de wereld nu eens groot, dan weer klein, maar altijd interessant genoeg om daartussen gesandwicht te worden. Meer wilde ik eigenlijk met dit stukje niet zeggen.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: