Liefde in Weimar

9 maart 2016

‘Na dat potje zeuren over de fouten in Newtons kleurenleer en de morfologie van plant en dier wordt de correspondentie van Goethe weer boeiend,’ zeg ik tegen I. ‘De Geheimrat is op veldtocht naar Frankrijk onderweg en hij krijgt er niet genoeg van zijn bloemenmeisje Christiane Vulpius – bij wie hij, ongetrouwd, intussen een zoon heeft – te schrijven hoezeer hij van haar houdt en hoezeer hij haar mist: “Het levert helemaal niets op om je te verwijderen van wie je liefhebt, de tijd verstrijkt en je krijgt er niets voor in de plaats” (Gotha, 9 augustus 1792), of “Waar Trier ter wereld ligt kun je niet weten en je ook niet voorstellen, het ergste is dat het ver van Weimar ligt en dat ik ver van jou verwijderd ben” (Trier, 25 augustus 1792). Af en toe maakt hij een balans op van het gemis: “Men weet helemaal niet wat men heeft als men samen is.” Hij zweert dat hij later, als hij weer thuis is, nooit meer zal klagen over de gevel van zijn buur die hem het uitzicht beneemt. Hij noemt haar “mein lieber Küchenschatz” en hij zegt dat hij aan alles denkt om wat zich rondom haar afspeelt, ook “aan onze geplante koolrapen en zo verder”. Als dat niet roerend is.’

 

‘Charlotte von Stein lijkt al niet meer te bestaan voor hem,’ zegt I.

 

‘Ze bestaat al niet meer voor hem. Ze heeft hem jarenlang gekweld door hem seksueel af te weren. Nu rekent hij met haar af. Aan Charlotte, jaloers en verbolgen over zijn relatie met Christiane Vulpius, schrijft hij dat hij haar geen rekenschap hoeft te geven. “Wie wordt daardoor tekortgedaan? Wie maakt aanspraak op de gevoelens die ik het arme schepsel gun?” werpt hij Charlotte voor de voeten. Het is alsof hij al die kwellende en frustrerende jaren aan die voeten van Charlotte in één ruk, als een bussel stro, verbrandt. Want dezelfde dag waarop hij Christiane Vulpius ontmoet, slaapt hij met haar en sindsdien houdt hij niet meer op haar lief te hebben. Als ze in 1816 sterft na een samenzijn van 28 jaar, rukt hij zich de haren uit: “Du versuchst, o Sonne, vergebens,/ Durch die düstren Wolken zu scheinen!/ Der ganze Gewinn meines Lebens/ Ist, ihren Verlust zu beweinen.“ Maar zover zijn we in 1792 gelukkig nog niet.’

 

‘Hield hij werkelijk zoveel van haar?’ vraagt I.

 

‘Veel meer dan ik kan zeggen. In alles wat hij schrijft zie je zijn opluchting dat goede seks eindelijk ongecompliceerd gepaard gaat met grote affectie en liefde, een wederzijds gebeuren, een bevrijding. Want als hij onderweg is, schrijft ook Christiane hem gloedvolle brieven over het gemis dat ze de mooie dingen des levens niet samen kunnen zien en hoezeer ze uitkijkt naar de “Schlampamps-Stündchen” (herdersuurtjes, ze schrijft “Schlambens Stüngen”, een van die spelfoutjes waar Goethe zo gek op is) met hem. Hoe opgelucht is Goethe dat hij uit de droge greep van Charlotte von Stein is ontsnapt. Lees er zijn gedicht “Frech und froh” op na, waarin de haast 40-jarige alle kwellingen en frustraties afschudt die Charlotte hem heeft aangedaan. In de eerste twee verzen zegt hij genoeg te hebben van het eeuwige liefdesverdriet, in de volgende twee dat hij een vrouw wil die van aanpakken weet (hete ogen, brandende kussen), in de twee verzen die daarna komen dat onvervulde liefde waarin lust zich mengt met smart misschien iets is voor een arme drommel (zoals hij er een was voor hij Vulpius leerde kennen), maar niets voor hem, want – de laatste verzen – hij wil een vrouw die hem alleen maar lust geeft en geen verdriet meer aandoet. Zal ik het voorlezen?’

 

“Liebesqual verschmäht mein Herz,
Sanften Jammer, süßen Schmerz;
Nur vom Tücht’gen will ich wissen,
Heißem Äugeln, derben Küssen.
Sei ein armer Hund erfrischt
Von der Lust, mit Pein gemischt!
Mädchen, gib der frischen Brust
Nichts von Pein und alle Lust.”

 

‘Zou Charlotte von Stein dat gedicht gelezen hebben?’ vraagt I.

 

‘Geen idee, maar ik hoop het. Het gedicht is niet toevallig ontstaan in 1788, kort nadat hij met Vulpius geslapen heeft. Sindsdien wenst hij von Stein naar de hel. Eigenlijk wil hij niets liever dan dat ze verzuipt in de zwarte koffie die haar naar zijn zeggen hypochondrisch heeft gemaakt.’ (Brief van 1 juni 1789).

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: