Ulysses in Berlijn

2 maart 2016

Ik had me de datum in het hoofd geprent: 2 maart, persconferentie ‘Relikte des Kalten Krieges. Fotografien von Martin Roemers’ in het Historische Museum, Unter den Linden. Ik was vanochtend vroeg opgestaan om een recensie te schrijven. Daarna, tegen tienen, pakte ik mijn rugzak, want ik had besloten na de conferentie in de Kollwitzstrasse bij uitgeverij Lukas langs te gaan om er ‘Die Stadt Berlin in der Druckgraphik 1570-1870’ (Gernot Ernst) op te halen. Gisteren had ik op het internet gezien dat de uitgeverij nog één exemplaar van die unieke tweedelige editie had, dus had ik snel gebeld met het verzoek om de kostbaarheid voor mij tegen morgen – vandaag dus – opzij te leggen, en een zekere meneer Hopfgarten van de uitgeverij had me beloofd dat te zullen doen. Ik had trouwens nog een paar andere punten op mijn agenda.
Even voor tien verliet ik mijn flat, gewapend met mijn tablet en wat lectuur voor onderweg, je weet maar nooit. In mijn rugzak staken drie boeken: eentje van Margriet Brandsma die enkele gesprekken met Nederlandse ex-Duitsland-correspondenten had uitgegeven (Conserve), een heruitgave van Gabriele Tergits in 1931 gepubliceerde, kostelijke Berlijn-roman ‘Käsebier erobert den Kurfürstendamm’ (Schöffling) waarin ik halverwege ben en ten slotte Léon Werths ‘Adieu Paris’ (De Geus), een geslaagd verslag over de uittocht uit Parijs 1940 dat op het punt staat door de Duitsers te worden ingenomen.
Ik kijk beneden in de vestibule nog even in mijn brievenbus en vind daar Susan Brownmillers baanbrekend werk ’Against Our Will – Men, Women and Rape’ dat ik antiquarisch had besteld omdat het paste in een van mijn projectjes. Ik overwoog nu toch wel even om weer naar boven te lopen om daar een paar boeken achter te laten – mijn rugzak begon al te wegen en ik was nog niet weg – maar zag daarvan af omdat ik dan de trein zou missen en te laat op de persconferentie zou verschijnen. Welgemutst stapte ik in de S1 en was meteen zo in mijn lectuur verdiept dat ik 25 minuten later er slechts op het laatste nippertje in slaagde me uit in de Oranienburger Strasse uit de trein te wurmen. Nu was het nog een fikse wandeling door de Tucholskystrasse, over de Ebertbrücke (Spree), waaronder een zestal clochards hun bed hadden gespreid, rechtdoor via de Geschwister Scholl Strasse en de Universitätsstrasse tot aan de Humboldt-universiteit Unter den Linden en dan linksaf tot aan het Zeughaus, waar ik moest zijn. Ik was op de juiste plek, maar ik was ook een dag te vroeg.
Dus lachte ik mezelf wat uit en deelde de dame die me beleefd informeerde mee dat het dus voor mij een wandeldag zou worden. Ze was erg vriendelijk, keek even naar de mooie dag daarbuiten en zei dat ze graag met mij mee zou gaan. Haar verschijning was niet van die aard dat ik daar bezwaar tegen gemaakt zou hebben. Maar goed, ik nam het allemaal sportief op tegenover mezelf en nam op Alexanderplatz nogal roekeloos een S-treintje waarvan ik dacht dat het me naar Lichtenberg zou brengen. Maar dat deed het niet, ik merkte dat we te zuidwaarts gingen en dus stapte ik uit in station Warschauer Strasse, waar mijn vergissing werd beloond met de weergaloze skyline van Berlijn: de stad zoals ze eruitzag voor God de wereld schiep, maar dan veel groter.
Daar nam ik de tram naar de Frankfurter Allee en daar dook ik de metro in tot station Lichtenberg. Ik was er vier jaar geleden al eens geweest om in de Einbeckerstrasse te speuren naar het café waar de uit Moskou teruggekeerde communisten (Ulbricht-groep) in 1945 plannen smeedden. Dat café heette destijds Rose, en toen ik er drie jaar geleden in een homerisch drinkgelag belandde – het bestond nog altijd als Eckkneipe – heette het Alabama. Maar omdat de kroeg in mijn boek ter sprake komt en omdat het zolang geleden was dat ik er nog eens ter plekke was geweest, wilde ik me ervan vergewissen of het er nog altijd stond, of het nog open was en of het nog dezelfde naam had (op het internet was er geen spoor van te bekennen). Tot mijn opluchting was dat zo, er stond Eisbein voor 8,5 euro op het menu, maar ik ging niet binnen, afgeschrikt door de orgie van vorige keer.
En toen liep het mis, of misschien juist niet. Want in de Einbeckerstrasse (die vroeger de Prinzenstrasse heette) nam ik een bus waarvan ik vermoedde dat hij naar Karlshorst reed (ik had dat natuurlijk kunnen checken, maar deed dat niet, uit pure overmoed, ook wel uit zucht naar avontuur). De bus was een half uur onderweg en de terminus was niet Karlshorst, maar een desolaat bos ergens voorbij de Wuhlheide. De geamuseerde buschauffeur zei dat ik maar beter een andere bus kon nemen die even later zou arriveren om me naar het dichtstbijzijnde S-Bahn-station Hoppegarten te brengen, dat is al een eind in Brandenburg. En dat lukte wonderwel, maar de nieuwe buschauffeur was erg nauwlettend, ik moest mijn kaartje laten zien en een toeslag betalen omdat ik me al buiten het AB-bereik bevond en dus voor C moest opleggen.
Ik veinsde dat ik een domme toerist was (erg moeilijk was dat niet) maar de chauffeur werd er niet vriendelijker op, het was nog een exemplaar uit de jaren zeventig, toen de Berlijnse chauffeurs nog brulden en dachten dat hun bussen alleen waren gemaakt om de passagiers eruit te gooien. Het was daarna nog een heel eind sporen van Hoppegarten naar Alexanderplatz, en uit balorigheid vertikte ik het om een nieuwe toeslag voor de S-Bahn te betalen. Ik reed zwart, voor de kick, wat heeft een mens aan het leven als hij niets meer doet wat verboden is? Ik kwam er zonder kleerscheuren vanaf.
Op Alexanderplatz nam ik de tram tot de aan de Marienburger Strasse, en liep via de Wörther Strasse naar de Kollwitzplatz. Ik versneed eerst wat Käsekuchen met dubbele espresso in een tegenoverliggende Konditorei en belde toen aan bij uitgeverij Lukas, waar meneer Hopfgarten me al stond op te wachten. Ik was van Hoppegarten naar Hopfgarten gereden, misschien had mijn onbewuste een vernuftig spel met me gespeeld, maar ik nam het weer sportief op en was niet boos op mezelf, wel integendeel.
Meneer Hopfgarten waarschuwde me dat de twee delen 7 kilo wogen. Maar vrolijk zei ik hem dat ik er dat voor over had, want het was toch het allerlaatste exemplaar? Nu ja, zei meneer Hopfegarten, er was nog één boekhandel in Lichterfelde met ook nog een exemplaar. Toen moest ik even slikken, want station Lichterfelde ligt op één halte verwijderd van mijn woonplaats. Ik woog nu echt loodzwaar, maar ter compensatie was mijn bankrekening een hoop lichter geworden, ik durf gewoon niet zeggen wat die 7 kilo me hebben gekost, want behalve mijn rug bezwaart het bedrag ook mijn gemoed (maar niet overdreven veel).
Ik liep dan via de Wörther Strasse tot aan het metrostation Senefelder Strasse en nam er een foto van meneer Alois Senefeld, het standbeeld dus, dat er echt waar uitziet alsof Senefeld, de uitvinder van de lithografie, in een tablet bladert. Ik nam er voor alle zekerheid een foto van.
Dan stak ik de Schönhauser Allee over met het voornemen bij Herman (zo heeft de Belgische cafébaas Brave Neyrinck zijn Belgischebierbar daar genoemd, naar zijn oud-leraar Duits), maar ik was te vroeg, hij ging pas om 18 uur open. De kilo’s in mijn rugzak begonnen te wegen. Dus nam ik aan de Torstrasse (de vroegere Wilhelm Pieck Strasse) de bus richting Oranienburger Tor, stapte daar uit en belde Renate in de hoop dat ze thuis zou zijn en dat ik bij haar in de Chausseestrasse wat zou kunnen bekomen. Ze nam op, veinsde dat ze boos was omdat ik een half jaar geen teken van leven had gegeven (ik had me aan mijn elektriserende stoel vastgesnoerd om te overleven, om te schrijven, Renate! Ik wilde geen mens meer zien! Nu is het af!), maar ze was niet thuis, zodat we afspraken om mijn heropstanding volgende week te vieren.
Ik nam vervolgens de ondergrondse naar station Friedrichstrasse, maar besloot door te rijden naar de Mehringdamm, wat ik beter niet had gedaan. Want ik kan het niet laten in het antiquariaat Büchertisch binnen te wippen, en daar lagen voor een prikje twee boeken die ik niet kon laten liggen, namelijk een boek over de Berlijnse weerstand tegen Hitler (‘Vom Columbia-Haus zum Schulenburgring’ van Kurt Schilde) en verder de prachtige cataloog ‘Stadtbilder. Berlin in der Malerei vom 17. Jahrhundert bis zur Gegenwart’, de twee voor nog geen twintig euro, het laatste ook twee kilo (ik woog ze nog eens thuis).
Op de hoek Mehringdamm/Yorckstrasse nam ik een perspectivische foto van de Yorckstrasse met de Bonifatius-kerk aan de linkerzijde omdat ik gisteren in een fotoboek (‘Berlin 1945’, Antonia Meiners) een afbeelding van dezelfde plek, opgenomen door de Rus Jevgeni Chaldej, had gezien: Russische tanks stormen langs de kerk voorbij, drie dames kijken toe. Behalve de dames is de plek onveranderd, en het is toch altijd een wonder in Berlijn wanneer je een gebouw ziet dat er al voor 1945 stond. Nu zou ik die twee foto’s naast elkaar kunnen leggen om aan vergelijkend onderzoek te doen.
Het plan om via de Gneisenaustrasse naar een vroeger stamcafé in de Bergmanstrasse in de buurt van Südstern te gaan gaf ik op. Met de metro reed ik tot station Yorckstrasse en daar nam ik de S-Bahn naar de Askanische Platz, waar de krant ‘Der Tagesspiegel’ gevestigd is. Ik wilde er een bijzondere Berlijn-plattegrond kopen die de krant een paar dagen eerder had uitgegeven. Maar ik was te laat, de hele voorraad was uitgeput, verkocht, misschien komen er morgen nieuwe exemplaren, meneer (ik had een hoed op en een das aan). Ik liet mijn adres achter aan de balie en de verkoper beloofde me morgen te zullen bellen zodra de nieuwe levering er was.
Ik bel met Els, die nog in Oostende naar de zee zit te staren, maar die morgen naar Berlijn vliegt (hé, ik ben plots in de tegenwoordige tijd), en spreek met haar af in hotel Savoy in de Fasanenstrasse, na de persconferentie over Berlijn in de Koude Oorlog die morgen werkelijk plaatsvindt. Els publiceerde nog maar pas het pittige reisboek ‘Duitsland op het spoor’ bij Lubberhuizen.
Intussen heb ik honger. Ik neem de S-Bahn tot Friedrichstrasse en stap daar over richting westen, tot ik een kwartier later in de Schlüterstrasse ben. Ik wandel even langs de kroeg Wuppke, maar de schone Poolse Ilonka staat niet achter de toog, dus stap ik maar door naar de beste Berlijnse Thai Lon-Men’s Noodle House in de Kantstrasse, maar daar is het zo vol dat ik – wat drukt die rugzak me nu toch plat, ik merk dat er een bandje begint te scheuren – me voortsleep tot aan de Leibnizstrasse waar bus 111 net voor mijn neus vertrekt.
Ik neem retroactief de bus naar Bahnhof Zoo, stap daar over in de metro tot eindstation Steglitz en neem daar de S-Bahn naar de Sundgauer Strasse. Op mijn buitendeur hangt een briefje van de postbode die een pakje heeft achtergelaten bij meneer Schmidt in 105C, derde verdieping. Moeizaam is de tocht naar boven. Het postpakket bevat zowaar Nicholas Stargards Nederlandse vertaling van ‘De Duitse Oorlog’ bij de Bezige Bij, ook geen lichtgewicht.
Nu bezwijk ik werkelijk onder de atlasgewichten, en dat met mijn artrose of artritis in de schouders (ik sleep al heel mijn leven met ondermijnende stapels boeken en kranten, geen wonder dat een arts me dertig jaar geleden eens, geconfronteerd met mijn klachten, in alle ernst heeft gevraagd of ik in de koolmijn had gewerkt).
Thuis zie ik dat er onderweg een reeks nieuwe boekedities is binnengelopen op mijn tablet, daar ben ik gelukkig niet zwaarder van geworden. En na de soep met flinterdunne schijfjes varkenshaasje en mini-patatjes tik ik dit stukje uit, in grote haast neergekrabbeld om toch maar niets te vergeten, en toch zal ik nog wel het een en ander over het hoofd hebben gezien, want er waren bijvoorbeeld ook nog andere rare mensen onderweg over wie er zeker wat te vertellen valt.
Mijn tablet piept, de krant van morgen is er al, de ‘Frankfurter Allgemeine’, ‘Der Tagesspiegel’. Er is nieuw vertaalwerk binnengelopen, een nieuwe opdracht om te recenseren. Ik wil graag voortlezen in een romanscript van mijn goede vriend Willy voor wie ik lectoreer (en hij voor mij). I. vraagt me hoe mijn dagje is geweest. ‘Niets bijzonders,’ zeg ik, terwijl ik mijn schouders probeer te masseren, ‘alleen veel volk in het openbaar verkeer dat op mijn heupen heeft gewerkt’.

 

Advertisements

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: