Nog een dialoog over Goethe, wellust en Vulpius

12 februari 2016

‘Misschien is over Goethe nog niet alles gezegd,’ zeg ik tegen I.
‘Vooruit dan maar,’ zucht ze.
‘Misschien niet direct over Goethe, maar over zijn “Bettschatz”, Christiane Vulpius. Hij was bij de veertig, zij een jaar of drieëntwintig. Hij zag er goed uit, hij was net uit Italië terug in Weimar, gebruind. Hij had haar nooit eerder gezien, zij stond hem op de drempel van zijn woning am Frauenplan op te wachten met een smeekbrief voor haar broer, die ze graag ergens geplaatst had gezien. Ze sprak hem aan. Ze moet een sensueel mirakel zijn geweest, de bliksem sloeg in, ze gingen meteen naar bed, dat bed moest sindsdien telkens weer worden gerepareerd, erg stevig zal het wel niet geweest zijn, maar toch. Het ging heel snel, zegt Goethe zelf ergens geloof ik, niet het bedrijven van de liefde, maar het naar bed gaan.’
‘Is dat dan allemaal nieuw?’ vraagt I.
‘Nee, nee, wat ik wil zeggen: hij was natuurlijk meteen stapel, voor altijd, maar ik denk dat de indruk die haar naam op hem maakte altijd al is onderschat. Ik weet niet of een biograaf daaraan al aandacht heeft besteed. Maar het kan niet anders of hij was ook door haar naam bekoord en gefascineerd. Christiane Vulpius: daarin klinkt de onheilige alliantie door van christelijke hocus pocus en klassiek heidendom. Maar wat heeft hij zich niet allemaal voorgesteld bij de naam Vulpius? Zeker ook wel voluptas, wellicht ook vulva. Haar naam, een comparatief, droop van de seks. Hij heeft hem op zijn tong laten smelten. Ook dat wilde hij peilen.’
‘Hm,’ zegt I.
‘Hij hield veel van haar, ook al las ze bijna niets van hem, alleen iets als ze zich stierlijk verveelde, wat haast nooit gebeurde. Want ze kookte voor hem, hij werd wat dik, ze was goed in bed. Wat kan een man meer verlangen van een vrouw, toch niet dat ze elke avond naar het theater gaat? En als hij op reis was, hunkerde hij naar zijn eroticon.’
‘Werkte ze niet in een soort bloemetjesfabriek?’
‘Ja, dat zal hem ook wel aangesproken hebben, hij die in zijn gedichten zo graag heideroosjes plukt of viooltjes door tere voetjes laat vertrappen. We weten niet zeker of Vulpius naast Faustina, die hij in Rome beminde, niet ook in zijn “Römische Elegien” binnendrong: “Und belehr’ ich mich nicht, indem ich des lieblichen Busens/ Formen spähe, die Hand leite die Hüften hinab?”’ *
‘Was hij eigenlijk seksueel wel trouw?’
‘Ik denk het wel,’ zeg ik, ‘al ben ik er niet zeker van. In een brief aan Herder – wacht ik neem hem er even bij, 10 oktober 1788, toen kende hij Vulpius nog maar pas – in die brief schrijft hij dus aan Herder: “Er gaat toch niets boven de hoeren, daar kan geen eerlijk man, geen eerlijke vrouw, geen eerlijk meisje tegenop.” Zijn brieven zijn soms aangebrand als hij ze naar mannen schrijft, geen wonder dat hij zijn correspondent dan vraagt om ze te verbranden.’
‘Ben je rond?’ vraagt I.
‘Zijn koude vlam, Charlotte von Stein, was versteend van de schok toen ze hoorde dat hij wild samenleefde, zo heette dat toen, Vulpius had de naam een hoer te zijn, maar daar haalde Goethe zijn neus voor op. Maar Charlotte was dan ook een geharnast wijf, een ijspegel van hier tot Tokio, ze wilde niet met hem, haar verdiende loon,’ zeg ik nog vol leedvermaak.

 

* Met de ‘telkens als ik een…’ in de overigens al te gecompliceerde vertaling van Geert van Istendael (Lannoo/Atlas) kan ik me niet verzoenen:

‘Trouwens, leer ik niet, telkens als ik een lieflijke boezem
Zie, dat de hand naar de heup glijdt, onweerstaanbaar omlaag?’

Ik probeer even tussendoor:

‘En leer ik niet bij, als ik van haar boezem de lieflijke vorm
viseer, door mijn hand langs haar heupen naar omlaag te leiden?’

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: