De kermende stad

28 december 2015

Stalins staande ovatie van gisteren klinkt ons nog in de oren, ze behoort tot de nog te schrijven geschiedenis van de geluiden, want soms komt de geschiedenis alleen via haar rumoer, haar boerende maag, tot ons. Goethe schrijft over de ellendige kanonnade van Valmy, die hij in september 1792 ondergaat, dat de oorlog vooral langs de oren tot hem doordringt, ‘want het gebulder van de kanonnen, het huilen, fluiten, knallen van de kogels door de lucht is toch de eigenlijke oorzaak van die gewaarwording’. En wat als de wapens zwijgen? Is het dan de stilte die geschiedenis maakt? Als de Brits-Oostenrijkse soldaat George Clare in 1946 naar Berlijn terugkeert, treft het hem dat elk geluid er op zichzelf staat (helemaal anders dan voor de oorlog, toen de stadsgeluiden zich met elkaar vermengden): ‘Het ontbreken van een constant stadslawaai ontstelde me meer dan de aanblik van de gebouwen die door bommen en granaten waren vernield…’ Op dat laatste was hij immers voorbereid, zegt Clare in ‘Berlin Days’, maar niet op een stad die alleen nog fluisterde. Misschien is fluisteren toch niet het juiste woord voor wat Clare in het verwoeste Berlijn hoort. Zoals hij de geïsoleerde geluiden beschrijft (het klepperen van houten zolen, het ratelen van een bolderwagen, het knarsen van een legervoertuig) gaat het eerder om het kermen en reutelen van de stad die als een gewond dier in een hoek crepeert.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: