Gisteren

3 december 2015

Gisteren vroeg op, in een seizoen waar het aan dag en dauw ontbreekt.

Van 7 tot 9 werken aan het boek, niet schrijven, maar schrappen, herschikken, opspannen. Van 9 tot 10 revisie van het Beckmannstukje dat ik in werkelijkheid al een paar dagen geleden schreef (blog van gisteren).

Dan onderweg in de S-Bahn (waar de inzet van de Duitse Tornado’s tegen IS al een vroeg gespreksonderwerp is) en de metro naar het Märkische Museum naar de tentoonstelling ‘Ich. Menzel’. Menzel, schilder, 1815-1905, litho’s en houtgravures. De kwestie van Menzels gestalte: met een lichaamslengte van 1,50 meter de wereld op de knieën dwingen. In zijn cataloogessay over dat onderwerp meent Florian Illes dat Menzel in zijn aquarellen van de stervende, liggende soldaten (Königgrätz, 1866) zelf triomfeert, omdat de dwerg zonder prothesen (stellingen) het vogelperspectief inneemt. Illies beweert dat Menzel van die gruwelijke taferelen geniet omdat hij hier letterlijk boven zichzelf uitgroeit, omdat hij hier ‘voor zijn existentiële Sehnsucht om boven zichzelf uit te stijgen zelfs over lijken gaat’. Kras.

Om 13 u afgesproken met I. voor de lunch in restaurant Pastis in Wedding, maar ze belt verhinderd af, zodat we elkaar om 17 u zullen zien in de foyer van bioscoop Zoo Palast. Dan maar in mijn eentje, langs de Chinese ambassade naar Jannowitz Brücke en met de S-Bahn naar Friedrichstrasse (onderweg leest een vrouw Meyrinks ‘Golem’) en vandaar met de U6 noordwaarts naar station Rehberge (in het station oude foto’s van het Schillerpark uit de jaren dertig, zo moet Joseph Roth het hebben gekend), dat zich onder de eindeloze Müllerstrasse in Wedding bevindt. Restaurant Pastis behoort tot het Centre français, een annex van hotel en bioscoop. Het complex is een restant van de Franse Berlijnsector Wedding-Reinickendorf. Toen de Fransen er in de zomer van 1945 arriveerden waren ze zeer gefrustreerd, want in tegenstelling tot de Britse, Amerikaanse en Russische sectoren was hun territorium een culturele woestenij: geen musea, geen dagbladen, geen uitgeverijen, niets. Dus stampten ze zelf maar wat uit de grond, ook het Centre français en de bioscoop (waar enkele dagen geleden een filmserie over de wantoestanden in Noord-Korea liep en waar ik ‘Crossing’ zag). Het eten in Pastis, drie gangen (Kastaniensuppe, Saltimbocca vom Jungschwein und Salbeijus und Rissolée-Karoffeln, Iles flottantes), is niet veel zaaks, de zaal vrij leeg, maar toch voel ik me opgevrolijkt door de Franse bediening en de nabuurschap van een piekfijn aangeklede zwarte jongeman met hagelwit hemd en bloemetjesvest.

Na de lunch met de U6 tot station Borsigwerke, waar ik nooit eerder was: de Borsigtoren, de reliëfs met de smidsewerktuigen in de gevels van de  neogotische ex-fabrieksgebouwen, een gedenkbord voor de verzetsgroep Mannhart (ook een serie Stolpersteine). Het noorden van Berlijn is me te kil, te Amerikaans, te schaakbordachtig, terug naar Mitte, uitstappen aan het Oranienburger Tor en via de Reinhardt- en Albrechtstrasse een wandeling door de Marienstrasse, een van mijn geliefde straten: een aanblik van het burgerlijke Berlijn zoals het er eind negentiende eeuw uitzag. Van de Bösebubenbar (schuin tegenover het gedegen Italiaanse restaurant Boccondivino en het gezellige antiquariaat op de binnenplaats in de Albrechtstrasse) langs de statige burgerhuizen (Sibelius!) richting Luisenstrasse, tot aan het hoekhuis waar de Japanse schrijver Mori Ogai, die Faust in het Japans vertaalde, vier jaar woonde  (1884-1888), de inboedel is nog door Charlotte von Mahlsdorf, de stichtster van het ‘Günderzeitmuseum’, samengesteld (zie haar mooie boekje ‘Ab durch die Mitte – Ein Spaziergang durch Berlin’).

Het begint al te deemsteren, de zon gaat hier vandaag om 15.55 onder (in Brussel 44 minuten later). Te voet terug naar station Friedrichstrasse (vanaf de Schiffbauerdamm en de Weidendammer Brücke een fantastisch zicht op het ronde Bodemuseum, dat met de Spreebocht lijkt mee te draaien: gloed in de vochtige schemering) en met de S-Bahn (voor de derde keer op zwartrijden gecontroleerd) naar Zoologischer Garten, waar I. al staat te wachten in het Zoo Palast.

Maar ‘Bridge of Spies’ (Spielberg) is een enorme ontgoocheling: harakiri door clichés, rekwisieten en mensen van bordkarton, een karikatuur, zonde van het geld. Na de film Taiwanees avondmaal bij Lon-Men’s Noodle House in de Kantstrasse 33. Dan afzakken naar Wuppke in de Schlüterstrasse, twee soorten jenever, een zachte en een harde. Een zachte voor I. en een harde voor mij. Vertellen, vertellen, verhalen, verhalen, zachte en harde.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: