Beckmann

2 december 2015

Gisteren door de natte sneeuw naar de Berlinische Galerie: ‘Max Beckmann und Berlin’. Beckmann schilderde het portret van Lilly von Schnitzler, bij wie de prominente nazi’s in- en uitgingen. Lilly was de echtgenote van Georg von Schnitzler, een voornaam lid van de raad van bestuur van IG-Farben. (Von Schnitzler ontmoette Hitler op 20 februari 1933 in het huis van Goering. Een week later stortte IG-Farben een enorm bedrag op de rekening van het verkiezingsfonds van de NSDAP) .
Lilly von Schnitzler kocht Beckmanns ‘Leiermann’ (1935), maar ze voorzag het schilderij van gordijntjes, zodat Von Ribbentrop & co van de aanblik van het doek gespaard bleven als die in haar salon in de Hohenzollernstrasse (later Graf Speestrasse, nu Hiroshimastrasse, buurt Tiergarten) hun gedachten over de wereldsituatie lieten opgaan in de luchtbelletjes van hun champagnefluitjes. (Sommigen beweren dat de gordijntjes nog een ander functie hadden. Lily zou zo sensibel geweest zijn dat ze soms de aanblik van het gruwelijke doek niet aankon. Tegen het zichtbare brutale straatgeweld van de nazi’s was ze blijkbaar wel opgewassen).
Het is een groot misverstand om de schilders die het slachtoffer waren van de ‘Entartete Kunst’ automatisch bij de antinazi’s onder te brengen (het treffendste voorbeeld daarvan is de afschuwelijke Hitler-kontlikker Emil Nolde). Politiek was Beckmann geen groot licht, het kon hem niet schelen onder wie hij carrière maakte, áls hij ze maar maakte. Toen de voor de nazi’s gevluchte Klaus Mann hem in 1933 op een party in de Parijse woning van de Joodse Käthe von Porada vroeg of hij naar Duitsland zou terugkeren, antwoordde Beckmann geïrriteerd: ‘Natuurlijk keer ik naar huis terug. Wat is er dan voor mij veranderd? Wat heb ik immers met politiek te maken? Ik ben toch schilder! Mijn vrouwen of acrobaten of landschappen zal ik toch wel mogen schilderen, of nu Hitler regeert of de communisten of de sultan in het hol van Pluto.’ Een maand later werd hij als docent aan de Frankfurter Kunstschule ontslagen. In 1937 verliet hij Duitsland. In de emigratie, Amsterdam, verbrandde hij zijn dagboeken van de afgelopen jaren. Niemand weet wat erin stond.
Beckmann was geen nazi en geen antisemiet, maar hij frequenteerde de extreme reactionairen en publiceerde graag in hun tijdschriften. In de kringen waarin Beckmann bij voorkeur verkeerde heerste er alleen ontzetting als ze zichzelf bedreigd voelden. Ten huize van de Schnitzlers brak er begin juli 1934 paniek uit na de nacht van de lange messen, omdat de verloofde van hun dochter een intieme vriend van de vermoorde SA-er Ernst Röhm was.
In 1927 publiceerde Beckmann in de Europäische Revue zijn manifest ‘Der Künstler im Staat’, waarover de publicist en kunsthistoricus Olaf Peters opmerkte dat het de schilder ‘in een gevaarlijke nabijheid van conservatief-revolutionairen, zelfs van fascistische standpunten bracht’. Maar het gaat niet enkel om woorden en meningen. Over Beckmanns ‘Selbstbildnis im Smoking’ (1927) merkte Peters op dat het ging om een ‘agressieve handhaving van zichzelf’, waarmee ‘charismatisch leiderschap en een elitaire wetgeving als kortetermijnoplossingen voor het probleem van de “leidersselectie” en de oriëntering van de moderne massa’ gepropageerd worden. Zo ver zou zelfs ik in de politieke interpretatie van een geschilderd zelfportret niet durven te gaan.
Het klopt dat tien schilderijen van Beckmann in februari 1933 – een paar dagen na de machtsovername door Hitler – in een aparte zaal van het Berlijnse Kronprinzenpalais, een filiaal van de Berliner Nationalgalerie, werden opgehangen, wat Beckmann als een late vorm van erkenning beschouwde. Echter niet omdat hij zo modern was, werd Beckmann opgenomen, maar integendeel omdat zijn werk de moderniteit afremde, zodat de inrichting van een Beckmannzaal eerder gezien moet worden als ‘een afweerstrategie van het Kronprinzenpalais tegen het propagandistische belasteren van de “Entartete Kunst” en voor de verdediging van de moderne kunst’ (Kurt Winkler in de cataloog Max Beckman und Berlin). Ludwig Justi, de toenmalige directeur van de Nationalgalerie, dacht dat hij de nationaalsocialisten door de ophanging van Beckmanns doeken in het Kronprinzenpalais met de moderne kunst zou kunnen verzoenen omdat zijn werk ‘anschlussfähig’ was aan nationaalsocialistische, volkse denk- en interpretatiepatronen. Het werk van Beckmann moest dus als bliksemafleider dienen, maar die opzet faalde. De nazi’s trapten er niet in.
Over dit alles: discussie met Casanova bij Frau Lüske, hij voor, ik tegen Beckmann, tot mijn haren overeind staan en de zijne uitvallen. Wat een ellende.

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: