De kelner en de levenden

19 juni 2015

De machtspositie van Kafka valt niet te onderschatten. Hij zag alles en zocht naar posities om nog meer te zien, zie zijn verhaal ‘Het hol’, waarin het alles observerende dier niet aan de verleiding kan weerstaan zichzelf te observeren en daartoe zelfs zijn eigenlijke doel – veiligheid – opgeeft: ‘Het hol beschermt mij misschien beter dan ik ooit gedacht heb of in het inwendige van het hol durf te denken. Het ging zo ver, dat ik zo nu en dan het kinderlijke verlangen in mij voelde opkomen helemaal niet naar het hol terug te gaan, doch mij hier in de buurt van de ingang te vestigen, mijn leven met het bespieden van de ingang door te brengen en mij voortdurend voor ogen te houden en daarin mijn geluk te vinden, hoe goed het hol, als ik er binnenin was, in staat zou zijn mij te beschermen.’

In haar herinneringen (‘Mein Leben mit Franz Kafka’) schrijft Dora Diamant dat zij en Franz soms overwogen een klein café te openen waarin hijzelf kelner wilde zijn. ‘Op die manier had men alles kunnen observeren, zonder zelf gezien te worden.’

De goddelijke almacht van de kelner krijgt ook aandacht in Wolfgang Fleischers Doderer-biografie (‘Das verleugnete Leben’). Fleischer vertelt hoe Heimito von Doderer na de oorlog in Wenen sigaretten en sacharine koopt in café Rebhuhn: ‘De kelners van de diverse cafés waren veruit de belangrijkste tussenpersonen van de sluikhandel en daardoor nog halfgoddelijker dan “mijnheer de ober” in Wenen al kon zijn.’

In hel of hol, altijd en overal weet de kelner het meest.

 

Advertisements

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: