Je suis partout

15 juni 2015

‘In mijn sluimer lang Esther gezien die zich met de passie, die ze volgens mij heeft voor alles wat spiritueel is, in de knoop van een touw vastgebeten had en krachtig heen en weer in de lege ruimte geslingerd werd zoals een klepel (Herinnering aan een bioscoopaffiche),’ noteert Franz Kafka op 3 november 1915 in zijn dagboek.

In zijn essay ‘Kafka geht ins Kino’ speculeert Hanns Zischler dat het gaat om het affiche van de Amerikaanse film ‘The curfew bell’ (1909), naar de gelijknamige ballade van Rose Hartwick Thorpe, die zelf geïnspireerd was door het anonieme verhaal ‘Love and Loyality’ in een of andere Detroitse krant. Het verhaal werd destijds een drietal keer verfilmd, nu eens in een Amerikaanse, dan weer in een Britse context (Cromwell).

Het verhaal gaat over een jongeman die als spion ter dood wordt veroordeeld. Zijn executie moet na het luiden van de avondklok volstrekt worden. Maar zijn geliefde redt hem door zich aan de klepel vast te klampen, zodat de doodsklok niet kan luiden: ‘Still the maiden clung more firmly, and with trembling lips and white. / Said, to hush her heart’s wild beating, “Curfew shall not ring tonight”.’

Nu ben ik ook speculatief, maar ik vermoed dat Kafka het beeld van dat affiche nog altijd voor ogen had toen hij in 1917 ‘Een plattelandsdokter’ schreef, waarover ik in mijn notitie van eergisteren beweer dat de arts in het verhaal geen bel – laat staan een alarmbel –, maar wel degelijk een klok hoort luiden.

In ‘Kafka geht ins Kino’ staat trouwens een afbeelding uit het privéarchief van Zischler: een affiche waarop een vrouw zich inderdaad wanhopig aan de klepel van een gigantische klok vastklampt.

Het beeld dat Kafka van het affiche in zich opnam was zeker niet vluchtig, daarvoor was het geheugen van de schrijver te veeleisend en te dwingend.

In de nacht van 13 op 14 maart 1913 beklemtoonde Franz Kafka in een brief aan Felice Bauer dat hij weliswaar niet vaak in het ‘Kinematographentheater’ gaat, maar dat hij toch ‘meestal bijna alle weekprogramma’s van alle bioscopen vanbuiten’ kent. Een paar regels verder schrijft hij dat hij zich aan zulke affiches verzadigt omdat ze kalmerend op hem inwerken. Als hij van de buiten naar de stad terugkeert, kijkt hij altijd begerig uit naar die affiches ‘en vanuit de tram, waarmee ik naar huis reed, las ik terloops, fragmentair, ingespannen, wat er op de affiches stond waarlangs we reden’.

Zischler: ‘Hij bladert in de stad.’

Kafka had een fenomenaal visueel geheugen. Hugo Bergmann, een vriend van Kafka, vertelt een anekdote over deze obsessieve mnemotechniek: ‘Ik herinner me, we gingen eens langs een etalage van een grote boekhandel (in het “Minuta”-huis naast het stadhuis; de boekhandelaar heette Storch). Plots zei Franz tegen mij: “Examineer me. We gaan langs de etalage, jij zegt mij de boektitels en ik raad de namen van de schrijvers.” En het lukt hem.’

In 1910 was Kafka samen met zijn vriend Max Brod in Parijs. Uit die tijd is een potloodkrabbel van Kafka in het Frans bewaard. Het is niet zeker of hij de auteur van die regels is, maar als ze niet toepasselijk voor hem waren geweest had hij ze zeker ook niet genoteerd:

‘moi je flâne

qu’on m’approuve ou me condamne

je vois tout

je suis partout.’

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: