Vertwijfeling

20 mei 2015

Met de handen in het haar komt Alekos, de baas van de gelijknamige taveerne (en minisupermarkt) in het hoog gelegen dorpje Agios Nikolaos, naar buiten gestormd en neemt hoofdschuddend naast me plaats. Elke avond, op hetzelfde uur, ontvlucht hij zijn eigen café omdat de nieuwsberichten op de televisie hoogoplopende ruzies uitlokken bij de tien man en de paardenkop die zijn interieur bevolken.

‘Politiek,’ zucht Alekos vertwijfeld, nóg vertwijfelder, want altijd op hetzelfde pleintje te moeten staren, waar altijd dezelfde mannen (nooit een vrouw) met hun eeuwige komboloi voor en in het kafeneion verschijnen, is voor de man, wiens zaak van zes ’s ochtends tot middernacht geopend is, reeds het vagevuur. Maar aangewakkerd door de politiek wordt het snel de hel. Elke avond breekt er op hetzelfde uur op het pleintje van Agios Nikolaos een kleine burgeroorlog uit.

Maar ook beneden, aan de voet van het dorp, verbergt de horeca zijn angst voor wat op til is achter een krampachtige zorgeloosheid, die soms, op onverwachte tijdstippen, openbreekt in een scheldpartij op veertig jaar maffiose politiek.

De enige periode dat de staat iets in Griekenland heeft gepresteerd, was onder het kolonelsregime, zegt Elektra van de gelijknamige afspanning, die wijst naar de  asfaltwegen, die vijftig jaar geleden in uitstekende staat, maar nu weer hopeloos kapot zijn: ‘De kolonels schakelden de militairen in om degelijke wegen aan te leggen. Sindsdien is er niets meer gebeurd.’

Michalis, de baas van mijn pension, vult de grootste gaten in het wegdek voor zijn deur met de overschotjes van het cement dat hij gebruikt om zijn parkeerplaats wat te fatsoeneren. Maar veel gasten zijn er niet. Wel landen er heel wat Duitsers van Griekse afkomst in Korfoe, om hun solidariteit te bewijzen, om hun euro’s uit te geven aan familieleden die een hotel of pension exploiteren.

Nog altijd komt er geld uit de muur, dankzij de Ela-kredieten van de ECB. Hoelang nog? De spanning stijgt. Op 5 juni slaat het uur van de waarheid die iedereen al lang kent: op die dag kan Griekenland zijn schulden definitief niet meer terugbetalen aan het IMF. Wat daarna gebeurt weet niemand.

De veelbelovende voorspellingen over stromen toeristen die in Griekenland neerstrijken gaan niet in vervulling, helaas, sedert een regering aangetreden is die van zichzelf niet weet of ze links of rechts is, maar die in elk geval niet regeert. Het doet er niet toe. Ze heeft het verkorven. De Griekse bond van toerisme had vóór het aantreden van de nieuwe regering op basis van serieuze gegevens met een recordaantal toeristen voor 2015 gerekend. Maar nu is de Duitse markt aan het instorten. De Duitse vakantiegangers wijzigen hun Griekse reisplannen omdat ze bang zijn dat er tijdens hun verblijf geen euro’s meer uit de automaten komen.

Euro’s, geuro’s, drachmen. Ook op Korfoe gonst het van het geld dat er niet is. De oudste mannen in Agios Nikolaos zijn ook bezorgd. Haast allemaal hebben ze in de jaren zestig of zeventig in Duitsland gewerkt. De postbode, die daarvoor een kleine vergoeding vraagt, brengt hun pensioen maandelijks in de taveerne van Alekos, die ook dienst doet als bank en postlokaal.

Wie zijn aandeel niet aan de postbode betaalt, moet zelf maar zien hoe hij aan zijn geld komt. De dichtstbijzijnde bank is in Lefkimi, vijftien kilometer verderop. Dat is al een ander werelddeel voor de bejaarde mensen van Agios Nikolaos, die hun blanke zenuwen op de bonte kralen van hun komboloi verbijten.

 

Advertenties

Wolf

19 mei 2015

Of ik een eenzame wolf ben in Berlijn, wil Skylla in Notos weten, wat ik met klem ontken, al was het maar omdat ik iemand nodig heb om tegen te zeggen hoe fijn het is om alleen te zijn.

 

Olie en wijn

18 mei 2015

In Notos waardeer ik de huiswijn van Elia. Hij schenkt hem in uit vijfliterflessen. Hij heeft een lymfe-achtige kleur, neigt meer naar wit dan rood, heeft meer karakter dan zijn uitzicht verraadt, is mild voor wie er niet genoeg van krijgt. Witte en blauwe druiven gaan samen in de pers, zegt Elia.
Vroeger gingen ze in de ton. Blote mensenvoeten pletten het sap uit de vruchten tot zelfs de kracht van de droesem was uitgeput en er op de bodem niets overbleef dan een gigantisch vel. Maar het eerste persen deden de druiven zelf met de druk van hun gewicht.
Elia, 81 jaar, vertelt dat hij, met het zuiverste water gewassen, met alleen maar een wit hemd aan, als knaap in de ton stapte, met zijn voeten in de weke buik van de massa wegzakte en vervolgens, aangemoedigd door de omstanders die de cadans aangaven, begon aan zijn lange dagmars – een rehabilitatie van het ter plaatse trappelen – tot hij tegen de avond helemaal door de ton was opgeslokt, zijn frêle lichaam rozig en kleverig als de ondergaande zon, beneveld door zijn eigen hergeboorte uit die trommel, een god van schuim, ruikend naar het zuur waaruit het leven zich vertakt. Pas na tien dagen was het leven onder het knetterende deksel helemaal uitgewoed.
Dat is lang geleden. Nu schuift Elia feta en olijven in mijn richting, want wie drinkt moet eten. Aan de zere voeten van de olijfbomen liggen de zwarte netten klaar waarin in oktober nog een oogst wordt vergaard. De olijven lijken op de druiven, die echter frivoler zijn. De olijven hebben zich onder de gestrengheid van de stam gerond. Daardoor zijn ze vaster en hebben ze de pit om uitgespuwd te worden.

 

Vanmorgen aan het water, op de lange pier, vlak onder het oppervlak de vissen die zwart van koelte en ervaring zijn. Na het zwemmen tussen de scholen het ontbijt van Michalis: geroosterd brood, het provinciale geel van het ei, nog warm van de kont, ook warme croissants die hun naam aan het wassen van de maan ontlenen, het druipen van de honig waarmee de yoghurt zich sterkt, boter en jam van alle vruchten die ik eerst met de ogen eet. En dan, twee hoog op mijn balkon, de groene luiken om het licht te dempen, voor me het al te tere water, in de verte het kartelen van de bergen van Epirus, zich poreus verheffend uit dat blauwe vlies, dat geluidloos op de randen van licht en schaduw breekt. Goed hoorbaar het scheepje dat in de verte dokkert, een sluier in zijn steven, het scheren van een stem. De koekoek neemt het over van de uil, twee vogels die hun echo te snel af zijn. Beneden het huis in aanbouw: het schrapen van het truweel, het schuren van de mortel. In elk landschap hoor je hoe de mens zich voegt.

 

Afdalen in Notos

16 mei 2015

Dankzij die harde, ronde geitenkeutels daalt het heel wat sneller af.

 

Of de bron voor mijn dagelijkse regel dan nooit opdroogt, en of ik daar geen angst voor heb, vraagt Skylla in de hangmat die het hart lichter en de oogleden zwaarder maakt. Ik praat daar niet graag over, natuurlijk heb ik angst. Ik moet de vraag neutraliseren met het antwoord dat ik erop geef, zodat ze niet meer bestaat. ‘Nooit schrijf ik de regel die ik in mijn hoofd heb,’ zeg ik, ‘ik gooi hem weg als offergave, ik reserveer hem niet voor morgen, ik ben geen vrek. Ik boots de natuur in haar spilzucht na: de enige taal die ze begrijpt.’ Maar dan aarzel ik in Notos, ik weet niet of ik de waarheid zeg, of een leugen niet oprechter is. Nog altijd weet ik niet of dat weggooien een uiting van extreme luiheid of sublieme ijver is.

 

Eden

14 mei 2015

En dan verklaar ik Skylla, terwijl ik een schijfje citroen tussen haar lippen schuif, het verschil tussen de Hof van Eden en deze in Notos naar de zee afhellende tuin: de slangen houden hier hun bek omdat niets verboden is.

 

Elektra

13 mei 2015

Onderweg van Petritis naar Notos, met een zijsprong in Agios Nikolaos, heb ik talloze elektriciteitsmeterkastjes gefotografeerd. Die hangen namelijk in alle vormen en maten, maar vooral vorm- en mateloos, aan de gevels van de huizen. De Korfioten tikten met hun wijsvinger tegen hun voorhoofd, alsof er bij mij een draadje los zat. Ze zijn het niet gewend dat er andere dingen dan mensen met de zeven geitjes of de zee op de achtergrond (kun je dat wel zeggen?) gekiekt worden. Toen ik klaar was met mijn reportage, ging ik, uitgedroogd en murw van de hitte, even opladen in een taveerne die Elektra heette.

 

Pointe

12 mei 2015

Vandaag is de pointe dat de hitte me heeft afgestompt.

 

Epiloog

11 mei 2015

Ik heb ‘Prospero’s Cell’ van Lawrence Durrell niet gelezen, maar geproefd. Nu is het boekje uit, helaas, het is op. Niet lang na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verliet Durrell Korfoe. Via Kreta zou hij uiteindelijk in Alexandrië belanden.
Het Korfiotische vissershuisje in Kalami, waar hij met zijn mooie, jonge vrouw verbleef en dat hij het witte huis noemde, bestond na de oorlog niet meer. In een epiloog, die hij later in Alexandrië schreef, vermeldt Durrell zelf dat het huisje werd gebombardeerd.
Durrell, die toch een vijftal jaar op Korfoe woonde en er vele vrienden maakte, roept in dezelfde epiloog de smart van het afscheid op in een zin die ik niet licht zal vergeten. Zo diep is zijn hunkering dat zijn verlangen niet eens meer zijn gevoelens beroert: ‘Door de verfraaiende lens van de herinnering lijkt het verleden zo betoverend dat het onwaardig zou zijn om het met gedachten te bezoedelen.’
Maar Lawrence Durrel verliet geen plaats, denk ik, maar een oord dat in eenmalige atmosfeer was gehuld.
Daarom moeten we de plekken met rust laten waarvan we weten dat ze het uiterste van zichzelf hebben gegeven. We mogen hun herinnering cultiveren, maar we mogen ze niet bederven door ernaar terug te keren en met de as in onze mond te ontdekken wat we konden vermoeden: dat ze bij ons afscheid zo wijs waren te verzwijgen dat ze door ons eigen vuur zijn verkoold. Door ernaar terug te keren vernietigen we wat ze ons geschonken hebben, en ook onszelf.