Zand

21 mei 2015

Notos. Waar de tropische Panorama-tuin van Euthanasios ophoudt, begint het strand: keien tot bijna aan de waterlijn. Kinderen gooien de stenen in het water, ze zijn trots op het plonzen en het spatten. Hun speelgenoten duiken ernaar en brengen de keien weer aan land, zodat alles herbegint.

En plots moet ik hier op Korfoe denken aan een tafereel dat Joseph Roth in zijn reportage over het Berlijnse Schillerpark in Wedding beschrijft. Of beter, Roth probeert in 1921 de betekenis te doorgronden van het spel dat de kinderen spelen in de zandgrond van het Schillerpark:  ‘Het zand heeft Onze-Lieve-Heer speciaal voor de kinderen uitgevonden, opdat ze in de wijze naïviteit van het spelen doel en bestemming van aardse bezigheden verzinnebeelden. Ze scheppen het zand van één plek in een blikken emmer, zeulen ermee naar een andere plek en storten de emmer daar leeg. Daarna komen er andere kinderen, die het opgehoopte zand weer in hun emmer scheppen en naar de plek brengen waar het vandaan gekomen is. En dat is het leven.’

En door die associatie van het keienspel op het strand van Korfoe en van Roths zandkinderen bijna honderd jaar geleden in het Berlijnse Schillerpark, krijg ik plots heimwee naar de barre zandgronden van Brandenburg en bedenk ik dat er voor spelende kinderen aan zandbergen waarlijk geen gebrek is in Mecklenburg, Pommeren en Berlijn, dus waarom niet ook voor het kind in mij?

Pruisenvorst Frederik de Grote was trots op de zandbak waarin hij heer en meester speelde. In 1776 schreef hij aan Voltaire: ‘Ik erken dat met uitzondering van Libië slechts weinig staten er zich op kunnen beroemen ons te evenaren wat zand betreft.’ ‘Dat verdomde zand,’ citeerde Theodor Fontane zijn vader in zijn herinneringsboek ‘Kinderjaren’. Het Berlijnse zand bleef de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann obsederen: het overal opwaaiende zand, de bomen met ‘woestijnervaring’, in het zand gestrande villa’s. Haar hopeloze advies: ‘Het beste is: met de ogen vast in het zand kijken.’

Eindeloos zou ik het Brandenburgse zand in eigen ogen kunnen strooien om me weer te verzoenen met Berlijn. Maar ik vergeet niet dat Stendhal in zijn dagboek  waarschuwde dat je al de duivel in je lijf moest hebben om in de Pruisische ‘zandzee’ een stad als Berlijn te bouwen. En om erin te wonen? Als een zwerfkei in een zandkasteel?

 

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: